Sleutels voor personenvennootschapsrecht
Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.2.4.6:2.2.4.6 De Innen-GbR
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.2.4.6
2.2.4.6 De Innen-GbR
Documentgegevens:
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS584567:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Schücking in Münchener Handbuch 2004, § 3, Rdnr. 44; Gummert in Münchener Handbuch 2004, § 19, Rdnr. 14; Friel in Münchener Anwalts Handbuch 2015, § 13, Rdnr. 14.
Schücking in Münchener Handbuch 2004, § 3, Rdnr. 9 neemt aan dat dit mogelijk is; Van Randenborgh in Sudhoff 2005, § 5, Rdnr. 23 neemt aan dat dit niet kan.
Schücking in Münchener Handbuch 2004, § 3, Rdnr. 55; Gummert in Münchener Handbuch 2004, § 13, Rdnr. 2, § 16, Rdnr. 4 en § 19, Rdnr. 14; Friel in Münchener Anwalts Handbuch 2015, § 13, Rdnr. 18-20.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De criteria waarop het onderscheid tussen Innen-GbR en Auβen-GbR wordt gemaakt, heb ik al besproken. Het komt er globaal op neer dat de Innen-GbR niet als zodanig aan het rechtsverkeer deelneemt. Normaal gesproken zal van haar bestaan naar buiten toe niet blijken. Verder is duidelijk dat de Innen-GbR niet rechtsbevoegd en derhalve ook niet formeel procesbevoegd is.1 Of een Innen-GbR zich met behoud van identiteit kan omzetten in een Auβen-GbR, wordt verschillend beoordeeld.2
Of bij de Innen-GbR sprake kan zijn van een gezamendehands vermogen, is omstreden. De rechtspraak is niet eenduidig, maar neigt naar afwijzing van de mogelijkheid.3 Er zijn ook tegengeluiden. Zo wordt verdedigd dat op zijn minst moet worden aangenomen dat de gezamenlijke vennootschapsrechtelijke aanspraken (zoals de vordering tot inbreng jegens een individuele vennoot) in Gesamthand worden gehouden. Ook wordt erop gewezen dat de regeling van de Gesamthand in het personenvennootschapsrecht geen onderscheid maakt tussen Innen- en Auβengesellschafte, en dat ook bij de Innengesellschaft van een gezamenlijk doel sprake is dat vermogensscheiding kan rechtvaardigen. Op basis hiervan wordt verdedigd dat de Innen-GbR ook buiten de vennootschapsrechtelijke aanspraken een gezamendehands vennootschapsvermogen kan opbouwen.4 Een extern optreden van de vennoten als GbR, op een wijze die toepassing rechtvaardigt van de bijzondere, voor de Auβen-GbR geldende regels over aansprakelijkheid en vertegenwoordiging, kan daarbij niet aan de orde zijn. Dan zou immers sprake zijn van een Auβen-GbR. Een vennoot van een Innen-GbR kan in privé slechts worden gebonden volgens de regels van het commune recht.
Als een Innen-GbR een gezamendehands vermogen kan hebben, en in een concreet geval ook heeft, zal daarop de klassieke Gesamthandsleer van toepassing zijn, zoals die tot 2001 ook voor de Auβen-GbR gold. In dat geval kunnen de gezamenlijke vennoten niet alleen via een Gesamthandklage in hun privévermogens worden aangesproken, maar met een Gesamthandsschuldklage ook in het gezamendehandse vermogen.5 Verder zullen in dat geval de tot het vennootschapsvermogen behorende bestanddelen bij een vennotenwissel op goederenrechtelijke basis (objectbenadering) van rechtswege overgaan van de oude op de nieuwe groep vennoten.6
Gaan twee of meer personen tussen wie (al dan niet) een Innen-GbR bestaat gezamenlijk een schuld aan, dan zullen de regels van het commune recht inzake pluraliteit van schuldenaren van toepassing zijn op hun aansprakelijkheid. Volgens deze regels is bij een deelbare schuld iedere schuldenaar voor een gelijk gedeelte daarvoor verbonden. Men spreekt van Teilschuldverhältnisse. In veel gevallen voorziet het recht evenwel in hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit geldt voor ondeelbare schulden, maar ook ook voor (deelbare) schulden wegens onrechtmatige daad. Bovendien kent het Duitse recht de regel dat als twee of meer personen bij overeenkomst samen een deelbare verplichting aanvaarden, zij in geval van twijfel ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn. Deze regel geldt niet alleen voor de contractuele verplichting zelf, maar in voorkomend geval ook voor een verplichting tot vervangende of aanvullende schadevergoeding.7