Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.2.1.b.i
9.2.1.b.i De algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/201a BW: geen regels
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS598862:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1984-1985, 18 903, nr. 3, p. 8. Evenzo Maeijer onder NJ 1990/173; Van der Grinten (1991), p. 11; Van Dort (1991), p. 214; De Kam (1994), p. 66; Van Vliet (1999), p. 69; Hermans (2002), p. 501; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/685.
De formulering van art. 2:92a/201a lid 5 BW is mijns inziens verwarrend. De eerste zin bepaalt dat de rechter deskundigen kan benoemen, indien de vordering tot uitkoop toewijsbaar is. Pas in de derde zin staat dat de rechter de prijs van de aandelen vaststelt. Het is duidelijker om de volgorde van deze zinnen, zoals het geval is voor de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW, om te draaien.
Dit volgt onder meer uit het gebruik van het woord ‘kan’ in art. 2:92a/201a lid 5 BW en art. 2:359c lid 6 BW. Dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot de geschillenregeling waarbij art. 2:339 BW een deskundigenbericht onder omstandigheden dwingend voorschrijft. Evenzo Van Dort (1991), p. 214; Van der Grinten (1991), p. 11; Van Vliet (1999), p. 69-70 en Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/685. Over het deskundigenbericht in de geschillenregeling, zie Bulten (2011), p. 170 e.v.
Aldus ook Blom (1990), p. 164; Wessel (1991), p. 43; Den Boer (2002), p. 340.
Kamerstukken II 1984-1985, 18 904, nr. 5; Handelingen II 1987, 41, p. 2366.
Kamerstukken II 1985-1986, 18 904, nr. 6.
Handelingen II 1987, 41, p. 2367.
Evenzo De Kam (1994), p. 68.
Kamerstukken I 1987-1988, 18 904, nr. 41a, p. 3.
De algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW bevat geen regels over de wijze waarop de OK de prijs voor de over te dragen aandelen moet vaststellen. De OK heeft hiertoe een discretionaire bevoegdheid.1 Zij is vrij in de manier waarop zij de prijs vaststelt en welke waarderingsmethode zij hieraan ten grondslag legt. De wet bepaalt slechts dat de OK één of drie deskundigen kan benoemen die haar berichten over de waarde van de aandelen.2 Er bestaat hiertoe geen verplichting (§ 9.2.4).3
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet waarom de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW geen enkele norm bevat voor de prijsvaststelling.4
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel is nog wel getracht om een minimum uitkoopprijs in de wet op te nemen. Als criterium zou moeten gelden ‘de waarde van de aandelen in het economische verkeer’.5 De wetgever acht een dergelijke bepaling weinig toevoegen. De OK en de door de haar te benoemen deskundigen zullen bij de prijsbepaling ‘uiteraard acht slaan op de waarde die de aandelen in het economisch verkeer zouden vertegenwoordigen’.6 Een probleem van een dergelijk criterium als wettelijk minimum is volgens de wetgever dat bij een minderheidspakket er veelal geen, althans weinig, economisch verkeer is. De waarde van deze aandelen in het economisch verkeer is bij een gebrek aan belangstelling dan buitengewoon laag.
In dergelijke gevallen ligt een ander waarderingscriterium of -methode meer voor de hand, aldus nog steeds de wetgever.7 Opmerkelijk is dat de OK bij de waardering juist wel de waarde in het economisch verkeer tot uitgangspunt neemt (§ 9.3.1 sub b).
De wetgever heeft de OK kennelijk niet willen binden aan specifieke regels omtrent het vaststellen van de prijs of een daaraan ten grondslag liggende waarderingsmethode.8 Het enige aanknopingspunt uit de wetsgeschiedenis is dat de OK bij de waardering acht moet slaan op alle omstandigheden die de waarde bepalen en dat de vast te stellen prijs redelijk moet zijn.9 Het is naar mijn mening wel wenselijk om enkele regels omtrent het vaststellen van de prijs in de wet op te nemen (§ 9.2.3).