Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.1.2
II.1.2 Opzet van dit hoofdstuk
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460277:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In hoofdstuk IV.2-IV.4 betoog ik echter dat deze uitzonderingspositie van bestuurders ongefundeerd, onnodig en onpraktisch is.
Ik kan me namelijk voorstellen dat niet iedere strafrechtadvocaat, opsporingsambtenaar of strafrechter even scherp heeft wat het verschil is tussen functioneel daderschap en feitelijk leidinggeven; wat de functie is van normadressaatschap in het kader van de verschillende daderschapsvormen; of hoe het opzetvereiste is geregeld in het kader van economische misdrijven waarbij wordt doorverwezen naar een bestuursrechtelijke bepaling, om maar een paar voorbeelden te geven.
Dit hoofdstuk bestaat, kort gezegd, uit een aantal paragrafen waarin telkens de kenmerken en criteria van een bepaalde daderschapsvorm worden toegelicht, om vervolgens te bestuderen hoe deze daderschapsvorm wordt gebruikt in het kader van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden voor milieudelicten.
Er zijn twee soorten daders; plegers en deelnemers. In paragraaf II.3 bestudeer ik de mogelijkheid om een leidinggevende strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor een milieudelict met de aansprakelijkheidsvorm plegen. In paragraaf II.5 komt een aantal deelnemers aan bod. In die paragraaf ga ik eerst in op enkele algemene aspecten van deelneming, en daarna op de deelnemingsfiguren medeplegen en feitelijk leidinggeven. Omdat het alleen mogelijk is om een leidinggevende van een onderneming aan te spreken via de figuur feitelijk leidinggeven als ook de rechtspersoon waar de leidinggevende werkzaam is een strafbaar feit heeft begaan, zal ik in paragraaf II.4 eerst kort ingaan op het daderschap van een rechtspersoon. Voorafgaand aan de bespreking van de daderschapsvormen, zal ik in paragraaf II.2 in vogelvlucht stilstaan bij enkele algemene aspecten van milieustrafrechtelijke handhaving.
Na de bespreking van de daderschapsvormen, sta ik in paragraaf II.6 stil bij de onderlinge verhouding tussen de daderschapsvormen. In dat kader geef ik ook een wegwijzer voor het achterhalen welke daderschapsvorm in een concreet geval het meest geschikt is voor de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. De mogelijkheid om leidinggevenden te bestraffen voor milieuovertredingen zal wellicht zorgen voor ongerustheid dat leidinggevenden hun taak niet goed kunnen vervullen omdat zij te veel aansprakelijkheid te vrezen hebben. In paragraaf II.7 reflecteer ik op de aansprakelijkheidsdrempel voor de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, en beantwoord ik op basis van de argumenten die hiervoor in het juridische debat worden gebezigd of bestuurders van rechtspersonen in het strafrecht – net zoals in het privaatrecht het geval is1 – aanvullend beschermd (moeten) worden tegen milieuaansprakelijkheid. Ten slotte volgt in paragraaf II.8 een conclusie waarin ik kort opsom wat er in dit hoofdstuk is besproken en reflecteer ik op de mogelijkheden en obstakels voor strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid. In de conclusie geef ik ook een schematisch overzicht van de hier besproken daderschapsvormen en hun criteria.
Sommige aspecten van de strafrechtelijke aansprakelijkheid die in dit hoofdstuk aan bod komen zullen voor strafrechtjuristen bekend terrein zijn. Maar aangezien de aansprakelijkheidsfiguren uit het strafrecht ook relevant zijn in het kader van de bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving van milieunormen, acht ik het (voor het bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke publiek) toch nuttig om in dit hoofdstuk aan de hand van een aantal standaardwerken en sleuteljurisprudentie een aantal basale kenmerken en termen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid te bespreken. Bovendien kan de bespreking voor strafrechtjuristen gelegenheid bieden om hun basiskennis op te frissen.2