Zie het al eerder genoemde Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming (Proces-verbaalnummer 2011.069833), waaraan de navolgende informatie is ontleend.
HR, 01-07-2014, nr. 12/05627
ECLI:NL:HR:2014:1565, Sprongcassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-07-2014
- Zaaknummer
12/05627
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:1565, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 01‑07‑2014; (Cassatie)
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5600, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:625
ECLI:NL:PHR:2014:625, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑04‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1565
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑01‑2014
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2014/475 met annotatie van F. Vellinga-Schootstra
SR-Updates.nl 2014-0295
NbSr 2014/280 met annotatie van prof. mr. G.P.M.F. Mols
Uitspraak 01‑07‑2014
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag. Verschoningsrecht advocaat. Gelet op de onderliggende stukken van het strafdossier waarop de Rb haar oordeel heeft gegrond, is haar oordeel dat de verdenking jegens klager (valselijk opmaken van dagvaardingen voor civiele procedures en in een civiele procedure gebruik maken van een valse bekentenis) niet samenhangt met de kern van de werkzaamheden van een advocaat en dat die verdenking niet het vertrouwen aantast dat in de samenleving in een advocaat bij zijn optreden in gerechtelijke procedures moet kunnen worden gesteld, niet begrijpelijk. Het oordeel van de Rb dat niet gesproken kan worden van zeer uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat het verschoningsrecht van klager mag worden doorbroken is niet toereikend gemotiveerd.
Partij(en)
1 juli 2014
Strafkamer
nr. 12/05627 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank 's-Gravenhage van 27 november 2012, nummer RK 12/2958, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de klager, mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De raadsman van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt dat de Rechtbank haar oordeel dat zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het aan de klager, als advocaat, toekomende verschoningsrecht, onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
3.2.
De Rechtbank heeft het namens de klager ingediende klaagschrift, strekkende tot teruggave van de onder hem inbeslaggenomen dossiers, gegrond verklaard en de teruggave van de dossiers gelast.
3.3.
De bestreden beschikking houdt het volgende in:
"De rechtbank stelt voorop vast dat klager geen toestemming heeft gegeven tot inbeslagname, terwijl voorts evident is dat de inbeslaggenomen dossiers vallen onder klagers geheimhoudingsplicht.
Voor de beoordeling van het beklag is vervolgens het volgende van belang. Met het oog op de onderliggende stukken in de strafdossiers, kan de rechtbank zich verenigen met het oordeel van de rechter-commissaris dat ten aanzien van de zaken [betrokkene 1]-[betrokkene 2] en [betrokkene 3]-[betrokkene 4] gesproken kan worden van een redelijk vermoeden van schuld dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, te weten oplichting van een rechtbank en valsheid in geschrift. De enkele omstandigheid dat klager als verdachte van enig strafbaar feit kan worden aangemerkt, is als gesteld niet toereikend om zijn plicht tot geheimhouding te mogen doorbreken. Daarvoor is vereist dat, zoals eveneens uit de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad volgt (...) sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de geheimhoudingsplicht kunnen doorbreken.
(...)
Zeer uitzonderlijke omstandigheden?
(...)
Ten aanzien van het dossier [betrokkene 3]/
[betrokkene 4] betreft de verdenking in het bijzonder de vraag of [betrokkene 3] zich gedurende de behande-ling van een civiele zaak bij de rechtbank te Assen ten onrechte heeft voorgedaan als zijn broer, [betrokkene 5], én of klager als zijn behandelend advocaat op die zitting daarvan op de hoogte was maar zich daarover niet ter zitting heeft uitgelaten ten opzichte van de behandelend rechter. Naar het oordeel van de rechtbank had het openbaar ministerie de mogelijkheid om ander én minder ingrijpend onderzoek te doen teneinde de waarheid op dit specifieke punt aan het licht te brengen, is van die mogelijkheid gebruik gemaakt - zo is onder meer de comparitierechter gehoord - en bestaat zij nog steeds. Ook desgevraagd, en dat geldt voor het gehele beslag, heeft de officier van justitie niet medegedeeld welke informatie hij in de dossiers zoekt, die niet op andere wijze verkregen zou kunnen worden.
Dat is eens temeer van belang nu het feiten betreft die zich in de openbaarheid zouden hebben afgespeeld. Van zeer uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot het doorbreken van de geheimhoudingsplicht is aldus - wat er verder ook zij van de juistheid van het standpunt van de waarnemend deken dat (kort gezegd) het handelen van klager niet tuchtrechtelijk laakbaar zou zijn - naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van bedoeld dossier thans nog geen sprake.
Voorts acht de rechtbank in het bijzonder de aard, ernst en omvang van de verdenking zowel ten aanzien van klager in de zaak [betrokkene 3]/[betrokkene 4] als ten aanzien van klager in de zaak [betrokkene 1]/[betrokkene 2], - wat er nadrukkelijk verder straf- en tuchtrechtelijk ook zij van de verdenking - niet voldoende zwaarwegend dat deze, beoordeeld naar de toets van de zeer uitzonderlijke omstandigheden, zonder meer een doorbreking van het verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen. De verdenking betreft relatief beperkte feiten in aard, tijd en omvang, terwijl bijvoorbeeld voorts een crimineel samenwerkingsverband van klager met andere verdachten niet door de officier van justitie wordt verondersteld.
De vordering van de officier van justitie en het oordeel van de rechter-commissaris houden in dat de verdenking zodanig samenhangt met de kern van de werkzaamheden van klager en een ontwrichtende werking hebben op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van een advocaat moet kunnen worden gesteld in de samenleving in het algemeen en in civiele zaken met verplichte procesvertegenwoordiging in het bijzonder, dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake is. Die redenering, die klaarblijkelijk is ontleend aan een arrest van de Hoge Raad in een zaak waarin de Hoge Raad op deze grond een doorbreking van het verschoningsrecht van een notaris sauveerde, volgt de rechtbank niet.
Een vergelijking met de kerntaak van een notaris kan reeds geen stand houden nu het onafhankelijke ambt van notaris in de kern mede een maatschappelijk zwaarwegende functie behelst die voorschrijft dat een notaris de authenticiteit van bepaalde stukken verifieert en bevestigt, zodat daarop in het maatschappelijk verkeer kan en mag worden vertrouwd. Dit is een wezenlijk andere kerntaak dan die van een advocaat, van wie het ook in civiele zaken niet tot de beroepsuitoefening behoort dat hij van alle stukken die cliënten hem aandragen de authenticiteit verifieert maar van wie vooreerst - als partij - wordt verlangd het persoonlijke en zakelijke belang van zijn cliënt(en) te verdedigen. Het in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde maakt dit niet anders.
De rechtbank komt dan ook op grond van het vorenoverwogene ten aanzien van beide inbeslaggenomen zaaksdossiers tot de slotsom dat in casu niet, althans niet zonder meer, gesproken kan worden van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van klager mag worden doorbroken."
3.4.
Bij de op de voet van art. 447, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken, bevindt zich het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant], brigadier van politie, senior project-rechercheur, op 29 maart 2012. Dit proces-verbaal houdt het volgende in:
"In een groot aantal mutaties, aangiften en (MOT) meldingen bij diverse politiekorpsen in de periode 2008 t/m 2010 worden [betrokkene 3], zijn vrouw [betrokkene 6], zijn zoon en andere familieleden aangeduid als overlastgevers die kennelijk strafbare feiten plegen. Uit deze gegevens blijkt dat [betrokkene 3], samen met enkele familieleden en anderen, zich kennelijk al jaren bezig houden met het verhuren van woningen waarbij opbrengstmaximalisatie het uitgangspunt is. Ook wordt er in onroerend goed gehandeld. Bij de aankoop, het beheer en het verhuur van woningen, wordt veelal zaken gedaan uit naam van stromannen.
Uit de voornoemde mutaties, aangiften en meldingen en het verdere verrichtte strafrechtelijk onderzoek is deels inzichtelijk geworden met welke panden [betrokkene 3] en [betrokkene 6] bemoeienis hebben, dan wel het vermoeden is ontstaan dat zij economische eigenaar zijn.
(...)
Een aantal panden die verhuurd worden zijn vermoedelijk juridisch eigendom van de familie en personen rondom [betrokkene 3]. Het economisch eigendom ligt vermoedelijk bij [betrokkene 3] en zijn vrouw [betrokkene 6]. Derden worden ingezet om het echte eigendom tot de onroerende zaken af te schermen of om de uiteindelijke bestemming van transactieresultaten te verhullen. Op deze wijze biedt het economisch eigendom een goede afscherming ten opzichte van overheidinstanties omdat de naam van de "eigenaar" geheim kan blijven.
(...)
Het onderzoek heeft zich gericht op het inzicht krijgen op de economische eigendommen, de bijbehorende geldstromen en grondmisdrijven die in zicht kwamen bij het onderzoeken van de vastgoedtransacties. Voorts is gekeken naar de verschillende grondmisdrijven die gerelateerd kunnen worden aan het beheer/bezit en verhuren van de verschillende panden.
(...)
Relatie verdachte [betrokkene 3] en advocaat [klager]:
Het is ambtshalve bekend dat de verdachte [betrokkene 3] en advocaat [klager] reeds jarenlang (vanaf tenminste 1993) bekenden van elkaar zijn en dat sinds die tijd advocaat [klager] vele civiele en strafrechtelijke procedures voor de verdachte heeft gevoerd. In 1993 werd er door de belastingdienst een zaak tegen de verdachte en een groot aantal stromannen aangespannen. In die civiele zaak heeft advocaat [klager] onder andere ook opgetreden voor [betrokkene 5], de broer van verdachte [betrokkene 3].
[betrokkene 5] werd door de belastingdienst beschouwd als een van de stromannen van de verdachte. Dit is gebleken uit de vonnissen en arresten uit die belastingzaak uit 1993.
In de huidige strafzaak is [betrokkene 5] aangemerkt als verdachte van witwassen, nu hij meerdere onroerende zaken op zijn naam heeft die naar de stelling van het openbaar ministerie gefinancierd zijn met crimineel (besmet) geld. In die zaak heeft hij ook reeds verklaringen afgelegd.
Civiele procedures – aangiften valsheid in geschrift/(poging tot) oplichting:
Bij het onderzoek aan de inbeslaggenomen bescheiden alsmede gedurende het uitluisteren van diverse tapgesprekken zijn onder andere de volgende twee civiele casu naar voren gekomen. In deze zaken is civiel geprocedeerd.
De verdenking bestaat dat de verdachte [betrokkene 3] in deze civiele procedures valse of vervalste stukken in het geding heeft gebracht of laten brengen, alsmede dat hij onder meer op basis van die valse stukken, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels in één zaak de rechtbank heeft opgelicht tot het afgeven van een civiel vonnis en in de andere civiele zaak dat heeft geprobeerd.
In beide casu is aangifte gedaan van, kort gezegd, valsheid in geschrift en (poging tot) oplichting. In beide casu heeft advocaat [klager] (deels) als advocaat opgetreden in de civiele procedures. Gelet op het onderstaande is de verdenking gerezen en zijn er ernstige bezwaren aanwezig dat advocaat [klager] zich tezamen en in vereniging met voornoemde verdachte [betrokkene 3] heeft schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van geschrift(en) (o.a. dagvaardingen en conclusies op onjuiste namen), althans gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte stukken of vervalste stukken (koopovereenkomsten op andermans naam en/of koopovereenkomsten die in werkelijkheid nimmer tussen partijen ([betrokkene 5] en [betrokkene 7]) zijn overeengekomen en/of leenovereenkomst met inge-kopieerde handtekening en/of valse handtekening), zoals hieronder per casus uiteengezet.
(...)
1) casus [betrokkene 4]
Aan- en verkoop van een stuk grond te Rolde (Drenthe):
Gedurende het onderzoek Waterstof is gebleken dat verdachte [betrokkene 3] betrokken was bij de aan- en/of verkoop van een stuk grond in de gemeente Rolde te Drenthe. Nader onderzoek hiertoe leverde op dat de eigenaar van het stuk grond, [betrokkene 4], in een civiel geschil is geraakt met (vermeende) [betrokkene 5], de broer van de verdachte, betreffende de verkoop van het stuk grond te Rolde, wegens, kort en zakelijk weergegeven, het niet leveren van het stuk grond door [betrokkene 4] in combinatie met een (vermeende) doorverkoop door [betrokkene 5] aan [betrokkene 7]. Dit heeft uiteindelijk geleid tot eerst een rechtszaak en later een schikking, waarover later meer. Uit onderzoek, bestaande uit het verhoren van verdachten [betrokkene 5], [betrokkene 7] en aangever [betrokkene 4] is vervolgens gebleken dat [betrokkene 4] zeer vermoedelijk door verdachte werd opgelicht door onder meer het plegen van valsheid in geschriften. De verdachte zou zich in deze hebben bediend van de identiteit van zijn broer [betrokkene 5]. [betrokkene 7] is een in het onderzoek Waterstof meergebruikte stroman van de verdachte.
(...)
Gelet op de hiervoor benoemde civiele twist tussen (vermeende) [betrokkene 5] en [betrokkene 4], is er door [klager], advocaat te Den Haag, een dagvaarding uitgegaan namens deze [betrokkene 5] jegens [betrokkene 4] en is er beslag gelegd op het stuk grond.
Uit het civiele vonnis d.d. 3 augustus 2011 bleek onder meer dat op zitting verschenen zouden zijn een persoon die opgaf te zijn [betrokkene 5] met diens advocaat [klager]. Ook [betrokkene 4] was met zijn advocaat als advocaat als gedaagde partij aanwezig bij deze terechtzitting. Tijdens de zitting werd het woord vooral gevoerd door de persoon die opgaf te zijn [betrokkene 5] als ook door [betrokkene 4]. Zoals eerder opgemerkt kent advocaat [klager] [betrokkene 3] al sinds 1993 en heeft hij ook reeds in 1993 een civiele procedure gevoerd voor [betrokkene 5].
Uit de aangifte van [betrokkene 4] bleek dat de persoon die ter zitting opgaf te zijn [betrokkene 5] bij [betrokkene 4] bekend was als [A]. Dit is, zo is in het onderzoek Waterstof gebleken, een veelgebruikt alias van verdachte [betrokkene 3]. Tevens heeft aangever [betrokkene 4] de foto van de verdachte aangewezen als zijnde de persoon die hij kent als deze [A], de persoon die zich ter zitting voordeed als [betrokkene 5]. Ambtshalve is bovendien bekend dat [betrokkene 5] de Nederlandse taal niet voldoende machtig is om zich zo (als in het civiele vonnis verwoord staat) gedurende een gerechtszitting te kunnen uiten. (...)
Uit voorgaande feiten en omstandigheden zoals die ook uit bijgevoegde aangifte, proces-verbaal ter terechtzitting en bijgevoegd vonnis blijken, kan worden afgeleid dat verdachte [betrokkene 3] zich ter terechtzitting heeft voorgedaan als zijn broer. De naam van die broer, [betrokkene 5], was gebruikt in de opgestelde eerste en tweede koopovereenkomst (opgesteld door de verdachte). Nu de verdachte ter terechtzitting aangeeft dat hij de onderhandelingen heeft gevoerd en de overeenkomst is aangegaan, heeft hij valse stukken opgesteld en die zijn vervolgens in het geding gebracht.
Voor het (onder meer) opstellen van valse huurcontracten op naam van de juridische eigenaar van panden, welke huurcontracten de verdachte [betrokkene 3] vervolgens zelf ondertekende, is de verdachte in 2010 (niet onherroepelijk) veroordeeld tot 2 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Advocaat [klager] stond verdachte in die zaak bij als advocaat.
Advocaat [klager] was gedurende de gehele periode ter terechtzitting aanwezig blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting en heeft nimmer aangegeven dat zich niet [betrokkene 5] in de zaal bevond, maar diens broer, de verdachte [betrokkene 3]. Gedurende (in elk geval) de procedure ter terechtzitting moet de advocaat zich er van bewust zijn geworden dat de stukken die ten grondslag liggen aan de dagvaarding en andere conclusies van zijn hand valselijk zijn opgemaakt door de verdachte.
De tweede koopovereenkomst is op papier gesloten tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 7], welke laatstgenoemde in het onderzoek Waterstof bekend is geworden als een stroman van de verdachte [betrokkene 3] en iemand die als een soort klusjesman voor hem werkte. [betrokkene 7] is gehoord als verdachte en geeft – kort gezegd – aan dat de handtekening onder het tweede koopcontract weliswaar door hem is gezet, maar in opdracht van verdachte. Voorts geeft hij aan dat hij nimmer gesteld zou hebben dat hij schade had geleden en dat hij nimmer levering zou hebben geëist. Dit is allemaal opgezet door de verdachte, aldus [betrokkene 7].
De verdachte [betrokkene 3] heeft aldus op basis van valselijk opgestelde stukken en door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels, de rechtbank bewogen tot de afgifte van een vonnis, hetgeen als goed moet worden beschouwd. Advocaat [klager] heeft daarbij een essentiële rol gespeeld als advocaat.
[betrokkene 4] werd in voornoemd vonnis veroordeeld tot de betaling van ongeveer 30.000 euro schadevergoeding aan [betrokkene 5]. Partijen hebben hoger beroep ingesteld. (...)
Hierop werd tot een schikking gekomen, inhoudende dat het beslag eraf zou worden gehaald bij betaling van € 20.000,- op de derdengeldrekening van het advocatenkantoor van [klager], al dan niet met de voorwaarde van intrekking van het door [betrokkene 4] ingestelde hoger beroep tegen het civiele vonnis. Op 19 maart 2012 werd dit bedrag door het notaris kantoor waar de leveringsakte is opgemaakt overgemaakt op de derdengeldrekening van het advocatenkantoor van advocaat [klager]. (...)
Verdenking jegens advocaat [klager] - casus [betrokkene 4]:
Zoals hiervoor geschreven trad advocaat [klager] tijdens de zitting op als advocaat voor [betrokkene 5]. Advocaat [klager] gaf gedurende deze zitting niet aan dat verdachte [betrokkene 3], in plaats van zijn broer [betrokkene 5], aanwezig was in de rechtszaal. Nergens is gebleken dat de verdachte een volmacht had tot dit handelen noch dat advocaat [klager] handelde uit volmacht van [betrokkene 5] om enerzijds de dagvaarding uit te brengen en anderzijds de zitting met de verdachte af te doen. De dagvaarding jegens [betrokkene 4] was door advocaat [klager] zelf opgemaakt, namens [betrokkene 5]. Door zo te handelen heeft advocaat
[klager] in ieder geval niet artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nageleefd.
Door zo te handelen wordt advocaat [klager] tevens verdacht van het tezamen en in vereniging plegen van valsheid in geschrift (dagvaarding en ingediende conclusies), omdat de persoon die genoemd wordt op de stukken ([betrokkene 5]) zeer waarschijnlijk geen enkele rol heeft gespeeld bij het opstellen van de stukken en de opdracht tot civiele beslaglegging en het voeren van civiele procedures. Dit blijkt onder meer uit de verklaring van [betrokkene 5] die aangaf dat hij niet in de rechtszaal aanwezig was geweest bij de genoemde rechtszaak en bij de overige vragen hem gesteld over dit onderwerp zweeg.
Voorts wordt advocaat [klager] verdacht van het medeplegen van oplichting doordat de verdachte [betrokkene 3] zich ter terechtzitting voordoet als een ander en daarmee voor advocaat [klager] ook duidelijk moet zijn dat de zaak is gebaseerd op valselijk opgemaakte stukken, teneinde een waardevolle beschikking/vonnis van de rechtbank te bemachtigen.
Door zeer vermoedelijk te handelen/procederen zonder enige machtiging en uit naam van [betrokkene 5] teneinde in opdracht van de verdachte [betrokkene 3] een civiel vonnis te verkrijgen en van daaruit schikkingsonderhandelingen te beginnen met de verkopende partij [betrokkene 4] en daarbij te bedingen dat er 20.000 euro op de derdengeldrekening van zijn kantoor werd gestort. Dit, terwijl advocaat [klager] wist dat deze onderhandelingen gestart waren op basis van valse stukken en oplichting als hiervoor weergegeven. Hierdoor wordt advocaat [klager] tot slot verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan het verwerven en voorhanden krijgen van geld dat middellijk afkomstig is van enig misdrijf (witwassen).
Bij dit alles wordt benadrukt, zoals hiervoor reeds weergegeven, dat advocaat [klager] al zeer vaak voor de verdachte [betrokkene 3] als advocaat is opgetreden.
2) Casus [betrokkene 2]
(...)
Op 13 augustus 2009 werd er door [betrokkene 2] (vader) aangifte gedaan van valsheid in geschrift en bedreiging. [betrokkene 2] verklaarde dat hij de woning van zijn kort daarvoor overleden zoon [betrokkene 8], te weten de [a-straat 1] te Rotterdam, wilde verkopen voor een bedrag van 50.000 euro. Hij was vervolgens, via een advertentie in de krant in februari 2009, in contact gekomen met een Surinaams/Hindoestaanse man, welke hij een dag later ontmoette.
De Surinaams/Hindoestaanse man wilde, kort en zakelijk weergegeven, de woning kopen voor 25.000 – 30.000 euro contant; dit in verband met door de man gestelde belastingvoordelen. [betrokkene 2] gaf hierop aan dat hij niet langer verder wilde met deze verkoop. Daarop zei de Surinaams/Hindoestaanse man dat hij dan naar de rechter zou gaan. De man stelde voorts dat hij de woning al voordat [betrokkene 8] was overleden zou hebben gekocht en dat hij het bedrag al aan [betrokkene 8] had betaald.
[betrokkene 2] ging hiermee, kort gezegd, niet akkoord en is naar een andere makelaar gegaan voor de verkoop van het pand. Toen de Surinaams/Hindoestaanse man later informeerde naar de verkoop van het pand en [betrokkene 2] de Surinaams/Hindoestaanse man meedeelde dat hij het verkocht had via een andere makelaar, zei de Surinaams/Hindoestaanse man tegen hem "Nou dat zullen we dan nog wel zien, ik laat beslag op je woning leggen".
De volgende dag werd er in de woning van [betrokkene 8] een brief gevonden, afkomstig van een deurwaarder, inhoudende het beslag op de bewuste woning van de overleden zoon. Dit beslag werd gelegd namens een persoon met de naam [betrokkene 1]. De overleden [betrokkene 8] zou bij deze [betrokkene 1] een lening open hebben staan. Dit zou blijken uit een (zeer vermoedelijk valselijk opgemaakte, zie hierna) schuldbekentenis d.d. 17 juli 2007 ter waarde van 47.000 euro op briefpapier van advocatenkantoor [van klager]. Het kopie van de schuldbekentenis is, zo zegt aangever, pas na zeven maanden, tijdens een kort geding voor het eerst in de procedure gebracht.
Nader onderzoek naar de identiteit van de Surinaams/Hindoestaanse man met wie [betrokkene 2] contact had gehad, leverde op dat deze persoon zeer vermoedelijk verdachte [betrokkene 3] betreft. Die persoon zou derhalve ook hebben gezegd dat hij beslag op de woning zou leggen.
Opmerkelijk is het feit dat één dag na het dreigen met beslaglegging door (zeer vermoedelijk) verdachte [betrokkene 3], er ook daadwerkelijk beslag werd gelegd op het pand [a-straat 1] te Rotterdam. Dit beslag werd echter niet gelegd door of namens de verdachte [betrokkene 3]. Dit beslag werd gelegd in opdracht van advocatenkantoor [van klager] namens [betrokkene 1]. Dit suggereert dat advocatenkantoor [van klager] die dag contact zou hebben gehad met [betrokkene 1] betreffende beslaglegging op een pand waar ook de verdachte een relatie mee heeft. Het is echter aannemelijker dat advocatenkantoor [van klager] beslag liet leggen in opdracht van verdachte op naam van [betrokkene 1]. Dit komt tevens naar voren in de hierna te noemen feiten en omstandigheden betreffende [betrokkene 1].
In de civiele stukken betreffende de dagvaarding ter voldoening van de schuldbekentenis door de erven van [betrokkene 8] kwam nimmer een handtekening van [betrokkene 8] naar voren. Pas tijdens een kort geding in augustus 2009 is er een fax verstuurd vanuit het kantoor van advocaat [klager] inhoudende de tweede pagina van de schuldbekentenis, met daarop een handtekening die de overleden [betrokkene 8] zou hebben gezet. Aangever stelt dat deze handtekening precies gelijk is aan de handtekening die zijn zoon heeft gezet op zijn verlopen paspoort. Dat paspoort was reeds verlopen ten tijde van het tekenen van de (vermeende) schuldbekentenis. Het paspoort is wel gebruikt bij de aankoop van de woning toen de zoon nog in leven was.
(...)
In het vonnis wordt opgemerkt dat:
"4.5 Ter comparitie heeft advocaat [klager] een origineel exemplaar van de schuldbekentenis getoond. Daarbij heeft advocaat [klager], nadat tijdens een korte schorsing van de zitting telefonisch contact is opgenomen met [betrokkene 1] die op dat moment in Irak zou zijn vanwege zaken voor zijn oliebedrijf, verklaard dat de schuldbekentenis destijds in drievoud is opgemaakt. Het getoonde exemplaar is in het bezit van [betrokkene 1] terwijl de twee andere originelen volgens [betrokkene 1] in bezit waren van [betrokkene 9] en [betrokkene 8]. Ten aanzien van de handtekening van het ter comparitie getoonde origineel van de schuldbekentenis heeft de rechtbank ter zitting geconstateerd dat deze op een aantal punten verschilt van de handtekening op de kopie van de schuldbekentenis zoals die is overgelegd als productie 7 bij conclusie van antwoord."
(...)
De vordering van (vermeende) [betrokkene 1] werd afgewezen.
(...)
Verdenking jegens advocaat [klager] – casus [betrokkene 2]:
Gelet op al het vorenstaande bestaat het redelijk vermoeden dat [betrokkene 1] zeer waarschijnlijk geen enkele rol heeft gespeeld bij het opstellen van de schuldbekentenis noch met de opdracht tot civiele beslaglegging en het voeren van civiele procedures. Het is zeer aannemelijk dat advocaat [klager] nimmer telefonisch contact heeft gehad met deze [betrokkene 1] over voormelde kwestie. Dit blijkt met name uit de chronologie met betrekking tot de dreiging met beslag door de verdachte [betrokkene 3] als ook uit het telefoongesprek gevoerd door de dochter van de verdachte.
Gelet op het vorenstaande bestaat de redelijke verdenking dat advocaat [klager] ter terechtzitting niet artikel 21 van het Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering heeft nageleefd, onder meer door zich voor te doen als gemachtigde voor [betrokkene 1].
Advocaat [klager] heeft bovendien het (zeer vermoedelijk) (ver)vals(t)e exemplaar van de schuldbekentenis tijdens de zitting gebruikt als ook andere civiele stukken uit naam van [betrokkene 1] opgesteld. Door zo te handelen bestaat de verdenking dat [klager] zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van valsheid in geschrifte.
Hiermee heeft advocaat [klager] zich tevens schuldig gemaakt aan poging tot oplichting aangezien hij door zo te handelen heeft getracht een waardevol civiel vonnis/rechterlijke beschikking te bemachtigen door voormelde feiten en omstandigheden anders dan de waarheid te presenteren.
Overeenkomsten casus 1 en casus 2
De zaak [betrokkene 4] en de zaak [betrokkene 2] hebben qua feiten en omstandigheden alsmede de handelwijze van advocaat [klager] zeer veel overeenkomsten. Daarbij komt dat zich naast deze twee zaken ook nog twee andere zaken hebben voorgedaan met vergelijkbare feiten en omstandigheden."
3.5.
De Rechtbank heeft op grond van de onderliggende stukken in de strafdossiers, waarbij de Rechtbank kennelijk in het bijzonder het oog heeft op het in 3.4 vermelde proces-verbaal, geoordeeld dat "ten aanzien van de zaken [betrokkene 1]-[betrokkene 2] en [betrokkene 3]-[betrokkene 4] gesproken kan worden van een redelijk vermoeden van schuld dat klager zich heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, te weten oplichting van een rechtbank en valsheid in geschrift". Uit dat proces-verbaal, dat is gehecht aan de door de Officier van Justitie gedane vordering doorzoeking ter inbeslagneming, blijkt dat de feiten en omstandigheden waarop die verdenking is gebaseerd inhouden dat de klager als advocaat dagvaardingen voor civiele procedures valselijk heeft opgemaakt en in een civiele procedure opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse schuldbekentenis. Gelet daarop is het oordeel van de Rechtbank dat de verdenking jegens de klager niet samenhangt met de kern van de werkzaamheden van een advocaat en dat die verdenking niet het vertrouwen aantast dat in de samenleving in een advocaat bij zijn optreden in gerechtelijke procedures moet kunnen worden gesteld, niet begrijpelijk. Nu de Rechtbank mede op grond daarvan tot het oordeel is gekomen dat niet gesproken kan worden van zeer uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat het verschoningsrecht van de klager mag worden doorbroken, is dit oordeel niet toereikend gemotiveerd.
3.6.
Het middel is terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking;
wijst de zaak terug naar de Rechtbank Den Haag, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2014.
Conclusie 01‑04‑2014
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag. Verschoningsrecht advocaat. Gelet op de onderliggende stukken van het strafdossier waarop de Rb haar oordeel heeft gegrond, is haar oordeel dat de verdenking jegens klager (valselijk opmaken van dagvaardingen voor civiele procedures en in een civiele procedure gebruik maken van een valse bekentenis) niet samenhangt met de kern van de werkzaamheden van een advocaat en dat die verdenking niet het vertrouwen aantast dat in de samenleving in een advocaat bij zijn optreden in gerechtelijke procedures moet kunnen worden gesteld, niet begrijpelijk. Het oordeel van de Rb dat niet gesproken kan worden van zeer uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat het verschoningsrecht van klager mag worden doorbroken is niet toereikend gemotiveerd.
Nr. 12/05627 B Zitting: 1 april 2014 | Mr. Knigge Conclusie inzake: [klager] |
1. De Rechtbank te ’s-Gravenhage heeft bij beschikking van 27 november 2012 het door klager ingediende klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave gelast aan klager van inbeslaggenomen dossiers.
2. Tegen deze beschikking is door de officier van justitie cassatieberoep ingesteld.
3. De plaatsvervangend officier van justitie heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens klager is door mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, het cassatieberoep tegengesproken.
4. Het eerste middel
4.1.
Het middel keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de inbeslaggenomen dossiers geen corpora vormen.
4.2.
De Rechtbank heeft het volgende overwogen:
“Is er sprake van een uitzondering op artikel 98 Sv?
De rechtbank stelt voorop vast dat klager geen toestemming heeft gegeven tot inbeslagname, terwijl voorts evident is dat de inbeslaggenomen dossiers vallen onder klagers geheimhoudingsplicht.
Voor de beoordeling van het beklag is vervolgens het volgende van belang. Met het oog op de onderliggende stukken in de strafdossiers, kan de rechtbank zich verenigen met het oordeel van de rechter-commissaris dat ten aanzien van de zaken [betrokkene 1]-[betrokkene 2] en [betrokkene 3]-[betrokkene 4] gesproken kan worden van een redelijk vermoeden van schuld dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, te weten oplichting van een rechtbank en valsheid in geschrift. De enkele omstandigheid dat klager als verdachte van enig strafbaar feit kan worden aangemerkt, is als gesteld niet toereikend om zijn plicht tot geheimhouding te mogen doorbreken. Daarvoor is vereist dat, zoals eveneens uit de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad volgt, het in beslag genomen een zogenoemd corpus behelst of dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de geheimhoudingsplicht kunnen doorbreken.
Corpora?
De rechtbank moet zich daarom eerst buigen over de vraag of enige van de in beslag genomen stukken in het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] en de zaak [betrokkene 1]/[betrokkene 2] als corpora kunnen worden aangemerkt.
Klager heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat het geheel aan de inbeslaggenomen geen voorwerp van enig strafbaar feit uitmaken, noch tot het begaan daarvan hebben gediend.
De rechter-commissaris heeft zich hierover niet uitgelaten.
De rechtbank stelt voorop dat het standpunt van klager in beginsel moet worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. De rechtbank is, alles bijeen genomen, van oordeel dat zij noch op grond van het strafdossier, noch uit het verhandelde ter zitting in raadkamer redelijkerwijze geen twijfel erover heeft dat dat standpunt van klager op dit punt onjuist is. Bij deze beoordeling betrekt de rechtbank mede de verklaring van de waarnemend deken. Zij is na kennisname van de inhoud van de dossiers tot de conclusie gekomen dat deze dossiers ten aanzien van klager geen corpora vormen, waarbij de rechtbank opmerkt, dat uit het strafdossier naar voren is gekomen dat de dossiervorming van de dossiers [betrokkene 1]/[betrokkene 2] niet alleen door klager maar ook door een voormalig kantoorgenoot van klager tot stand is gekomen.
Ten aanzien van de dossiers [betrokkene 3]/[betrokkene 4] is gesteld noch gebleken dat deze als corpora zouden kunnen worden aangemerkt.
De vraag naar het mogelijke bestaan van corpora ten aanzien van de inbeslaggenomen dossiers beantwoordt de rechtbank dan ook ontkennend.”
4.3.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de Rechtbank een te strenge maatstaf heeft gehanteerd nu zij heeft overwogen dat de dossiers ten aanzien van klager geen corpora vormen. Ook stukken die een voorwerp zijn van een door een ander gepleegd strafbaar feit kunnen als corpora worden aangemerkt.
4.4.
Het middel berust mijn inziens op een onjuiste lezing van de beschikking. Naar uit de (toegewezen) Vordering doorzoeking ter inbeslagneming en uit het Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming (Proces-verbaalnummer 2011.069833) volgt, gaat het in deze zaak enkel om een verdenking van door klager gepleegde feiten, te weten het medeplegen van valsheid in geschrift, witwassen en het medeplegen van (poging tot) oplichting. Voorts wordt klager verweten dat hij art. 21 Rv niet heeft nageleefd. De Rechtbank heeft met haar overweging kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de inbeslaggenomen dossiers geen corpora vormen van de strafbare feiten waarop de – jegens klager bestaande – verdenking betrekking heeft. Dat ook anderen dan klager bij de dossiervorming betrokken zijn geweest, kan dan wel degelijk gezien worden als een aanwijzing dat niet het hele dossier het voorwerp van de vermoedelijk gepleegde strafbare feiten vormt.
4.5.
Het middel faalt.
5. Het tweede middel
5.1.
Het middel keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat in casu geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van klager mag worden doorbroken.
5.2.
In de bestreden beschikking heeft de Rechtbank voor de beoordeling van het beklag onder meer het volgende van belang geoordeeld:
“Met het oog op de onderliggende stukken in de strafdossiers, kan de rechtbank zich verenigen met het oordeel van de rechter-commissaris dat ten aanzien van de zaken [betrokkene 1]-[betrokkene 2] en [betrokkene 3]-[betrokkene 4] gesproken kan worden van een redelijk vermoeden van schuld dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, te weten oplichting van een rechtbank en valsheid in geschrift.”
De beschikking houdt voorts het volgende in:
“Zeer uitzonderlijke omstandigheden?
De vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt laat zich niet in algemene termen beantwoorden. Het gaat daarbij wel steeds om de afweging van het belang van het verschoningsrecht tegen het belang dat de waarheid aan het licht komt. De Hoge Raad heeft enkele meer algemene factoren genoemd die voor de beoordeling van de uitzonderlijkheid van de omstandigheden een rol (kunnen) spelen:
• de vraag of het gaat om een tegen een verschoningsgerechtigde bestaande verdenking;
• de aard en zwaarte van de delicten waarvan een verschoningsgerechtigde wordt verdacht (zie bijv. HR NJ 2002, 438, m.nt. Buruma, LJN AD9162);
• de aard en de omvang van de gegevens waarop de inbeslagneming rust, en de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen (zie bijv, HRNJ 2006, 622, m.nt. J. Boer, LJN AV2386).
Ten aanzien van het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] betreft de verdenking in het bijzonder de vraag of [betrokkene 3] zich gedurende de behandeling van een civiele zaak bij de rechtbank te Assen ten onrechte heeft voorgedaan als zijn broer, [betrokkene 5], én of klager als zijn behandelend advocaat op die zitting daarvan op de hoogte was maar zich daarover niet ter zitting heeft uitgelaten ten opzichte van de behandelend rechter. Naar het oordeel van de rechtbank had het openbaar ministerie de mogelijkheid om ander én minder ingrijpend onderzoek te doen teneinde de waarheid op dit specifieke punt aan het licht te brengen, is van die mogelijkheid gebruik gemaakt - zo is
onder meer de comparitierechter gehoord - en bestaat zij nog steeds. Ook desgevraagd, en dat geldt voor het gehele beslag, heeft de officier van justitie niet medegedeeld welke informatie hij in de dossiers zoekt, die niet op andere wijze verkregen zou kunnen worden. Dat is eens temeer van belang nu het feiten betreft die zich in de openbaarheid zouden hebben afgespeeld. Van zeer uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot het doorbreken van de geheimhoudingsplicht is aldus - wat er verder ook zij van de juistheid van het standpunt van de waarnemend deken dat (kort gezegd) het handelen van klager niet tuchtrechtelijk laakbaar zou zijn - naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van bedoeld dossier thans nog geen sprake.
Voorts acht de rechtbank in het bijzonder de aard, ernst en omvang van de verdenking zowel ten aanzien van klager in de zaak [betrokkene 3]/[betrokkene 4] als ten aanzien van klager in de zaak [betrokkene 1]/[betrokkene 2],- wat er nadrukkelijk verder straf- en tuchtrechtelijk ook zij van de verdenking - niet voldoende zwaarwegend dat deze, beoordeeld naar de toets van de zeer uitzonderlijke omstandigheden, zonder meer een doorbreking van het verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen. De verdenking betreft relatief beperkte feiten in aard, tijd en omvang, terwijl bijvoorbeeld voorts een crimineel samenwerkingsverband van klager met andere verdachten niet door de officier van justitie wordt verondersteld. De vordering van de officier van justitie en het oordeel van de rechter-commissaris houden in dat de verdenking zodanig samenhangt met de kern van de werkzaamheden van klager en een ontwrichtende werking hebben op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van een advocaat moet kunnen worden gesteld in de samenleving in het algemeen en in civiele zaken met verplichte procesvertegenwoordiging in het bijzonder, dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake is. Die redenering, die klaarblijkelijk is ontleend aan een arrest van de Hoge Raad in een zaak waarin de Hoge Raad op deze grond een doorbreking van het verschoningsrecht van een notaris sauveerde, volgt de rechtbank niet. Een vergelijking met de kerntaak van een notaris kan reeds geen stand houden nu het onafhankelijke ambt van notaris in de kern mede een maatschappelijk zwaarwegende functie behelst die voorschrijft dat een notaris de authenticiteit van bepaalde stukken verifieert en bevestigt, zodat daarop in het maatschappelijk verkeer kan en mag worden vertrouwd. Dit is een wezenlijk andere kerntaak dan die van een advocaat, van wie het ook in civiele zaken niet tot de beroepsuitoefening behoort dat hij van alle stukken die cliënten hem aandragen de authenticiteit verifieert maar van wie vooreerst - als partij – wordt verlangd het persoonlijke en zakelijke belang van zijn cliënt(en) te verdedigen. Het in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde maakt dit niet anders. De rechtbank komt dan ook op grond van het vorenoverwogene ten aanzien van beide inbeslaggenomen zaaksdossiers tot de slotsom dat in casu niet, althans niet zonder meer, gesproken kan worden van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van klager mag worden doorbroken.”
5.3.
Het gaat in de onderhavige zaak om dossiers die in beslag zijn genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar klager. De verdenking jegens klager heeft betrekking op twee feitencomplexen. Het eerste betreft de zaak [betrokkene 3]/[betrokkene 4] en de tweede de zaak [betrokkene 1]/[betrokkene 2].
5.4.
In de zaak [betrokkene 3]/[betrokkene 4] wordt klager ervan verdacht dat hij uit naam van [betrokkene 5] een civiele procedure tegen [betrokkene 4] heeft aangespannen, terwijl in werkelijkheid [betrokkene 3] achter de procedure zat en voorts dat klager, die tijdens de behandeling van de civiele procedure optrad als de raadsman van [betrokkene 3], heeft verzuimd de Rechtbank te informeren dat niet [betrokkene 5], maar [betrokkene 3] als eiser ter zitting aanwezig was. Voorts zou verdachte valsheid in geschrifte hebben gepleegd door een dagvaarding en conclusies uit te brengen op naam van [betrokkene 5], dit terwijl deze persoon zeer waarschijnlijk geen enkele rol heeft gespeeld bij het opstellen van de stukken en het voeren van de civiele procedure. De Rechtbank overweegt ten aanzien van dit dossier dat zij van oordeel is dat het openbaar ministerie de mogelijkheid had om ander én minder ingrijpend onderzoek te doen om de waarheid op dit specifieke punt aan het licht te brengen, dat van die mogelijkheid gebruik is gemaakt (zo is onder meer de comparitierechter gehoord) en dat die mogelijkheid nog steeds bestaat. Voorts stelt de Rechtbank dat de officier van justitie ook desgevraagd, en dat geldt voor beide dossiers, niet heeft medegedeeld welke informatie hij in de dossiers zoekt die niet op andere wijze verkregen zou kunnen worden. Dit is te meer van belang nu de verdenking feiten betreft die zich in de openbaarheid zouden hebben afgespeeld. De Rechtbank is dan ook van oordeel dat er ten aanzien van het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot het doorbreken van de geheimhoudingsplicht.
5.5.
Ten aanzien van het dossier [betrokkene 1]/[betrokkene 2] wordt klager ervan verdacht dat hij uit naam van [betrokkene 1] een civiele procedure heeft gevoerd tegen [betrokkene 2], dit terwijl de procedure in werkelijkheid door [betrokkene 3] was aangespannen, en voorts dat hij in de civiele procedure gebruik heeft gemaakt van een (ver)vals(t)e schuldbekentenis, opgemaakt op het briefpapier van advocatenkantoor [van klager] (het kantoor van klager).1.In de civiele procedure werd gesteld dat [betrokkene 8] voor zijn overlijden zijn huis had verkocht aan [betrokkene 1]. Dit zou volgen uit een schuldbekentenis die [betrokkene 8] zou hebben ondertekend. De ondertekende versie van de schuldbekentenis kwam voor het eerst tijdens het kort geding boven water. In augustus 2009 werd vanuit het kantoor van klager een fax verstuurd inhoudende de tweede pagina van de schuldbekentenis, met daarop de handtekening van [betrokkene 8]. Bij doorzoeking van de woning van medeverdachte [betrokkene 3] in januari 2012 werd een kopie van het paspoort met daarop een identieke handtekening van [betrokkene 8] aangetroffen. Deze kopie van het paspoort ontbrak in het dossier van de makelaar van [betrokkene 8]. De vordering van (vermeende) [betrokkene 1] werd overigens afgewezen.
5.6.
In het middel wordt onder punt 7 aangevoerd dat het oordeel van de Rechtbank ten aanzien van het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] dat het openbaar ministerie ander en minder ingrijpend onderzoek kon en kan doen om de waarheid aan het licht te brengen, ontoereikend is gemotiveerd.
5.7.
Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer heeft de officier van justitie aldaar ten aanzien van het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] aangevoerd dat klager destijds tijdens de behandeling van de zaak ter zitting niet heeft aangegeven dat [betrokkene 3] aanwezig was in plaats van zijn broer [betrokkene 5], dat niet is gebleken dat [betrokkene 3] een volmacht had tot dit handelen, noch dat klager handelde uit volmacht van [betrokkene 5] om de door klager opgestelde dagvaarding uit te brengen en de zitting met [betrokkene 3] af te doen. Voorts is door de officier van justitie aangevoerd dat het niet mogelijk is om op een minder ingrijpende wijze inzicht te krijgen in de kwestie dan door doorbreking van het verschoningsrecht. In het Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming wordt vermeld dat het doel van de doorzoeking was om na te gaan of verdachte contacten met [betrokkene 5] en/of [betrokkene 1] heeft gehad en of in de dossiers mogelijk toch machtigingen aanwezig waren op basis waarvan zou kunnen worden geconstateerd dat klager wel degelijk voor hen procedeerde. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt, anders dan de Rechtbank stelt, niet dat aan de officier van justitie is gevraagd welke informatie hij in de dossiers zoekt die niet op andere wijze verkregen zou kunnen worden.
5.8.
Uit het voorgaande volgt dat het openbaar ministerie bevestiging zocht van het vermoeden dat sprake was van een schijnprocedure waaraan de verdachte opzettelijk zijn medewerking had verleend en in het bijzonder wilde uitsluiten dat in het dossier een volmacht aanwezig was waaruit zou kunnen worden afgeleid dat klager in de zaak [betrokkene 3]/[betrokkene 4] voor [betrokkene 5] optrad. Uit het proces-verbaal van de zitting in raadkamer volgt dat de deken van de Haagse Orde van Advocaten heeft verklaard dat in het dossier een machtiging is aangetroffen die inhoudt dat de [betrokkene 5] [betrokkene 3] machtigt om “al zijn zakelijke bemoeienis te voeren”. Niet blijkt dat deze machtiging aan het openbaar ministerie is overgelegd, terwijl daarmee bovendien niet is gezegd dat dit het enige stuk in het dossier is dat licht zou kunnen werpen op de vraag of sprake was van de opzettelijke medewerking aan een schijnprocedure. Voorts kan uit het proces-verbaal van de zitting, noch uit andere stukken, worden afgeleid dat de officier desgevraagd niet in staat is geweest aan te geven welke informatie hij in het dossier zoekt die niet op andere wijze verkregen kan worden. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is daarom niet begrijpelijk welk ander minder ingrijpend onderzoek het openbaar ministerie zou kunnen verrichten om te achterhalen of de procedure inderdaad, zoals wordt vermoed, niet was ingesteld om de zakelijke belangen van [betrokkene 5] te behartigen. Ik merk daarbij op dat het horen van [betrokkene 5] een optie is die al was beproefd. Uit een zich bij de stukken van het geding bevindende brief van de officier van justitie aan de rechter-commissaris van 17 oktober 2012 blijkt dat [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij zijn broer [betrokkene 3] heeft gemachtigd en dat hij zich voor het overige op zijn zwijgrecht heeft beroepen.2.
5.9.
De klacht is derhalve gegrond. Dat kan pas tot cassatie leiden als ook de andere grond waarop de beslissing van de Rechtbank met betrekking tot het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] in cassatie geen stand houdt. Die grond, waarop ook de beslissing met betrekking tot het dossier [betrokkene 1]/[betrokkene 2] steunt, wordt in het cassatiemiddel eveneens aangevochten. Aangevoerd wordt dat het oordeel van de Rechtbank dat in casu geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden ontoereikend is gemotiveerd.
5.10.
Bij de beoordeling van deze klacht moet het volgende worden vooropgesteld. Het verschoningsrecht van de advocaat is in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de advocaat als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dit brengt mee dat, waar doorzoeking ter inbeslagneming bij een advocaat zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de doorzoeking ter inbeslagneming een verdere strekking heeft en is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. De enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt, is in ieder geval niet toereikend maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de advocaat geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd, moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van de strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de advocaat dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de advocaat wordt verdacht, onevenredig worden getroffen.3.
5.11.
Ik merk voorts het volgende op. De Rechtbank heeft ten aanzien van beide dossiers ([betrokkene 3]/[betrokkene 4] en [betrokkene 1]/[betrokkene 2]) geoordeeld dat gesproken kan worden van een redelijk vermoeden van schuld dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, te weten oplichting van een rechtbank en valsheid in geschrift. Dat oordeel wordt begrijpelijk genoeg door de steller van het middel niet aangevochten, zodat in cassatie van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan. Ik laat daarom de vraag rusten of het voeren van een schijnprocedure – die ertoe leidt dat de desbetreffende rechtbank een toewijzend vonnis of dito beschikking “afgeeft” ten name van een gefingeerde procespartij – als oplichting van de rechtbank kan worden aangemerkt, evenals de vraag of een dagvaarding in een civiele procedure kan worden aangemerkt als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. Dat het overleggen van valse bewijsstukken valsheid in geschrift kan opleveren, is intussen evident. Ik merk voorts op dat de Rechtbank niet heeft geoordeeld dat de niet-naleving van art. 21 Rv als zodanig een strafbaar feit oplevert, noch dat de enkele niet-naleving van die bepaling oplichting van de rechtbank oplevert. De betekenis die aan art. 21 Rv toekomt, is wel dat het buiten twijfel stelt dat een rechtvaardiging voor het vermoedelijk gepleegde bedrog niet kan worden gevonden in de taak van de raadsman om de belangen van zijn cliënt te behartigen.
5.12.
De Rechtbank heeft overwogen dat zij de aard, ernst en omvang van de verdenking ten aanzien van klager in de zaken [betrokkene 3]/[betrokkene 4] en [betrokkene 1]/[betrokkene 2] niet voldoende zwaarwegend acht dat deze, beoordeeld naar de toets van de zeer uitzonderlijke omstandigheden, zonder meer een doorbreking van het verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen. De verdenking betreft naar het oordeel van de Rechtbank relatief beperkte feiten in aard, tijd en omvang, terwijl bijvoorbeeld voorts een crimineel samenwerkingsverband van klager met andere verdachten niet door de officier van justitie wordt verondersteld. Voorts stelt de Rechtbank dat zij de redenering van de officier van justitie niet volgt dat de verdenking zodanig samenhangt met de kern van de werkzaamheden van klager en een ontwrichtende werking hebben op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van een advocaat moet kunnen worden gesteld in de samenleving in het algemeen en in civiele zaken met verplichte procesvertegenwoordiging in het bijzonder, dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake is. De Rechtbank overweegt daarbij dat een vergelijking met de kerntaak van een notaris niet opgaat nu het onafhankelijk ambt van notaris in de kern mede een maatschappelijk zwaarwegende functie behelst die voorschrijft dat een notaris de authenticiteit van bepaalde stukken verifieert en bevestigt, zodat daarop in het maatschappelijk verkeer kan en mag worden vertrouwd. Dit is een wezenlijk andere kerntaak dan die van een advocaat, van wie het ook in civiele zaken niet tot de beroepsuitoefening behoort dat hij van alle stukken die cliënten hem aandragen de authenticiteit verifieert, maar van wie vooreerst – als partij – wordt verlangd het persoonlijke en zakelijke belang van zijn cliënt te verdedigen, aldus de Rechtbank.
5.13.
Met de Rechtbank kan worden ingestemd dat de positie van notaris en advocaat verschillen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat het opzettelijk gebruik maken van valse bewijsstukken in een procedure door een advocaat niet ook zo ernstig is, dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden gesproken. De Rechtbank stelt dat het niet aan de advocaat is om de authenticiteit vast te stellen van de stukken die hem door zijn cliënt worden aangereikt. Dat moge zo zijn, maar het verwijt dat de klager wordt gemaakt, is niet dat hij de authenticiteit van de ingebrachte schuldbekentenis niet of onvoldoende heeft geverifieerd, maar dat hij opzettelijk – dus wetende dat die schuldbekentenis vals is – van dat bewijsstuk gebruik heeft gemaakt. Daar komt nog bij dat klager niet alleen wordt verdacht van het gebruik van valse bescheiden. Uit de vordering doorzoeking ter inbeslagneming volgt dat klager tevens wordt verdacht van het medeplegen van het valselijk opmaken dan wel het vervalsen van het bedoelde bewijsstuk. Bovendien wordt klager verdacht van het valselijk opmaken van civiele dagvaardingen alsook van het medeplegen van (poging tot) oplichting van twee rechtbanken. Het gaat dus telkens om vermoedelijke strafbare feiten die werden gepleegd in het kader van civiele procedures waarin de klager in zijn hoedanigheid van advocaat optrad. Die strafbare feiten hingen dus ten nauwste samen met de kern van de werkzaamheden van een advocaat. Ook meen ik dat die strafbare feiten wel degelijk het vertrouwen aantasten dat in de samenleving in een advocaat moet kunnen worden gesteld. Dat, zoals de rechtbank overweegt, van een advocaat “vooreerst” wordt verlangd dat hij het persoonlijk en zakelijk belang van zijn cliënt verdedigt, moge zo zijn, maar daarmee is niet gezegd dat aan het overtreden van de strafwet minder zwaar moet worden getild. Ik zou menen dat het tegendeel het geval is. Het toekennen van een verschoningsrecht aan advocaten is maatschappelijk gezien verantwoord te achten indien en zo lang op een integere beroepsuitoefening vertrouwd kan worden en er dus niet voor gevreesd hoeft te worden dat advocaten hun beroepsgeheim misbruiken als dekmantel voor het plegen van strafbare feiten. Dat de onderhavige verdenkingen niet zouden vreten aan het vertrouwen waaraan het verschoningsrecht mede zijn bestaan dankt, vermag ik dan ook niet in te zien.4.Het middel klaagt terecht over de onbegrijpelijkheid van dit oordeel.
5.14.
In de toelichting op het middel wordt ook nog gesteld dat verdachte “gemene zaak” heeft gemaakt met zijn cliënt en dat het oordeel van de Rechtbank mede daarom onbegrijpelijk is. Kennelijk keert de steller van het middel zich hiermee tegen de overweging van de Rechtbank dat door de officier van justitie een crimineel samenwerkingsverband met andere verdachten niet wordt verondersteld. Voor zover de Rechtbank daarmee heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat klager niet wordt verdacht van deelneming aan een criminele organisatie, heeft zij weliswaar het gelijk aan haar zijde, maar laadt zij tegelijk de verdenking op zich uit te zijn gegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Onder “het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten”, waarvan de Hoge Raad in zijn jurisprudentie spreekt, hoeft niet enkel te worden verstaan het met die cliënten vormen van een criminele organisatie. Ook andere vormen van criminele samenwerking met een of meer cliënten kunnen maken dat sprake is van ernstige strafbare feiten. Voor zover de Rechtbank dat niet heeft miskend, is haar overweging in het licht van de stukken van het geding niet begrijpelijk. Uit voornoemd proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming volgt dat klager wordt verdacht van het medeplegen van valsheid in geschrifte en het medeplegen van oplichting. Klager zou ten aanzien van beide dossiers tezamen en in vereniging met [betrokkene 3] hebben gehandeld door telkens op naam van anderen, maar in feite in opdracht van en ten behoeve van [betrokkene 3], civiele procedures te voeren. Gelet op deze jegens klager gerezen verdenking, valt de overweging van de Rechtbank dat de officier van justitie geen crimineel samenwerkingsverband veronderstelt niet goed te begrijpen.
5.15.
Het middel slaagt.
6. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑04‑2014
Zie tevens proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming p. 9 waaruit volgt dat [betrokkene 5] heeft verklaard niet in de rechtszaal aanwezig te zijn geweest en dat hij bij de overige vragen over dit onderwerp heeft gezwegen.
HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740, NJ 2014/93.
Vgl. HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4418, NJ 2005/353, waarin klager (advocaat) werd verdacht van overtreding van art. 420bis en/of 420ter Sr en/of overtreding van art. 225 en/of 226 Sr.
Beroepschrift 17‑01‑2014
CASSATIESCHRIFTUUR
Kenmerk: RK 12/2958, parketnummer 09/754084-12
Zaaknummer HR: S 12/05627 B
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen de beschikking van de meervoudige raadkamer van Rechtbank te 's‑Gravenhage van 27 november 2012, waarbij de Rechtbank in de zaak tegen de klager:
[klager],
geboren op [geboortedatum] 1944 te [geboorteplaats]
wonende te [woonplaats] ([postcode]), [adres],
voor deze zaak woonplaats kiezende te Amsterdam,
Keizersgracht 332 (1016 EZ), ten kantore van advocaat mr. E.A.M. Mannheims
het klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave heeft gelast van een vijftal inbeslaggenomen dossiers.
Rekwirant kan zich met deze beschikking en de motivering daarvan niet verenigen.
Inleidende opmerkingen
Naast het concrete belang in deze beklagzaak (het aan het licht kunnen brengen van de waarheid omtrent een ernstige verdenking), is het belang van het onderhavige cassatieberoep tevens gelegen in het verkrijgen van (meer) duidelijkheid met betrekking tot de vraag in welke gevallen nu sprake is van de ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ die een doorbreking van het advocaten-privilege rechtvaardigen. Meer bepaald gaat het dan om de vraag wat precies dient te worden verstaan onder ‘de verdenking van een ernstig strafbaar feit’.1.
De Hoge Raad overweegt sinds HR 30 november 1999, NJ 2002/438 steevast dat de enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt niet toereikend is, maar indien deze de verdenking op zich heeft geladen zich schuldig te hebben gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Als voorbeeld noemt de Hoge Raad het vormen van een crimineel samenwerkingsverband met bepaalde cliënten. In de onderhavige zaak wordt klager (een advocaat) weliswaar niet (direct) verdacht van het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van cliënten, maar wel dat hij zijn cliënten helpt bij het oplichten van rechtbanken door te procederen voor personen die dat niet willen en aldus de rechtbank te misleiden.
In zijn noot onder NJ 2002/438 schrijft Buruma dat in een tweetal situaties zou kunnen worden gesproken van een ‘ernstig strafbaar’ als door de Hoge Raad bedoeld. Zowel het verrichten van advieswerk voor een criminele organisatie, als het misbruik maken van zijn positie als advocaat bij een ernstig strafbaar feit zouden daaronder moeten vallen. Buruma schrijft:
‘In dit geval werd de advocaat echter verdacht van een crimineel samenwerkingsverband met bepaalde cliënten (r.o. 5.2.3). Hij werd ervan verdacht betrokken te zijn bij ernstige misdrijven door betrokken te zijn bij een grootschalige fraude waarbij hij misbruik heeft gemaakt van zijn bijzondere positie als advocaat onder meer door het storten van geld op de kantoorrekening van een (keurige) collega-maatschap, (r.o. 5.3 en 3.1.iv). Ik ben geneigd beide omstandigheden niet te koppelen. De doorbreking van het advocaten-privilege dient m.i. zowel mogelijk te zijn in het geval van de advocaat die juridisch advieswerk doet ter ondersteuning van een criminele organisatie (maar geen procespraktijk heeft ten behoeve van die organisatie en ook geen kantoorrekeningen voor financiële dienstverlening gebruikt), als in dat van de advocaat die misbruik maakt van zijn positie als advocaat in het kader van betrokkenheid bij een ernstig misdrijf (maar waarbij geen sprake is van een criminele organisatie).’2.
Rekwirant is van mening dat in deze zaak klager wordt verdacht van een ernstig strafbaar feit en dat mitsdien sprake is van de vereiste zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van het advocaten-privilege rechtvaardigen.
Een en ander zal hieronder in het tweede middel van cassatie en de toelichting daarop nader worden toegelicht.
Eerste middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, aangezien de Rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat zonder toestemming van de geheimhouder — in casu van een advocaat die tevens klager is — slechts die brieven of geschriften inbeslaggenomen mogen worden die voorwerp uitmaken van het door klager gepleegde strafbare feit of tot het begaan van een door klager begaan strafbaar feit hebben gediend, aangezien een dergelijke beperking niet valt te lezen in de jurisprudentie van Uw Raad.
Toelichting
1.
De Rechtbank heeft ten aanzien van de vraag of enige van de inbeslaggenomen stukken in het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] en de zaak [betrokkene 1]/[betrokkene 2] als corpora delicti kunnen worden aangemerkt overwogen:
‘Klager heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat het geheel aan de inbeslaggenomen stukken geen voorwerp van enig strafbare feit uitmaken, noch tot het begaan daarvan hebben gediend.
(…)
De rechtbank stelt voorop dat het standpunt van klager in beginsel moet worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. De rechtbank is, alles bijeen genomen, van oordeel dat zij noch op grond van het strafdossier noch uit het verhandelde ter zitting in raadkamer redelijkerwijze geen twijfel erover heeft dat dat standpunt van klager onjuist is. Bij deze beoordeling betrekt de rechtbank mede de verklaring van de waarnemend deken. Zij is na kennisname van de inhoud van de dossiers tot de conclusie gekomen dat deze dossiers ten aanzien van klager geen corpora vormen, waarbij de rechtbank opmerkt, dat uit het strafdossier naar voren is gekomen dat de dossiervorming van de dossiers [betrokkene 1]/[betrokkene 2] niet alleen door klager maar ook door een voormalig kantoorgenoot van klager tot stand is gekomen.
Ten aanzien van de dossiers [ betrokkene 3]/[ betrokkene 4] is gesteld noch gebleken dat deze als corpora zouden kunnen worden aangemerkt.
De vraag naar het mogelijke bestaan van corpora ten aanzien van de inbeslaggenomen dossiers beantwoordt de rechtbank dan ook ontkennend.’
Gelet op het geheel van overwegingen van de Rechtbank gaat rekwirant er vanuit dat waar de Rechtbank overweegt dat zij van oordeel is ‘dat zij noch op grond van het strafdossier noch uit het verhandelde ter zitting in raadkamer redelijkerwijze geen twijfel erover heeft dat dat standpunt van klager onjuist is’ heeft bedoeld aan te geven dat zij van oordeel is dat de situatie dat er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van klager onjuist is, zich in casu niet voordoet.
2.
Ingevolge art. 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (HR 10 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740).
3.
Door in haar hiervoor onder 2. weergegeven overwegingen de woorden ‘ten aanzien van klager’ te cursiveren, heeft de Rechtbank expliciet tot uitdrukking gebracht dat zonder toestemming van de geheimhouder — in casu van een advocaat die tevens de klager is — slechts die brieven of geschriften inbeslaggenomen mogen worden die voorwerp uitmaken van het door de klager gepleegde strafbare feit of tot het begaan van een door klager begaan strafbaar feit hebben gediend. Dat de Rechtbank deze opvatting huldigt volgt ook uit haar overweging dat de dossiervorming niet alleen door klager maar ook door een voormalig kantoorgenoot van klager tot stand is gekomen.
Als een door een cliënt van een advocaat valselijk opgemaakt geschrift zich in het onder die advocaat berustend dossier bevindt, kan dat geschrift ook zonder toestemming van de advocaat inbeslaggenomen worden als zijnde een geschrift dat voorwerp van het strafbare feit uitmaakt. Dit geldt ook ingeval de advocaat niet zelf verdacht wordt van valsheid in geschrift of van het opzettelijk voorhanden hebben van dat geschrift (art. 225 lid 2 Sr), aangezien dit geschrift geen object is van de aan de advocaat toekomende bevoegdheid tot verschoning.
Door te oordelen als hiervoor overwogen heeft de Rechtbank naar de mening van rekwirant een te streng criterium toegepast, aangezien een dergelijke beperking niet valt te lezen in de jurisprudentie van Uw Raad. In zoverre heeft de Rechtbank dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Tweede middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, aangezien het oordeel van de Rechtbank dat in de onderhavige zaak geen sprake was van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ die een doorbreking van het beroepsgeheim van klager als advocaat rechtvaardigden nadere motivering behoefde, waardoor naar de mening van rekwirant dan ook sprake is van een motiveringsgebrek
Toelichting
1.
Blijkens het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming dat zich bij de stukken bevindt, wordt klager er — kort gezegd — van verdacht dat hij ter zitting van de rechtbank in een civiele zaak is opgetreden als advocaat van [betrokkene 5], terwijl feitelijk ter zitting aanwezig was diens broer [betrokkene 3], die zich voordeed als [betrokkene 5], terwijl klager daarvan op de hoogte was, aangezien klager al vele malen eerder als advocaat was opgetreden voor zowel [betrokkene 5] als [betrokkene 3]. Daarnaast zou klager in zijn hoedanigheid van advocaat een dagvaarding hebben uitgebracht en schriftelijke conclusies hebben genomen ten behoeve van zijn cliënt [betrokkene 5], terwijl de civiele procedure feitelijk werd gevoerd ten behoeve van [O.betrokkene 3]. Op die wijze zou klager zich hebben schuldig gemaakt aan medeplegen van valsheid in geschrift ten aanzien van de civiele dagvaarding en de ingediende conclusies, alsmede aan medeplegen van oplichting van de rechtbank (casus [betrokkene 4]). Daarnaast wordt klager ervan verdacht dat hij ter zitting van de rechtbank in een civiele zaak gebruik zou hebben gemaakt van een (ver)vals(t)e schuldbekentenis alsmede dat hij valselijk andere stukken zou hebben opgemaakt en gebruikt in die civiele rechtszaak en zich aldus schuldig zou hebben gemaakt aan medeplegen van valsheid in geschrift en (het medeplegen van) oplichting van de rechtbank, dan wel een poging daartoe (casus [betrokkene 2]).
2.
Door de officier van justitie is in raadkamer onder meer het volgende aangevoerd:
‘In deze zaak bestaat het gerechtvaardigde vermoeden dat klager betrokken was bij het plegen van strafbare feiten. In het dossier [ betrokkene 2]/[ betrokkene 1] bestaat de verdenking eruit dat klager artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet heeft nageleefd, onder meer door zich voor te doen als gemachtigde voor [ betrokkene 1]. Hij heeft bovendien een vals of vermoedelijk vals of vervalst exemplaar van de schuldbekentenis en andere stukken uit naam van [betrokkene 1] gebruikt. Door zo te handelen is de verdenking dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift en oplichting gerezen. Er lijkt sprake van een schijnprocedure. Dat maakt het gehele dossier een stuk dat voorwerp van het strafbare feit uitmaakt. Ten aanzien van dit dossier is de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden dan ook niet relevant.
In de zaak [ betrokkene 3]/[ betrokkene 4] gaf klager gedurende de zitting bij de behandeling van de zaak [betrokkene 5] niet aan dat [betrokkene 3] in plaats van [betrokkene 5] aanwezig was en evenmin is gebleken dat [betrokkene 3] een volmacht had tot dit handelen noch dat klager handelde uit volmacht van [betrokkene 5] om de door [klager] opgestelde dagvaarding uit te brengen en de zitting met [betrokkene 3] af te doen. Door zo te handelen heeft hij in elk geval niet artikel 21 Rv. nageleefd. Hiermee heeft [klager] zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschriften teneinde een waardevol vonnis van de rechtbank te bemachtigen. Klager heeft hiermee een inbreuk gepleegd op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van een advocaat moet kunnen worden gesteld in de samenleving in het algemeen en in civiele zaken met verplichte procesvertegenwoordiging in het bijzonder. Dat maakt dat in deze zaak sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Nu het niet mogelijk is om op een minder ingrijpende wijze inzicht in deze kwestie te krijgen, is de doorbreking van het verschoningsrecht in deze zaak gerechtvaardigd.’
3.
De beschikking van de Rechtbank houdt — voor zover hier relevant — het volgende in:
‘Zeer uitzonderlijke omstandigheden?
De vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt laat zich niet in algemene termen beantwoorden. Het gaat daarbij wel steeds om de afweging van het belang van het verschoningsrecht tegen het belang dat de waarheid aan het licht komt.
De Hoge Raad heeft enkele meer algemene factoren genoemd die voor de beoordeling van de uitzonderlijkheid van de omstandigheden een rol (kunnen) spelen:
- —
De vraag of het gaat om een tegen een verschoningsgerechtigde bestaande verdenking;
- —
De aard en zwaarte van de delicten waarvan een verschoningsgerechtigde wordt verdacht (zie bijv. HR NJ 2002/438, m.nt. Buruma, LJN: AD9162);
- —
De aard en de omvang van de gegevens waarop de inbeslagneming rust, en
- —
De vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen (zie bijv. HR NJ 2006/622, m.nt. J. Boer, LJN: AV2386).
Ten aanzien van het dossier [betrokkene 3]/[betrokkene 4] betreft de verdenking in het bijzonder de vraag of de heer [betrokkene 3] zich gedurende de behandeling van een civiele zaak bij de rechtbank Assen ten onrechte heeft voorgedaan als zijn broer, [betrokkene 5], en of klager als zijn behandelend advocaat op die zitting daarvan op de hoogte was maar zich daarover niet ter zitting heeft uitgelaten ten opzichte van de behandelend rechter. Naar het oordeel van de rechtbank had het openbaar ministerie de mogelijkheid om ander en minder ingrijpend onderzoek te doen teneinde de waarheid op dit specifieke punt aan het licht te brengen, is van die mogelijkheid gebruik gemaakt — zo is onder meer de comparitierechter gehoord en bestaat zij nog steeds. Ook desgevraagd, en dat geldt voor het gehele beslag, heeft de officier van justitie niet medegedeeld welke informatie hij in de dossiers zoekt, die niet op andere wijze verkregen zou kunnen worden. Dat is eens temeer van belang nu het feiten betreft die zich in de openbaarheid zouden hebben afgespeeld. Van zeer uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot het doorbreken van de geheimhoudingsplicht is aldus — wat er verder ook zij van de juistheid van het standpunt van de waarnemend deken dat (kort gezegd) het handelen van klager niet tuchtrechtelijk laakbaar zou zijn — naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van bedoeld dossier thans nog geen sprake.
Voorts acht de rechtbank in het bijzonder de aard, ernst en omvang van de verdenking zowel ten aanzien van klager in de zaak [betrokkene 3]/[betrokkene 4] als ten aanzien van klager in de zaak [betrokkene 1]/[betrokkene 2], — wat er nadrukkelijk verder straf- en tuchtrechtelijk ook zij van de verdenking — niet voldoende zwaarwegend dat deze, beoordeeld naar de toets van zeer uitzonderlijke omstandigheden, zonder meer een doorbreking van het verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen. De verdenking betreft relatief beperkte feiten in aard, tijd en omvang, terwijl bijvoorbeeld voorts een crimineel samenwerkingsverband van klager met andere verdachten niet door de officier van justitie wordt verondersteld.
De vordering van de officier van justitie en het oordeel van de rechter-commissaris houden in dat de verdenking zodanig samenhangt met de kern van de werkzaamheden van klager en een ontwrichtende werking hebben op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van een advocaat moet kunnen worden gesteld in de samenleving in het algemeen en in civiele zaken met procesvertegenwoordiging in het bijzonder, dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake is. Die redenering, die klaarblijkelijk is ontleend aan een arrest van de Hoge Raad in een zaak waarin de Hoge Raad op deze grond een doorbreking van het verschoningsrecht van een notaris sauveerde, volgt de rechtbank niet.
Een vergelijking met de kerntaak van een notaris kan reeds geen stand houden nu het onafhankelijk ambt van notaris in de kern mede een maatschappelijk zwaarwegende functie behelst die voorschrijft dat een notaris de authenticiteit van bepaalde stukken verifieert en bevestigt, zodat daarop in het maatschappelijk verkeer kan en mag worden vertrouwd. Dit is een wezenlijk andere kerntaak dan die van een advocaat, van wie het ook in civiele zaken niet tot de beroepsuitoefening behoort dat hij van alle stukken die cliënten hem aandragen de authenticiteit verifieert maar van wie vooreerst — als partij — wordt verlangd het persoonlijke en zakelijke belang van zijn cliënt(en) te verdedigen. Het in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde maakt dit niet anders.
De rechtbank komt dan ook op grond van het vorenoverwogene ten aanzien van beide inbeslaggenomen zaaksdossiers tot de slotsom dat in casu niet, althans niet zonder meer, gesproken kan worden van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van klager mag worden doorbroken.
Het beklag dient gegrond te worden verklaard, met last tot teruggave van het inbeslaggenomene aan klager.’
4.
In het kader van eventuele doorbreking van het advocaten-privilege stelt de Hoge Raad inmiddels steevast het volgende voorop:
‘Het verschoningsrecht van de advocaat is in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt — ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de advocaat als zodanig is toevertrouwd — moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Dit brengt mee dat, waar doorzoeking ter inbeslagneming bij een advocaat zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de doorzoeking ter inbeslagneming een verdere strekking heeft en is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. De enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de advocaat geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslagen doorzoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van de strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de advocaat dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de advocaat wordt verdacht, onevenredig worden getroffen.’3.
5.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat klager zelf wordt verdacht van strafbare feiten, te weten oplichting van een rechtbank en valsheid in geschrift. Dergelijke feiten waren ook aan de orde in zaken die hebben geleid tot beschikkingen van de Hoge Raad waarin het oordeel van de rechtbank dat sprake was van ernstige strafbare feiten in stand werd gelaten.4.
6.
Rekwirant onderkent het belang van het verschoningsrecht van — in dit geval — een advocaat, teneinde de belangen van zijn cliënt zo goed mogelijk te kunnen behartigen, maar dit belang moet wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt, indien de verschoningsgerechtigde als instrument wordt gebruikt voor het plegen van ernstige strafbare feiten. A-G Vellinga merkt hierover in zijn conclusie voor HR 30 oktober 20075. het volgende op:
- ‘15.
Zoals hiervoor reeds aan de orde is geweest is het verschoningsrecht ingegeven door het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Dat maatschappelijk belang ontbreekt wanneer iemand zich wendt tot een verschoningsgerechtigde om bijstand tot het plegen van strafbare feiten.
Het verschoningsrecht is immers niet bedoeld als dekmantel voor het plegen van strafbare feiten, maar om het iemand die — bijvoorbeeld — strafbare feiten heeft gepleegd mogelijk te maken zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot een advocaat te wenden. Het verschoningsrecht heeft dus betrekking op het toevertrouwen aan de verschoningsgerechtigde als hulpverlener, niet op het toevertrouwen aan de verschoningsgerechtigde als instrument tot het plegen van strafbare feiten, als medepleger of medeplichtige. Wie zich heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten of andere ongeoorloofde gedragingen moet zich onbevangen tot de verschoningsgerechtigde kunnen wenden hoe ernstig die feiten of gedragingen ook zijn, wie de verschoningsgerechtigde bezigt teneinde strafbare feiten of andere ongeoorloofde gedragingen te (doen) verrichten moet vooral niet de illusie kunnen hebben dat hetgeen hij de verschoningsgerechtigde toevertrouwt verborgen zal blijven.’6.
Toenmalig annotator Buruma schrijft in zijn noot onder een arrest van de Hoge Raad van 30 november 19997., bij welk arrest voor het eerst een uitzondering werd aanvaard op de regel dat het aan de verschoningsgerechtigde is om te beoordelen of geschriften object van zijn bevoegdheid tot verschoning uitmaken indien sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht:
‘Niettemin spreek ik van harte mijn instemming uit met de introductie van deze uitzondering, die ik beschouw als een stap voorwaarts om succesvol op juridische adviseurs in het kwaad te kunnen jagen. ‘De advocaat verdedigt den beklaagde, maar spant niet met hem samen’, luidt een gezegde dat D. Simons al in 1897 aanhaalde. Een advocaat mag nu eenmaal niet zijn cliënt helpen een misdrijf te plegen en consigliere horen zich niet te kunnen verschuilen achter het verschoningsrecht. In laatste instantie lijkt het ook voor de eer van de stand (ik besef dat ik ouderwets jargon hanteer) beter om veilig te stellen dat advocaten niet met criminelen op een hoop worden gegooid.’
In zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 20098. schrijft wnd.
A-G Bleichrodt over de ernst van het strafbare feit dat tot de aanname van zeer uitzonderlijke omstandigheden zou kunnen leiden het volgende:
‘5.3
Voor zover het middel mocht berusten op de opvatting dat van uitzonderlijke omstandigheden alleen sprake kan zijn ingeval van verdenking van een, gelet op de strafbedreiging, ernstig strafbaar feit, berust het mijns inziens op een onjuiste rechtsopvatting (in het klaagschrift wordt erop gewezen dat ter zake van witwassen maximaal vier jaar kan worden opgelegd en dat klager niet verdacht wordt van overtreding van art. 140 Sr). De strafbedreiging kan van belang zijn, maar het gaat hier slechts om een voorbeeld. Vooropgesteld wordt steeds dat de beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, zich niet in een algemene regel laat samenvatten. Ook andere omstandigheden kunnen dus van belang zijn.’
en:
‘Verder verliest het middel, dat sterk de nadruk legt op het gestelde beperkte aandeel van klager, mijns inziens uit het oog, dat in een geval als het onderhavige ook van belang is de ernst van de feiten waaraan medeverdachten zich vermoedelijk hebben schuldig gemaakt.’
Voorts stelt A-G Machielse in zijn conclusie voor de beschikking van de Hoge Raad van 10 maart 20099. dat reeds de verdenking dat de geheimhouder heeft samengewerkt met andere verdachten en aldus een bijdrage heeft geleverd aan een misdrijf dat een aanslag vormt op de kern van de beroepsmatige werkzaamheid van een verdachte geheimhouder een indicatie voor het bestaan van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden vormt.10. In dit verband merkt rekwirant op dat er geen relevant verschil is te maken tussen de ‘kern van de beroepsmatige werkzaamheid’ van een notaris en die van een advocaat. Om met Knigge te spreken: ‘De kurk waarop het verschoningsrecht drijft, is het vertrouwen dat de samenleving stelt in een gewetensvolle uitoefening van het desbetreffende ambt of beroep. Door een criminele relatie aan te gaan met zijn cliënt beschaamt de verschoningsgerechtigde dat vertrouwen en verspeelt hij hun beider aanspraak op geheimhouding.’11. Dit geldt aldus evenzeer voor het ambt van advocaat.
Naar de mening van rekwirant is volstrekt onbegrijpelijk de overweging van de Rechtbank dat een vergelijking met de kerntaak van een notaris geen stand kan houden nu het onafhankelijke ambt van notaris in de kern mede een maatschappelijk zwaarwegende functie behelst die voorschrijft dat een notaris de authenticiteit van bepaalde stukken verifieert en bevestigt, wat een wezenlijk andere kerntaak zou zijn dan die van een advocaat. In de huidige rechtspraktijk geldt immers het adagium dat een advocaat die in rechte optreedt (in principe) op zijn woord wordt geloofd. Dit geldt niet alleen in het strafrecht, bijvoorbeeld waar een advocaat verklaart dat hij bepaaldelijk is gevolgmachtigd namens zijn cliënt een rechtsmiddel in te dienen (zie bv de conclusie van A-G Wortel voor HR 23 januari 2001, ECLI:NL:PRH:2001:AA9595), maar ook in het civiele recht (vgl. de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 12 mei 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV9448, onder 3.15). In het civiele recht heeft dit zijn weerslag gevonden in art. 21 Rv, waar aan partijen de verplichting wordt opgelegd de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, bij gebreke waarvan de rechter daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Dat van een advocaat wordt verlangd het persoonlijke en zakelijke belang van zijn cliënt(en) te verdedigen, kan nooit een vrijbrief zijn om een rechtbank op te lichten, waarvan klager in de onderhavige zaak mede wordt verdacht, doordat hij (mogelijk) ervan op de hoogte was dat [betrokkene 3] zich gedurende de behandeling van een civiele zaak bij de Rechtbank te Assen ten onrechte had voorgedaan als zijn broer. Rekwirant kan met name de verdenking dat klager een rechtbank heeft opgelicht niet anders kwalificeren dan als een bijzonder ernstig feit dat het functioneren van de rechterlijke macht bedreigt en daarmee het vertrouwen in de rechtstaat ernstig ondermijnt.
7.
De Rechtbank bespreekt onder meer een tweetal uit de rechtspraak van de Hoge Raad afgeleide factoren bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, waaronder de volgende:
- —
De aard en de omvang van de gegevens waarop de inbeslagneming rust, en
- —
De vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen
De rechtbank verwijst hierbij naar bijv. HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2386. Deze beschikking betreft echter niet een zaak die ziet op het advocaten-privilege. Het gaat daarin om (delicate) medische gegevens en bovendien niet om een tegen de verschoningsgerechtigde bestaande verdenking.
Ook was in die zaak in raadkamer door de advocaat van klager juist aangevoerd dat de relevante gegevens ook op andere wijze (dan door overlegging van het gehele dossier) konden worden verkregen, terwijl de rechtbank naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende onderzoek naar die mogelijkheid had verricht.
Iets soortgelijks is aan de orde in de zaak die leidde tot de beschikking van de Hoge Raad van 29 juni 2004.12.
In HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740, was eveneens sprake van een advocaat die ervan verdacht werd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan valsheid in geschrift en oplichting. A-G Knigge merkte in zijn conclusie voor dit arrest op dat ‘de redelijke verdenking dat de verschoningsgerechtigde zijn ambt misbruikt voor het plegen van ernstige delicten mij voldoende rechtvaardiging lijkt voor een doorbreking van het verschoningsrecht’ (ECLI:NL:PHR:2013:1759).
Overigens heeft de officier van justitie in de onderhavige zaak in raadkamer aangevoerd dat ‘het niet mogelijk is om op een minder ingrijpende wijze inzicht in deze kwestie te krijgen’. Deze uitlating deed de officier van justitie nadat — zoals de Rechtbank ook overweegt op p. 6 van haar beschikking — reeds gepoogd was om op minder ingrijpende wijze de waarheid aan het licht te brengen, namelijk door onder meer het horen van de comparitierechter. In het licht daarvan is het oordeel van de Rechtbank dat het openbaar ministerie de mogelijkheid had om ander en minder ingrijpend onderzoek te doen, naar de mening van rekwirant zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, te meer nu de Rechtbank niet aangeeft welke andere, minder ingrijpende, mogelijkheden er nog open stonden. Dat de feiten zich in de openbaarheid zouden hebben afgespeeld maakt dit niet anders. Het is immers niet direct de vraag of [betrokkene 3] zich bij de Rechtbank ten onrechte had voorgedaan als zijn broer — hetgeen zich inderdaad in de openbaarheid van de zittingszaal zou hebben afgespeeld —, maar ten aanzien van klager gaat het juist om de vraag of klager daarvan op de hoogte was.
8.
Nu het in casu gaat om:
- —
een verdachte die deel uitmaakt van een beroepsgroep die een prominente rol vervult in de samenleving;
- —
verdachte in zijn hoedanigheid van advocaat zelf wordt verdacht van valsheid in geschrift en oplichting, nota bene van een rechtbank;
- —
het vermeende handelen van verdachte wordt gekleurd door een mate van berekening en het maken van gemene zaak met zijn cliënt;
- —
door de officier van justitie reeds tevergeefs een poging is gedaan om op minder ingrijpende wijze de waarheid aan het licht te brengen,
is naar de mening van rekwirant een groot maatschappelijk belang aanwezig om hier het verschoningsrecht te doorbreken. Gelet op deze omstandigheden behoefde het nadere motivering waarom in dit geval naar het oordeel van de Rechtbank geen sprake was van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’. Mitsdien is naar de mening van rekwirant dan ook sprake van een motiveringsgebrek.
Indien één van de cassatiemiddelen, dan wel beide cassatiemiddelen doel treft/treffen zal de beschikking van de Rechtbank 's‑Gravenhage niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze beschikking te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 17 januari 2014
Mr H.H.J. Knol,
plaatsvervangend officier van justitie bij het Arrondissementsparket Den Haag
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑01‑2014
Zoals door uw Raad wordt vereist in o.m. HR 10 december 2013, ECLI:HR:2013:1740
Zie punt 3. uit de bewuste noot
O.m. HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280, NJ 2002/438, HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, NJ 2002/439 en HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740
HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5611 en HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369
ECLI:NL:PHR:2009:BG9494 (onder 2.5. en 2.7.)
Noot onder HR 29 juni 2004, NJ 2005/273