Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.2.3
21.2.3 Een collectivistisch godsdienstbegrip
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS458857:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit kader de zaak die dient voor het EHRM over de Sharia in Griekenland, EHRM nr. 20452/14 (Molla Sali v Greece). Het gaat in dit geschil over de toepassing van het Griekse erfrecht. De nationale rechters stellen dat het Griekse erfrecht in het onderhavige geval geen geldend recht is, omdat de betreffende overleden persoon lid was van een moslimgemeenschap en dat om die reden de Sharia van toepassing is. Kennelijk geeft Griekenland de islamitische gemeenschap een grote autonomie om hierin regels te stellen. Klager stelt voor het EHRM dat het Griekse erfrecht van toepassing zou moeten zijn.
Habermas 2005, p. 45.
Sandel 1998, p. 62.
Het communautarisme is minder star dan het liberaal gezindtepluralisme en voelt minder de noodzaak zich te bedienen van een objectiverende uitleg van het juridische begrip van godsdienst. Het hanteert daarentegen een collectieve uitleg van godsdienst. Het collectief mag binnen een communautaristische staat eigen regels stellen waarin het bepaalt wat aangemerkt wordt als godsdienst(ig). In tegenstelling tot het liberaal gezindtepluralisme wil de staat binnen dit perspectief niet de juridische betekenis van godsdienst reguleren maar accepteert hij in vergaande mate de zelfregulering van het collectief.1 In feite omarmt het communautarisme een volledige contextualisering van het begrip godsdienst. Wat als godsdienst(ig) telt is geheel afhankelijk van de context (taal, cultuur, gemeenschap) waarbinnen dit fenomeen zich manifesteert. Het communautaristische ideaaltype zoekt niet naar een overstijgende consensus over wat telt als godsdienst(ig) en wordt ook niet bewogen door pragmatische overwegingen om alleen dat als godsdienst(ig) te erkennen dat algemeen in de maatschappij wordt aanvaard,2 maar stelt als enige voorwaarde dat de religieuze groepen elkaar tolereren.
In de huidige tijd waarin de opvattingen over godsdienst zijn geïndividualiseerd kan men tegen het communautarisme inbrengen dat niet het collectief, bijvoorbeeld de geloofsgemeenschap, moet gelden als rechtssubject dat bepaalt wat geldt als godsdienst(ig) maar het individu. Communautaristen zullen dit niet volledig onderschrijven. Zij zullen stellen dat de mens als individu niet in staat is om zonder geloofsgemeenschap, zonder context, te bepalen wat godsdienst(ig) is. Met andere woorden, geloven doe je niet alleen, maar samen. Bovendien zien communautaristen het heersende individualisme als product van een liberale leefwereld waarin de mens is vervreemd van zijn identiteit-constituerende context.3 Misschien hebben communautaristen hierin gelijk en is een individuele of singuliere godsdienst niet mogelijk. De consequentie hiervan kan echter niet zijn dat het recht op zelfdefinitie niet ook een individueel recht kan zijn. Dat zou betekenen dat de godsdienstvrijheid uitsluitend zou gelden voor religieuze gemeenschappen en dat ‘eigenwijze’ individuen zich niet mogen onttrekken aan de collectieve definitie van godsdienst. Dat druist in tegen het idee van individuele mensenrechten en is een te belangrijke verworvenheid om aan de kant te schuiven. Om onderdrukking, hersenspoeling, etc. te voorkomen, moet gegarandeerd worden dat het individu het laatste woord heeft in wat telt als godsdienst(ig).
Dat neemt niet weg dat het in een dispuut tussen een religieuze gemeenschap (bijvoorbeeld een kerk) en het individu in het algemeen wenselijk is dat de zelfdefinitie van het individu ondergeschikt is aan die van de religieuze gemeenschap. Het wordt anders immers lastig om een gemeenschappelijke geloofsleer of traditie te hebben en de daarbij behorende uitingen en gedragingen te verwerkelijken. Dit is vanwege het toenemende belang van de horizontale werking van grondrechten een belangrijk communautaristisch uitgangspunt. De zelfdefinitie van het individu lijdt hier niet onder omdat het individu de keuze heeft om, wanneer hij zich niet kan vinden in de collectieve definitie, de geloofsgemeenschap te verlaten. De huidige rechtsorde dient daarom de vruchten van het communautaristisch perspectief juist te koesteren. Vastgehouden moet worden aan het principe dat de autonomie van kerken, religieuze instellingen en scholen om regels te stellen over wat telt als godsdienst(ig) prevaleert boven de zelfdefinitie van de leden van deze organisaties.