De ex-werknemer
Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/4.6.1:4.6.1 Algemeen
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/4.6.1
4.6.1 Algemeen
Documentgegevens:
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687176:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De semi-publieke sector en de Wet normering topinkomens laat ik hierbij gemakshalve buiten beschouwing omdat deze aan variabele beloning geen eisen stelt die postcontractueel van belang zijn.
Richtlijn 2010/76/EU, overweging 4 (CRD III).
Kamerstukken I 2014/15, 33964, C, p. 6. Kamerstukken II 2018/19, 32013, nr. 200, p. 4, spreekt over het klantbelang.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ander belangrijk beloningsbestanddeel na het einde van de arbeidsovereenkomst kan bestaan uit variabele beloning. Doorgaans verliest een werknemer bij vertrek zijn aanspraken op variabele beloning die nog niet onvoorwaardelijk zijn. In paragraaf 4.2.1 besprak ik dat vervalbedingen zijn toegestaan en de discussie over de rechtmatigheid daarvan wat betreft variabele beloning zich beperkt tot enige discussie in de literatuur. In tegenstelling tot pensioen, waar verval is verboden, heeft de wetgever geen regels over verval van variabele beloning gesteld.
Ondanks dat verval vaak de hoofdregel is, is het blijven van aandeelhouder, uitkoop of het onvoorwaardelijk worden van toegekende instrumenten allemaal contractueel mogelijk na uitdiensttreding. Soms is dit van tevoren al voorzien in het toepasselijke reglement, soms is het een afspraak die bij uitdiensttreding wordt gemaakt in een vaststellingsovereenkomst. Bij geregelde ontslagen komt het vaak voor dat in het verleden toegekende, maar nog niet onvoorwaardelijke, variabele beloning als onderdeel van de regeling niet verloren gaat (in afwijking van het toepasselijke reglement).
Het uitgangspunt is hier dus de contractsvrijheid, maar voor sommige werkgevers is die vrijheid inmiddels aan de nodige regels gebonden. Met name beursgenoteerde bedrijven en de financiële sector hebben het afgelopen decennium voortdurend onder vuur gelegen ten aanzien van het door hen gehanteerde beloningsbeleid en dan met name ten aanzien van het onderwerp variabele beloning.1 Dit heeft geresulteerd in een reeks aan maatregelen in een poging paal en perk te stellen aan veronderstelde beloningsexcessen. Opvallend is dat die maatregelen niet, of in ieder geval niet primair, zijn ingegeven uit het oogpunt van (ex-)werknemersbescherming. Als ratio is onder meer genoemd het maatschappelijk belang en het langetermijnondernemingsbelang van het tegengaan van de negatieve effecten van buitensporige bonussen,2 het voorkomen dat buitensporige en onverantwoorde risico’s de financiële soliditeit van ondernemingen in de financiële sector ondermijnen,3 en de bescherming van de consument.4