Rechtbank Limburg 23 mei 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:5080.
HR, 05-04-2024, nr. 23/03292
ECLI:NL:HR:2024:519
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-04-2024
- Zaaknummer
23/03292
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Gezondheidsrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:519, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑04‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:38
ECLI:NL:PHR:2024:38, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑01‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:519
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑08‑2023
- Vindplaatsen
GZR-Updates.nl 2024-0078
NJ 2024/164 met annotatie van J. Legemaate
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0042
JGz 2024/26 met annotatie van Mr. dr. B.J.M. Frederiks
Uitspraak 05‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Wet zorg en dwang. Klacht over uitblijven van beslissing op verzoek om ontslag uit accommodatie (art. 55 Wzd). Vertegenwoordiger (art. 1 lid 1, aanhef en onder e, Wzd). Ontvankelijkheid.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/03292
Datum 5 april 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[de zoon] als schriftelijk gemachtigde van [betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de zoon,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
STICHTING [de zorginstelling],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de zorginstelling,
advocaat: T. van Malssen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/310067/BZ RK22/1986 van de rechtbank Limburg van 23 mei 2023.
De zoon heeft namens zijn moeder (hierna: betrokkene) tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De zorginstelling heeft een verweerschrift ingediend primair tot niet-ontvankelijkheid en subsidiair tot verwerping.
De zoon heeft namens betrokkene een verweerschrift tot verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De advocaat van de zoon heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Sinds eind 2016 verblijft betrokkene in een accommodatie van de zorginstelling voor cliënten met dementie, thans op basis van een rechterlijke machtiging krachtens de Wzd.
(ii) Bij beschikking van 13 juli 2017 heeft de rechtbank Limburg de goederen van betrokkene onder bewind gesteld en een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene, met benoeming van een professionele partij tot bewindvoerder en mentor (hierna: de mentor).
(iii) In februari 2022 hebben de zoon en de dochter van betrokkene namens haar een ontslagverzoek ingediend bij de zorginstelling. De mentor heeft laten weten niet achter het ontslagverzoek te staan. De zorginstelling heeft het verzoek niet inhoudelijk behandeld en heeft de zoon en de dochter verwezen naar de mentor als gesprekspartner aangaande het zorgbeleid ten aanzien van betrokkene.
2.2
De zoon heeft, samen met zijn zus, op 24 mei 2022 namens betrokkene een klacht ingediend op de voet van art. 55 Wzd. Volgens de klacht heeft de zorginstelling geen besluit genomen op het verzoek om ontslag, op de grond dat alleen de mentor als wettelijk vertegenwoordiger bevoegd is om namens betrokkene een ontslagverzoek in te dienen. De zorginstelling heeft de klacht voorgelegd aan de Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg (hierna: de klachtencommissie). De klachtencommissie heeft de klacht gegrond verklaard en heeft de zorginstelling opgedragen een beslissing te nemen op het verzoek om ontslag.
2.3
De zorginstelling heeft de rechtbank op de voet van art. 56c Wzd verzocht de beslissing van de klachtencommissie te vernietigen en de zoon alsnog niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de klacht ongegrond te verklaren.
2.4
De rechtbank1.heeft de beslissing van de klachtencommissie vernietigd en de zoon alsnog niet-ontvankelijk verklaard in de klacht. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Vast staat dat de klacht niet door betrokkene zelf is ingediend. Daarom moet de vraag worden beantwoord of de zoon en dochter, die de klacht feitelijk hebben ingediend, als vertegenwoordiger van betrokkene in de zin van art. 55 Wzd kunnen worden aangemerkt. (rov. 6.3)
Uit art. 1 lid 1, aanhef en onder e, Wzd blijkt dat onder het begrip ‘vertegenwoordiger’ primair de wettelijk vertegenwoordiger moet worden verstaan. Eerst indien een wettelijk vertegenwoordiger ontbreekt kan een ander als vertegenwoordiger optreden. Uit art. 1:453 lid 1 en 2 BW volgt dat de mentor de wettelijk vertegenwoordiger is in aangelegenheden betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Daaruit volgt dat de mentor als vertegenwoordiger van betrokkene in het kader van art. 55 Wzd geldt. De zoon en dochter zijn dan ook niet bevoegd tot het indienen van een klacht, zodat de klachtencommissie de zoon ten onrechte heeft ontvangen in de klacht. (rov. 6.4-6.7)
De rechtbank heeft verder nog overwogen:
“6.8. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Uit het dossier en de daarbij behorende stukken blijkt genoegzaam dat betrokkene niet in staat is wilsbekwame beslissingen te nemen over onder meer aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Dat houdt ook in dat zij niet wilsbekwaam moet worden geacht anderen te machtigen namens haar verzoeken in te dienen in relatie tot die aangelegenheden. Het machtigen van de zoon en de dochter om een ontslagverzoek in te dienen op grond van artikel 48 Wzd valt daar naar het oordeel van de rechtbank onder. De behartiging van de belangen van betrokkene bij die aangelegenheden [is] voorbehouden aan de door de kantonrechter benoemde mentor.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
3.2
Het middel bevat geen klacht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 6.8 dat betrokkene niet wilsbekwaam moet worden geacht anderen te machtigen namens haar verzoeken in te dienen in relatie tot aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Dit oordeel kan de slotsom van de rechtbank dat de zoon niet ontvankelijk is in de klacht die hij namens zijn moeder indiende, zelfstandig dragen. De zoon heeft daarom geen belang bij behandeling van het middel.
Ten overvloede overweegt de Hoge Raad als volgt.
3.3
Een verzoek tot ontslag uit de accommodatie kan worden gedaan door de betrokkene zelf of door diens vertegenwoordiger (art. 48 lid 1 en 2 Wzd).
Als vertegenwoordiger in de zin van de Wzd wordt aangemerkt de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt, of, indien een zodanige persoon ontbreekt, de persoon die daartoe door de cliënt schriftelijk is gemachtigd in zijn plaats te treden, of, indien deze ontbreekt of niet optreedt, de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel, of, indien deze ontbreekt of niet wenst op te treden, een ouder, kind, broer, zus, grootouder of kleinkind van de cliënt (art. 1 lid 1, aanhef en onder e, Wzd).
Uit het voorgaande volgt dat indien de betrokkene een wettelijk vertegenwoordiger heeft, hij niet een ander kan machtigen om in zijn naam een verzoek tot ontslag uit de accommodatie te doen.
Nu in dit geval betrokkene een mentor had, die in aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding op de voet van art. 1:453 lid 1 en 2 BW haar wettelijk vertegenwoordiger is, konden de zoon en dochter dus geen verzoek tot ontslag van betrokkene uit de accommodatie doen.
3.4
Een klacht over een beslissing over een verzoek tot ontslag uit de accommodatie kan worden ingediend door de cliënt, zijn vertegenwoordiger of een nabestaande van de cliënt (art. 55 lid 1, aanhef en onder f, Wzd).
De rechtbank heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat de klacht niet door betrokkene zelf is ingediend (rov. 6.3). Omdat de zoon niet de vertegenwoordiger van betrokkene is in de zin van art. 55 Wzd, is het oordeel van de rechtbank dat de zoon niet ontvankelijk is in de klacht juist.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 5 april 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑04‑2024
Conclusie 12‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Wet zorg en dwang. Ontslagverzoek ogv art. 48 Wzd; klachtprocedure ex art. 55 Wzd. Ontvankelijkheid klacht zoon als gemachtigde. Kan zoon aangemerkt worden als vertegenwoordiger van betrokkene i.d.z.v. art. 55 Wzd?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03292
Zitting 12 januari 2024
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[de zoon] optredend als schriftelijk gemachtigde van [betrokkene] w.v. [naam] ,
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
Stichting [de zorginstelling] ,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. T. van Malsen
Belanghebbenden:
1. [belanghebbende 1] in de hoedanigheid van mentor van [betrokkene] w.v. [naam] ,
2. [belanghebbende 2] .
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de zoon respectievelijk de zorginstelling.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
[betrokkene] w.v. [naam] , hierna betrokkene genoemd, is met een machtiging op grond van de Wzd opgenomen in een accommodatie van de zorginstelling. Ten behoeve van betrokkene is een bewind en mentorschap ingesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand. De zoon heeft namens zijn moeder, betrokkene, een ontslagverzoek ingediend op grond van art. 48 Wzd bij de zorginstelling en vervolgens wegens het uitblijven van een beslissing een klacht ingediend bij de klachtencommissie op grond van art. 55 Wzd. De klachtencommissie heeft de zoon ontvankelijk geacht en de klacht gegrond verklaard. De zorginstelling heeft de rechtbank verzocht de beslissing van de klachtencommissie te vernietigen en de zoon niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank heeft de beslissing van de klachtencommissie vernietigd en daartoe geoordeeld dat de mentor geldt als wettelijk vertegenwoordiger van betrokkene in het kader van art. 55 Wzd, zodat de zoon niet bevoegd was tot het indienen van een klacht en heeft de zoon niet ontvankelijk verklaard in de bij de klachtencommissie ingediende klacht. In cassatie komt de zoon als gemachtigde van betrokkene op tegen deze beslissing.
2.Feiten en procesverloop1.
2.1
Sinds 27 december 2016 verblijft betrokkene op een zorglocatie van de zorginstelling voor cliënten met dementie. Aanvankelijk verblijft zij daar op basis van machtigingen krachtens de Wet Bopz en later op basis van een rechterlijke machtiging krachtens de Wzd.
2.2
Bij beschikking van 13 juli 2017 heeft de rechtbank Limburg bewind en mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene, wegens haar lichamelijk of geestelijke toestand, met benoeming van een professionele partij tot bewindvoerder en mentor.
2.3
Bij e-mailbericht van 21 februari 2022 hebben de zoon en de dochter namens betrokkene een ontslagverzoek ingediend bij de zorginstelling.
2.4
Bij brief van 25 februari 2022 heeft de zorginstelling te kennen gegeven niet inhoudelijk op het verzoek in te gaan en heeft zij verwezen naar de bewindvoerder/mentor die als gesprekspartner aangaande het zorgbeleid van betrokkene is aangesteld.
2.5
De mentor heeft de zoon per e-mail van 25 maart 2022 bericht als wettelijk vertegenwoordiger niet achter het ontslagverzoek te staan. De zorginstelling heeft de mentor laten weten het verzoek niet in behandeling te nemen.
2.6
De zoon heeft bij e-mail van 24 mei 2022 namens de moeder een klacht ingediend bij de regionale klachtencommissie waarbij de zorginstelling is aangesloten. Volgens de klacht heeft de zorginstelling geen besluit genomen op het ontslagverzoek, dan wel geen besluit willen nemen omdat zij kennelijk van opvatting is dat alleen de wettelijk vertegenwoordiger bevoegd is om een ontslagverzoek in te dienen.
2.7
De Raad van Bestuur van de zorginstelling heeft bij brief van 2 augustus 2022 de klacht van de zoon voorgelegd aan de Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg (hierna: de klachtencommissie).
2.8
Bij brief van 15 augustus 2022 heeft de mentor de zorginstelling laten weten dat de zoon niet bevoegd is om een klacht in te dienen bij klachtencommissie. Als wettelijk vertegenwoordiger kan de mentor zich niet vinden in de gestelde klachten en staat zij niet achter de zienswijze van de zoon.
2.9
Bij brief van 16 augustus 2022 heeft de zorginstelling de klachtencommissie verzocht om de klacht van de zoon niet-ontvankelijk te verklaren en niet verder in behandeling te nemen.
2.10
Bij e-mail van 23 augustus 2022 heeft de klachtencommissie de zorginstelling laten weten dat de klachtencommissie tot het oordeel is gekomen dat zij bevoegd is om de klacht te beoordelen en op basis van de aangeleverde stukken binnen twee weken uitspraak zal doen.
2.11
De klachtencommissie heeft op 26 augustus 2022 de klacht gegrond verklaard en heeft opdracht gegeven om een beslissing te nemen op het verzoek. De klachtencommissie overwoog dat veel klagers die een mentor hebben tijdens de procedure ondersteuning krijgen van een familielid of cliëntenvertrouwenspersoon. Volgens de klachtencommissie is de mentor buiten beeld indien een cliënt zich verzet tegen de behandeling of opname. Als de mentor het verzet van de cliënt niet deelt, staat de cliënt alleen. Dit vacuüm in de vertegenwoordiging kan volgens de klachtencommissie worden opgevuld door iemand te vragen om voor cliënt op te treden. Als de hulpvraag concreet gaat over een verzet tegen een bepaalde vorm van onvrijwillige zorg, in termen van de cliënt is vervat en de ingediende klacht begrijpelijk is uit het gedrag en uitingen van de cliënt zelf en verder verwoord is vanuit het perspectief van de cliënt, is deze ondersteuning volgens de klachtencommissie te zien als handelingen van de cliënt zelf. De klachtencommissie heeft de klacht die namens betrokkene was ingediend ook zo opgevat. De conclusie van de klachtencommissie is dat het verzoek dat door de zoon is gedaan, namens zijn moeder, is te zien als een verzoek in de zin van art. 48 Wzd waarop de instelling zou moeten antwoorden. Ten overvloede merkt de klachtencommissie nog op dat het ontslagverzoek een herhaling is van eerdere verzoeken en dat voor de zoon duidelijk zou moeten zijn dat betrokkene verzorging, bescherming en huisvesting nodig heeft waar hij in zijn ontslagverzoek niet in voldoende mate concreet over aangeeft hoe hij daarin kan voorzien. Het feit dat de rechter net een rechterlijke machtiging heeft uitgesproken is een duidelijk signaal dat de omstandigheden niet voldoende zijn veranderd en dat een rechterlijke machtiging nog steeds noodzakelijk wordt geacht. Om die reden is de klachtencommissie van oordeel dat een nieuw verzoek om ontslag aan de instelling in de nabije toekomst zinloos is.
2.12
Bij inleidend verzoekschrift, bij de griffie van de rechtbank Limburg ingekomen op 10 oktober 2022, heeft de zorginstelling verzocht de beslissing te vernietigen en de klacht van de zoon alsnog niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren.
2.13
De zoon heeft verweer gevoerd.
2.14
Bij beschikking van 23 mei 2023 (ECLI:NL:RBLIM:2023:5080) heeft de rechtbank de door de zorginstelling ingediende klacht tegen de beslissing van 26 augustus 2022 van de klachtencommissie gegrond verklaard en deze beslissing vernietigd. De rechtbank verklaart de zoon alsnog niet ontvankelijk in de bij de klachtencommissie ingediende klacht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit art. 1:453, eerste en tweede lid BW volgt dat de mentor als wettelijk vertegenwoordiger geldt in aangelegenheden betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de mentor geldt als wettelijk vertegenwoordiger van betrokkene in het kader van art. 55 Wzd. De zoon en dochter zijn volgens de rechtbank dan ook niet bevoegd tot het indienen van een klacht, zodat de klachtencommissie de zoon ten onrechte heeft ontvangen in de klacht. De rechtbank heeft in rov. 6.8 verder nog overwogen:
“Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Uit het dossier en de daarbij behorende stukken blijkt genoegzaam dat betrokkene niet in staat is wilsbekwame beslissingen te nemen over onder meer aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Dat houdt ook in dat zij niet wilsbekwaam moet worden geacht anderen te machtigen namens haar verzoeken in te dienen in relatie tot die aangelegenheden. Het machtigen van de zoon en de dochter om een ontslagverzoek in te dienen op grond van artikel 48 Wzd valt daar naar het oordeel van de rechtbank onder. De behartiging van de belangen van betrokkene bij die aangelegenheden zijn voorbehouden aan de door de kantonrechter benoemde mentor.”
2.15
De zoon heeft namens betrokkene – tijdig2.– beroep in cassatie ingesteld. De zorginstelling heeft een verweerschrift ingediend waarin zij primair concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot verwerping van het cassatieberoep. De zoon heeft namens betrokkene schriftelijk gereageerd op het verzoek tot niet-ontvankelijk verklaring.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Inleidende beschouwingen
3.1
De onvrijwillige opname en verblijf in een psychogeriatrische instelling is geregeld in art. 24 Wzd. De rechter verleent de machtiging op verzoek van het CIZ, indien naar het oordeel van de rechter:a. het gedrag van een cliënt als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, leidt tot ernstig nadeel;b. de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf noodzakelijk is om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden;c. de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf geschikt is om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden, end. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden.
3.2
Zoals volgt uit art. 38 lid 2 Wzd, is een cliënt ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld, bekwaam om in de procedure waarin de rechter beslist op het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot opname en verblijf in rechte op te treden. De cliënt kan deze procedure dus zelf voeren. Ook het verzoek om ontslag uit de instelling kan de cliënt zelf doen ( art. 48 lid 1 Wzd). Op basis van art. 48 lid 1 Wzd zijn er twee redenen waarom de zorgaanbieder ontslag verleent aan de onvrijwillig in een accommodatie verblijvende cliënt. Allereerst als het verblijf niet langer noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Daarnaast kan het ontslag verleend worden, indien de geldigheidsduur van de rechterlijke machtiging, dan wel van de beschikking tot inbewaringstelling, is verstreken. Indien er voor het einde van de termijn een verzoek is gedaan tot het verlenen van een aansluitende machtiging kan de zorgaanbieder ontslag verlenen zodra op het verzoek afwijzend is beslist of de termijn voor het geven van een beslissing is verstreken. Niet alleen de cliënt kan dit verzoek indienen, de zorgaanbieder kan het ontslag ook ambtshalve verlenen of op verzoek van de vertegenwoordiger van de cliënt. Indien een verzoek tot het verlenen van ontslag niet wordt gedaan door de vertegenwoordiger van de cliënt, overlegt de zorgaanbieder met de vertegenwoordiger voordat hij besluit tot het verlenen van ontslag (art. 48 lid 2 Wzd).
3.3
3.4
Wie als vertegenwoordiger van de cliënt kan optreden is bepaald in art. 1 lid 1 onder e Wzd.3.Dat artikel bepaalt dat onder een vertegenwoordiger wordt verstaan:
“wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt, of, indien een zodanige persoon ontbreekt, de persoon die daartoe door de cliënt schriftelijk is gemachtigd in zijn plaats te treden, of, indien deze ontbreekt of niet optreedt, de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel, of, indien deze ontbreekt of niet wenst op te treden, een ouder, kind, broer, zus, grootouder of kleinkind van de cliënt;”
3.5
Naar aanleiding van vragen van de Tweede Kamer over het wetvoorstel Zorg en dwang heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een nadere toelichting gegeven op de onafhankelijkheid en betrokkenheid van de mentor en cliëntenvertegenwoordigers in het kader van de voorgestelde wet:
“6.1 Onafhankelijke ondersteuning
Mevrouw Venrooy-van Ark (VVD) vraagt hoe het zit met mentorschap en cliëntvertegenwoordigers in het wetsvoorstel en dan met name of deze qua onafhankelijkheid en betrokkenheid voldoende geborgd zijn in het wetsvoorstel. De mentor is één van de wettelijk vertegenwoordigers. Hij wordt door de rechter aangesteld, en moet daar ook verantwoording aan afleggen. Indien er geen mentor of andere wettelijke vertegenwoordiger is, kent het wetsvoorstel een regeling voor een cliëntvertegenwoordiger. Ik vind het van groot belang dat de stem van deze kwetsbare cliënten via de vertegenwoordiger verwoord kan worden, als de cliënt het niet (meer) zelf kan. Het wetsvoorstel kent aan de vertegenwoordiger of de mentor bepaalde rechten toe. Deze rechten heeft de vertegenwoordiger slechts voor zover de cliënt zelf beslissingsonbekwaam is. Het wetsvoorstel gaat er van uit dat de vertegenwoordiger er is voor de cliënt. Hij is als het ware zijn vervanger. In die zin is hij onafhankelijk. Daar doet dit wetsvoorstel niets aan af.”4.
3.6
In art. 3 Wzd zijn bepaalde bevoegdheden toegekend aan de vertegenwoordiger, maar alleen voor zover de cliënt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Het uitgangspunt van art. 3 Wzd is dat de cliënt zelf zijn beslissing neemt over de zorg die aan hem verleend wordt. In de parlementaire stukken is dat als volgt nader toegelicht:
“Als het gaat om het zorgplan en om het geven van instemming, kan er voor mensen met dementie of een verstandelijke beperking een complicerende factor optreden. Zij zijn vaak ernstig beperkt in hun uitdrukkingsvaardigheid en kunnen niet, of niet meer, verwoorden wat ze willen. Of waarom ze iets juist niet willen. Dit zorgt ervoor dat de dynamiek tussen cliënt en zorgverlener een andere is dan in veel sectoren van de zorg.
Zorgverleners moeten gaan invullen wat de wens van de cliënt is, proberen te achterhalen waarom hij iets wil of juist afwijst. Veel verzorgenden en begeleiders doen dat op goed gevoel, vanuit de verantwoordelijkheid die ze voor hun cliënten voelen en de bescherming die ze hen willen bieden. Ook de naasten van een cliënt kunnen daarin een belangrijke rol spelen; zij kunnen de veronderstelde wens van de cliënt verwoorden. Als de cliënt niet meer in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen waar het een specifieke beslissing betreft, dient een wettelijk vertegenwoordiger die rol op zich te nemen. Dat betreft geen beoordeling van de wilsbekwaamheid van de cliënt in zijn algemeenheid, maar een beoordeling van de beslissingsbekwaamheid in specifieke situaties. Daar waar de cliënt wel zelf kan beslissen, hoort hij dat zelf te kunnen doen.”5.
3.7
In art. 3 lid 2 Wzd is bepaald dat een vertegenwoordiger slechts optreedt namens de cliënt voor zover een deskundige heeft beslist dat de cliënt niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake van een beslissing die hem betreft.
3.8
Aangezien het in de Wzd om kwetsbare mensen gaat, verplicht art. 57 Wzd de zorgaanbieder om te voorzien in de mogelijkheid voor de cliënt om een beroep te doen op een cliëntenvertrouwenspersoon als het gaat om aangelegenheden die samenhangen met het verlenen van onvrijwillige zorg aan de cliënt, met zijn opname en verblijf in een accommodatie, of met het doorlopen van de klachtenprocedure. De gedachte hierachter is dat cliënten die onder het Wzd-regime vallen gelet op de aard van hun aandoening, moeite kunnen hebben met het verwoorden van hun wensen en hun klachten. Doordat zij toegang hebben tot een cliëntenvertrouwenspersoon, kunnen zij toch de gewenste mate van rechtsbescherming krijgen.6.De cliëntenvertrouwenspersoon biedt partijdige ondersteuning aan de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger en komt op voor de belangen van de cliënt.
3.9
In de rechtsliteratuur bestaat discussie over de bevoegdheden van een mentor of curator op de momenten waarop ‘zijn’ cliënt feitelijk wilsbekwaam is. In het gezondheidsrecht wordt doorgaans aangenomen dat in zo’n situatie de patiënt zelf mag beslissen en de mentor/curator geen taak heeft. Uit art. 7:465 lid 1 en 2 BW vloeit volgens deze opvatting voort dat een patiënt die een mentor of een curator heeft, maar op enig moment feitelijk wilsbekwaam is, op dat moment zelf beslissingen mag nemen ter zake van zijn behandeling en verzorging.7.Hendriks8.en Floris9.zijn het daar niet mee eens. Floris10.stelt zich op het standpunt dat gezondheidsrechtelijke wetgeving niet zelden strijdig is met de regelgeving inzake curatele en mentorschap. Zij wijst op art. 1:453 BW dat bepaalt dat de meerderjarige die onder curatele of mentorschap is gesteld, onbevoegd is om rechtshandelingen op het gebied van zijn gezondheidszorg te verrichten, tenzij de curator of mentor daarvoor toestemming geeft. Floris leidt hieruit af dat het oordeel of de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht aan de curator of mentor is. Zij ziet daarin een belangrijke waarborg tegen de situatie dat een hulpverlener, door een patiënt wilsbekwaam te verklaren, de door de rechter benoemde vertegenwoordiger buitenspel kan zetten. Volgens Legemaate11.is dat een terecht punt van zorg maar gaat dat volledig voorbij aan een geheel ander probleem: de deskundigheid die vereist is om de wilsbekwaamheid van een patiënt te beoordelen. Legemaate ziet geen echte aanwijzingen dat het de bedoeling van de wetgever was om voor wilsbekwame patiënten met een mentor of curator een uitzondering te maken op de algemene Wgbo-regeling dat de wilsbekwame patiënt beslist. Legemaate is er mede in het licht van het VN-Gehandicapten verdrag, waarin vooral het maximaal honoreren van autonomie van patiënten benadrukt wordt, van overtuigd dat de mentor of curator alleen een rol heeft als de patiënt wilsonbekwaam is. Het is volgens hem dan aan de hulpverlener om te bepalen of de patiënt wils(on)bekwaam is. Ook Blankman12.en De Boer13.zijn de mening toegedaan dat de mentor of curator pas optreedt als de patiënt ten aanzien van de beslissing wilsonbekwaam is.
Bespreking van de klachten
3.10
De zoon stelt in cassatie door betrokkene gemachtigd te zijn om namens haar een ontslagverzoek in te dienen en de gehele procedure die tot dat ontslag moet leiden, te voeren. In cassatie wordt namens betrokkene gesteld dat een mentor niet mag beslissen over een verlof of ontslag en dat betrokkene al dan niet met behulp van haar kinderen een ontslagverzoek kan doen. Volgens de zoon valt een verzoek tot ontslag uit de zorginstelling niet onder een aangelegenheid betreffende de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding in de zin van art. 1:453 lid 1 BW. Zowel in de procesinleiding als in de reactie op het verweerschrift wordt gewezen op informatie op rechtspraak.nl waar uitdrukkelijk staat vermeld dat de mentor niet bevoegd is om te beslissen over een opname in een psychiatrisch ziekenhuis en volgens de zoon dus ook niet over het ontslag uit dat psychiatrisch ziekenhuis.
3.11
De zorginstelling heeft in cassatie betoogd dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is. Volgens de zorginstelling staat in cassatie vast dat het ontslagverzoek en de daarop gebaseerde klacht niet namens betrokkene maar namens de zoon zijn ingediend en dat geen rechtsgeldige machtiging voorhanden is op basis waarvan de zoon namens betrokkene in dit geding op kan treden. In cassatie stelt de zoon in afwijking van de vaststelling van de rechtbank dat hij uitsluitend als gemachtigde van betrokkene (en daarmee enkel als 'formele procespartij') optreedt. Hij komt dus niet namens zichzelf (als 'materiële procespartij') in cassatie. De kennelijke gedachte is dat betrokkene zelfstandig cassatieberoep zou hebben willen instellen en de zoon in dat kader als haar gemachtigde zou hebben aangewezen, aldus de zorginstelling. In de - onbestreden - vaststellingen van de rechtbank inzake de wilsonbekwaamheid van betrokkene (rov. 6.8), in samenhang bezien met het onderliggende procesdossier, ligt echter besloten dat redelijkerwijs geen ander oordeel mogelijk is dan dat betrokkene (ook) wilsonbekwaam is om de zoon te machtigen namens haar cassatieberoep in te stellen, aldus nog steeds de zorginstelling.
3.12
In cassatie staat vast dat de rechtbank bij beschikking van 13 juli 2017 bewind en mentorschap heeft ingesteld ten behoeve van betrokkene. Het mentorschap is geregeld in art. 1:450 e.v. BW en is een beschermingsmaatregel die uitdrukkelijk voor handelingen binnen de gezondheidszorg in het leven is geroepen.14.Het mentorschap betekent dat betrokkene tijdens het mentorschap onbevoegd is rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding (art. 1:453 lid 1 BW). Met betrekking tot deze rechtshandelingen vertegenwoordigt de mentor de betrokkene in en buiten rechte, tenzij op grond van wet of verdrag vertegenwoordiging uitgesloten is. De mentor kan de betrokkene toestemming verlenen deze rechtshandelingen zelf te verrichten. Vast staat dat de mentor betrokkene deze toestemming niet heeft verleend.
3.13
Volgens de memorie van toelichting zijn de aangelegenheden verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding in art. 1:453 BW zodanig omschreven dat ze niet te beperkt kunnen worden opgevat. De memorie van toelichting vermeldt verder nog:
“Ingevolge het tweede lid vertegenwoordigt de mentor de betrokkene op de terreinen genoemd in het eerste lid zowel in als buiten rechte. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de mentor betreft de in het eerste lid genoemde aangelegenheden inclusief de voorbereidende dan wel inleidende fase daarvan. Deze vertegenwoordigingsbevoegdheid is algemeen. Dit impliceert dat de mentor ook ten aanzien van ingrijpende behandelingen in beginsel bevoegd is de betrokkene te vertegenwoordigen. Uiteraard is juist in dergelijke situaties grote omzichtigheid en zorgvuldigheid geboden van zowel de mentor als de behandelende hulpverlener.
Blijkens de laatste zinsnede van het tweede lid kan de mentor in daarvoor in aanmerking komende situaties de betrokkene toestemming verlenen zelf op te treden. Zo is het denkbaar dat het verantwoord en zelfs raadzaam is de betrokkene zelf te laten handelen in bepaalde aangelegenheden, bij voorbeeld ter voorbereiding van zijn terugkeer in de maatschappij.
In het derde lid wordt de met vertegenwoordiging vergelijkbare taak van de mentor ten aanzien van materiële daden die geen rechtshandelingen zijn, beschreven. De mentor treedt in beginsel - voor zover deze daden liggen op de in het eerste lid genoemde terreinen en voor zover plaatsvervullend optreden zich ter zake denken laat - ook ten aanzien van deze feitelijke handelingen op voor de betrokkene. Materiële daden ten aanzien waarvan plaatsvervullend optreden door de mentor ten behoeve van de betrokkene aangewezen zou kunnen zijn, zijn bij voorbeeld het inzien van diens dossier of, binnen zekere grenzen, aangelegenheden als de keuze van een dieetvoeding of vakantiebestemming.
De vertegenwoordigende en plaatsvervullende rol van de mentor brengt, blijkens het voorgaande, met zich dat de mentor - en niet de betrokkene - de gesprekspartner is in de in het eerste lid genoemde aangelegenheden en dat hij het is die de beslissing neemt.”15.
3.14
In de memorie van toelichting wordt ook toegelicht waarom een mentor met een door hem afgegeven bereidverklaring niet kan bewerkstelligen dat een betrokkene onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis wordt opgenomen:
“Van onbevoegdheid van de betrokkene en van vertegenwoordiging ter zake door de mentor, kan uiteraard geen sprake zijn indien wet of verdrag anders zouden bepalen. Een voorbeeld hiervan is te vinden in de hierna bij artikel IV onder A voorgestelde wijziging van het wetsvoorstel Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen: artikel 2, derde en vijfde lid. Volgens dit artikel kan de mentor niet, door een door hem afgegeven bereidverklaring, in plaats van de betrokkene diens vrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis bewerkstelligen. De Grondwet geeft namelijk in de artikelen 10, 11 en 15 waarborgen in verband met vrijheidsbeneming, die in acht genomen dienen te worden. Als betrokkene zich dus tegen opname in een psychogeriatrisch verpleeghuis dan wel in een zwakzinnigeninrichting verzet of niet blijk geeft van de nodige bereidheid indien het de opname in een psychiatrisch ziekenhuis betreft, is een rechterlijke machtiging nodig en mag een mentor opname niet zelf kunnen bewerkstelligen. De wet staat in zo'n geval dus aan vertegenwoordiging door de mentor in de weg.”16.
3.15
In deze zaak heeft de rechtbank in 2017 voor de moeder een mentor benoemd die dus als wettelijk vertegenwoordiger namens de moeder optreedt. Anders dan de zoon stelt, volgt uit de Wzd dat de vertegenwoordiger een verzoek kan doen om een cliënt ontslag te verlenen uit een instelling. De cliënt kan dit verzoek ook zelf doen maar als dit verzoek zonder vertegenwoordiger wordt gedaan, overlegt de zorgaanbieder met de vertegenwoordiger voordat hij besluit tot het verlenen van ontslag (art. 48 lid 2 Wzd). De cliënt kan zich bij het ontslagverzoek laten bijstaan door een cliëntenvertrouwenspersoon. Uit de brief van 12 april 2021 van Burgerkracht Limburg (productie 3) volgt dat er wel contact is geweest met een cliëntenvertrouwenspersoon, maar dat deze ondersteuning aan de zoon heeft geweigerd. Deze weigering is als volgt toegelicht:
“In de kern bent u het eigenlijk niet eens met de zorginstelling en de mentor en wettelijke vertegenwoordiger van uw moeder en kunnen we ons voorstellen dat u om interventie hebt verzocht van een cliëntvertrouwenspersoon. Een cliëntvertrouwenspersoon is er alleen voor cliënten en niet voor hun familie helaas.”
3.16
Uit art. 55 Wzd volgt eveneens dat de cliënt of zijn vertegenwoordiger een klacht kan indienen. Volgens art. 1 onder e Wzd moet onder ‘vertegenwoordiger’ in eerste instantie een wettelijk vertegenwoordiger worden verstaan, en alleen als die ontbreekt kan een schriftelijk gemachtigde onder het begrip vertegenwoordiger vallen.In dit geval heeft noch betrokkene zelf noch de mentor om ontslag gevraagd en een klacht ingediend. Het verzoek om ontslag en de klacht is ingediend door de zoon, die stelt gemachtigd te zijn en de moeder te vertegenwoordigen. Nu betrokkene al een vertegenwoordiger heeft - te weten de mentor - kan de zoon niet ook als vertegenwoordiger van betrokkene optreden. De mentor is op grond van de definitie in art 1 Wzd als de ‘vertegenwoordiger’ te beschouwen en gaat in rangorde voor. De zoon is dus geen vertegenwoordiger in de zin van de Wzd en kan uit dien hoofde geen klacht indienen. De rechtbank heeft naar mijn mening dan ook terecht geoordeeld dat de zoon als vertegenwoordiger/gevolmachtigde van betrokkene niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Om dezelfde redenen is m.i. het beroep in cassatie, ingesteld door de zoon als gemachtigde van betrokkene, niet-ontvankelijk. Dit zou anders zijn geweest als betrokkene zelf de klacht had ingediend geholpen door haar zoon.
4. Inhoudelijke beoordeling van het cassatiemiddel
4.1
Voor zover de Hoge Raad wel toekomt aan behandeling van de inhoudelijk klachten strekken deze tot verwerping.
4.2
Art. 55 Wzd bepaalt dat naast de betrokkene, uitsluitend de ‘vertegenwoordiger’ van de betrokkene een klacht in kan dienen over (onder andere) een beslissing over ontslag als bedoeld in art. 48 Wzd. Een verzoek tot ontslag kan eveneens enkel worden ingediend op verzoek van de betrokkene of zijn vertegenwoordiger. In art. 1 onder e Wzd is bepaald wie de vertegenwoordiger is. Daarin is tevens opgenomen dat indien een vertegenwoordiger ontbreekt anderen als vertegenwoordiger kunnen optreden. In de onderhavige zaak heeft betrokkene wel een wettelijk vertegenwoordiger. Deze wettelijke vertegenwoordiger heeft aangegeven17.niet achter een ontslagverzoek te staan.
4.3
Naast de wettelijk vertegenwoordiger had ook betrokkene zelf een ontslagverzoek kunnen indienen. Zij had zich daarbij kunnen laten bijstaan door een cliëntenvertrouwenspersoon. Vast staat echter dat betrokkene dit verzoek niet zelf heeft ingediend. Terzijde merk ik daarbij nog op dat ook geen ondersteuning van een cliëntenvertrouwenspersoon heeft plaatsgevonden, omdat de ondersteuning kennelijk zag op ondersteuning van de familieleden en niet zozeer op ondersteuning van betrokkene bij dit verzoek. De keuze om een ontslagverzoek en klachtenbevoegdheid enkel toe te staan aan betrokkene of diens vertegenwoordiger lijkt een bewuste keuze van de wetgever. De rechtbank heeft de zoon dan ook terecht niet ontvankelijk verklaard in zijn klacht bij de klachtencommissie. De onderdelen falen dan ook.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑01‑2024
Ontleend aan de in cassatie bestreden beschikking van de rechtbank Limburg van 23 mei 2023.
De procesinleiding is op 23 augustus 2023 via het webportaal van de Hoge Raad ingediend.
De verhouding tussen patiënt, mentor en een andere niet door de rechter benoemde vertegenwoordiger is ook in de Wgbo geregeld. In de Wgbo is gekozen voor een doorslaggevende stem voor curator en mentor. Een competentieconflict tussen een persoonlijk gemachtigde en een niet-benoemde plaatsvervanger kan zich niet voordoen, omdat op grond van art. 7:465 lid 3 BW de persoonlijk gemachtigde vóór de niet-benoemde plaatsvervanger gaat. Zie R.P. Wijne, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:465 BW, aant. 3 en Legemaate in het Handboek Gezondheidsrecht, Boom Juridisch, 2020, p. 150.
Kamerbrief van de Staatssecretaris van 13 maart 2012, Kamerstukken II 2011-2012, 31996, nr. 28, p. 21-22.
Vierde nota van wijziging, Kamerstukken II 2011-2012, 31996, nr. 29, p. 11.
J. Legemaate, De wilsbekwame patiënt en zijn mentor of curator, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2018, afl. 1, p. 49-50.
A.C. Hendriks, ‘Is mijn patiënt wilsonbekwaam?’, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2017(a), B1338 en A.C. Hendriks, ‘Wie beslist over de zorg aan mensen met dementie?’, Nederlands tijdschrift voor geneeskunde, 2017(b), D2150.
O.A.M. Floris, ‘Wettelijke vertegenwoordiging bij wilsonbekwame meerderjarigen binnen de gezondheidszorg’, NJB 2017/2182.
O.A.M. Floris, ‘Wettelijke vertegenwoordiging bij wilsonbekwame meerderjarigen binnen de gezondheidszorg’, NJB 2017/2182.
J. Legemaate, ‘De wilsbekwame patiënt en zijn mentor of curator’, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2018, afl. 1, J. Legemaate (red.), Handboek Gezondheidsrecht, Den Haag: Boom Juridisch, 2020, par. 2.8.1, p. 147.
K. Blankman, Bekwaamheid in het familie- en gezondheidsrecht, in V. Smits e.a., In verbondenheid (opstellen aangeboden aan prof. Mr. P. Vlaardingerbroek, Deventer, Kluwer, 2017, p. 153-168.
J. de Boer, ‘Vermoeden van wilsonbekwaamheid’, Nederlands Juristenblad 1995, p. 1406-1407.
O.A.M. Floris, ‘Wettelijke vertegenwoordiging bij wilsonbekwame meerderjarigen binnen de gezondheidszorg’, NJB 2017/2182.
Per e-mail van 25 maart 2022.
Beroepschrift 23‑08‑2023
Procesinleiding in verzoekschriftzaak
Geeft eerbiedig te kennen
[betrokkene] w.v.[naam], wonende te [woonplaats], voor wie als gemachtigde optreedt [de zoon], haar zoon, te dezer zake te Den Haag woonplaats kiezende aan de Riouwstraat 131, ten kantore van de advocate bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. G.E.M. Later, die door verzoekster als zodanig wordt aangewezen om voor haar in dit rechtsgeding op te treden en die het verzoekschrift voor verzoekster ondertekent en indient en daartoe door verzoekster bepaaldelijk is gemachtigd;
- 1.
Bij beschikking van 23 mei 2023 onder nummer C/03/310067/ BZ RK 22/1986 heeft de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, beslist over een klacht ex artikel 56c Wet zorg en dwang (WZD) op verzoek van de Stichting [de zorginstelling]. Die beschikking met het verzoek van de Stichting [de zorginstelling] van 7 oktober 2022 met 21 producties, de beslissing van de Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg (KCOZ) van 26 augustus 2022 met de achterliggende stukken van de klachtprocedure, het verweerschrift namens verzoekster ingediend per e-mail op 23 november 2022, het proces-verbaal van de zitting van 1 december met pleitnotities van de advocaat, het wrakingsverzoek van 30 november 2022 met de beslissing opvolgende rechterlijke machtiging van 24 juni 2022, de reactie op het wrakingsverzoek van mr. F. Oelmeijer van 20 december 2022, de oproep voor de zitting van 7 januari 2023 alsmede de beslissing van 23 januari, het tweede wrakingsverzoek van 21 februari 2023, verweer van 6 maart 2023, bericht met betrekking tot mondelinge behandeling 27 maart 2023 en de beslissing van de wrakingskamer van 9 mei 2023 legt verzoekster hierbij over.
- 2.
Verweerster is de Stichting [de zorginstelling], gevestigd te [vestigingsplaats], vertegenwoordigd door de advocaten mr. dr. L.A.P.Arends en mr. M. Swelsen kantoorhoudende te Nijmegen aan de Van Schoeck Mathonsingel 4, 6512 AN Nijmegen, correspondentie adres Postbus 55, 6500 AB Nijmegen.
- 3.
De mentor van verzoekster is [belanghebbende 1] h.o.d.n. [A], voor wie [betrokkene 3] ter zitting aanwezig was, correspondentieadres :Postbus [postbus], [postcode] [a-plaats].
- 4.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt de zoon van verzoekster, [de zoon], alsmede de dochter van verzoekster, [de dochter], wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats], Duitsland.1.
- 5.
Verzoekster kan zich met de onderhavige beschikking van 23 mei 2023 niet verenigen en stelt daarvan bij deze — derhalve tijdig — beroep in kassatie in onder aanvoering van het navolgende:
Middel van kassatie
Schending van het recht althans verzuim van vormen waarvan niet inachtneming nietigheid medebrengt, aangezien de Rechtbank Limburg zittingsplaats Roermond, ten aanzien van de klacht ex artikel 56c Wet zorg en dwang in beroep door verweerder sub (1) heeft overwogen , zoals in de beschikking van 23 mei 2023 staat omschreven, en heeft beslist zoals in de beschikking staat beschreven, welke overwegingen en beslissingen als hier herhaald en overgenomen dienen te worden beschouwd, zulks ten onrechte om de navolgende redenen.
I.
Naar uit de bestreden beschikking blijkt heeft de Rechtbank overwogen:
‘….6.2.
De vraag die ter beantwoording aan de rechtbank voorligt is de vraag of de zoon, danwel de kinderen van betrokkene in het kader van artikel 55 Wzd ontvankelijk zijn bij het indienen van een klacht bij de klachtencommissie naar aanleiding van het ontbreken van een reactie op het ontslagverzoek.
6.3.
Bij de beantwoording van die vraag stelt de rechtbank vast dat in artikel 55 Wzd gesproken wordt over de cliënt, zijn vertegenwoordiger of een nabestaande van de cliënt als personen die tot het indienen van een klacht bevoegd zijn. Vaststaat dat de klacht niet door betrokkene zelf is ingediend en er is evenmin sprake van het indienen door een nabestaande. Dat betekent dat de vraag moet worden beantwoord of de zoon en dochter als feitelijk indieners van de klacht, als vertegenwoordigers van betrokkene kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 55 Wzd.
6.4.
Uit de definitie van het begrip vertegenwoordiger in artikel 1 onder e van de Wzd blijkt dat onder het begrip vertegenwoordiger primair de wettelijk vertegenwoordiger moet worden verstaan. Eerst indien een wettelijk vertegenwoordiger ontbreekt kan een door de cliënt gemachtigde, of indien die niet optreedt of ontbreekt, een echtgenoot, geregistreerd partner of levensgezel of indien die ontbreekt of niet optreedt een ouder, kind of ander familielid als vertegenwoordiger optreden.
6.5.
Bij beschikking van 13 juli 2017 is door de kantonrechter te Maastricht een mentor voor betrokkene benoemd. De kantonrechter heeft daarbij het volgende overwogen:
‘De kantonrechter heeft vastgesteld dat er bij de zoon en de dochter grote weerstand bestaat tegen de opname van betrokkene in de kliniek waar ze nu verblijft. Dat is natuurlijk hun goed recht. De kans dat de weerstand zich ook uitstrekt tot de noodzaak van behandeling als zodanig — en daarmee een objectieve houding daartegenover verhindert — acht de kantonrechter dermate hoog, dat hij de benoeming van de zoon en de dochter als mentor(en) evenmin aangewezen acht. Er zal daarom een professionele mentor worden benoemd.’
6.6.
Uit artikel 1:453, eerste en tweede lid BW volgt dat de mentor als wettelijk vertegenwoordiger geldt in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank tevens vast dat de mentor geldt als de vertegenwoordiger van betrokkene in het kader van artikel 55 Wzd. De zoon en dochter van betrokkene waren derhalve niet bevoegd tot het indienen van een klacht.
6.7.
De klachtencommissie heeft naar het oordeel van de rechtbank de zoon (en de dochter) daarmee ten onrechte ontvangen in de klacht. De door verzoekster ingestelde klacht tegen de op 26 augustus 2022 door de klachtencommissie genomen beslissing, acht de rechtbank gegrond.
6.8.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Uit het dossier en de daarbij behorende stukken blijkt genoegzaam dat betrokkene niet in staat is wilsbekwame beslissingen te nemen over onder meer aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Dat houdt ook in dat zij niet wilsbekwaam moet worden geacht anderen te machtigen namens haar verzoeken in te dienen in relatie tot die aangelegenheden. Het machtigen van de zoon en de dochter om een ontslagverzoek in te dienen op grond van artikel 48 Wzd valt daar naar het oordeel van de rechtbank onder. De behartiging van de belangen van betrokkene bij die aangelegenheden zijn voorbehouden aan de door de kantonrechter benoemde mentor …’.
Welke overwegingen naar de mening van verzoekster onjuist zijn althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
(1.1) Positie kinderen wat betreft verblijf in een psychiatrische instelling
Al in de wet BOPZ konden mensen die opgenomen waren in een psychiatrisch ziekenhuis met een volmacht een familielid aanwijzen ten aanzien van zaken betreffende hun rechtspositie. Zie artikel 2 lid 5 Wet Bopz waarin bepaald wordt dat artikel 1:453 BW niet van toepassing is.
Dat is onder de Wzd niet anders.
De mentor heeft niet het recht om in de rechtspositie van de betrokkene te treden. Ongeacht of de mentor het goed vindt of niet, verzoekster kan haar kinderen een volmacht te geven om voor haar op te treden. Verzoekster wilde uitdrukkelijk dat er een ontslagverzoek werd gedaan en heeft dus haar kinderen een volmacht gegeven om een dergelijk verzoek voor haar te doen.
Ook al is de mentor de wettelijk vertegenwoordiger met betrekking tot verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding, dat staat los van de vraag of verzoekster al dan niet met behulp van haar kinderen een ontslagverzoek kan doen. De klachtencommissie heeft dan ook terecht geoordeeld dat de klacht ontvankelijk is en dat beslist moet worden op het ontslagverzoek dat namens verzoekster is gedaan en waarop tot op heden niet beslist is.
(1.2) Overweging met betrekking tot artikel 48 Wzd onjuist althans onbegrijpelijk
In artikel 25 lid 1 Wzd worden diegenen vermeld die een verzoek kunnen doen voor een rechterlijke machtiging. Onder artikel 25 lid 1 onder c Wzd is dat elke meerderjarige bloedverwant in de rechte lijn of de zijlijn tot en met de tweede graad en elke meerderjarig aanverwant tot en met de tweede graad. Dat staat los van het feit dat er ook in artikel 25 lid 1 sub b Wzd ook een vertegenwoordiger wordt genoemd. Het feit dat er in artikel 55 lid 2 Wzd staat vermeld dat de cliënt, zijn vertegenwoordiger of een nabestaande van de cliënt een schriftelijke en gemotiveerde klacht kan indienen bij de klachtencommissie over de nakoming van een verplichting of over een beslissing van de Wzd-functionaris betekent niet dat de zoon en dochter van verzoekster daarmee buitenspel zijn gezet.
In artikel 48 lid 2 Wzd wordt gesproken over een verzoek tot ontslag dat niet wordt gedaan door de vertegenwoordiger van de cliënt, en wordt bepaald dat de zorgaanbieder met de vertegenwoordiger van de cliënt overleg pleegt voordat hij het besluit tot het verlenen van ontslag neemt.
Dat betekent dat ook door anderen een ontslagverzoek kan worden gedaan.
(1.3) Op rechtspraak.nl kan gevonden worden wat een mentor al dan niet kan.
Wat de mentor niet kan is het volgende:
‘Heel persoonlijke zaken die de betrokkene zelf regelt
U mag niet beslissen over zaken van de betrokkene die heel persoonlijk zijn.
Zo mag u geen:
- *
echtscheidingsverzoek indienen
- *
kind laten erkennen
- *
donorregistratie doen euthanasieverklaring opstellen
- *
testament maken
- *
beslissing nemen over de opname in een psychiatrisch ziekenhuis
U kunt wel met de betrokkene meedenken over deze zeer persoonlijke zaken. ’
Als de mentor niet mag beslissen over een opname in een psychiatrisch ziekenhuis is evident dat die mentor ook niet mag beslissen over een verlof of ontslag.
(1.4) Machtiging voor de kinderen van verzoekster
Verweerder heeft als productie 21 de machtiging van verzoekster d.d. 4 januari 2022 ten aanzien van haar kinderen om namens haar een ontslagverzoek, een overdrachtsverzoek in te dienen bij de Zorggroep waar zij tegen haar wil met een rechterlijke machtiging is opgenomen en om voor haar in deze procedure op te treden. Er staat in vermeld dat zij uitdrukkelijk de instelling wenst te verlaten.
In de bijlage bij productie 8 van de zoon van verzoekster aan de zorggroep met betrekking tot het ontslag wordt een beroep gedaan op artikel 6 lid 1 EVRM, artikel 14 lid 1 IVBPR, artikel 17 en 18 GW voor het recht van de betrokkene op een effectieve toegang tot de rechter. Zie ook artikel 13 VN Gehandicaptenverdrag.
De mentor heeft bevoegdheden met betrekking tot verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding, maar uitdrukkelijk niet met betrekking tot de beslissing tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis en dus ook niet ten aanzien van het ontslag.
Ook artikel 8 EVRM kan hier genoemd worden, het recht van verzoekster op familie-en gezinsleven, artikel 1 en 7 Handvest Grondenrechten EU en artikel 23 VN gehandicaptenverdrag.
(1.5) Wraking
Ter zitting van de behandeling van het verzoek van verweerder heeft de zoon van verzoekster de horende rechter gewraakt vanwege vooringenomenheid. Verwezen werd naar de beslissing van dezelfde rechter van 24 juni 2022 waarin een rechterlijke machtiging voor 2 jaar werd verleend. Uit die beslissing blijkt dat de advocaat van verzoekster namens haar heeft gevraagd om de zoon en dochter van verzoekster bij het verhoor aanwezig te laten zijn, hetwelk de rechtbank — dezelfde rechter — heeft geweigerd.
In die beschikking wordt overigens van onjuiste gegevens uitgegaan waar het betreft de duur van voorgaande rechterlijke machtiging.
Uw hoge raad heeft immers beslist op 12 februari 20212. dat die machtiging gold tot en met uiterlijk 6 juli 2022 en dus niet — zoals voor de beslissing van uw hoge raad tot en met 24 juli 2022.
Uit die beschikking blijkt dat verzoekster zich verbaal verzet tegen de opname en het verblijf. Zij wil terug naar huis en mist haar kinderen.3. De wijze waarop zij van haar kinderen wordt afgehouden is een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.
Verzoeksters kinderen wonen in Duitsland. Verzoekster is ook in Duitsland geboren. Het ontslagverzoek waarbij de zorg aan een Duitse zorginstelling wordt overgedragen, op welk verzoek volgens de beslissing van de klachtencommissie terecht beslist moet worden.
dat verzoekster meent dat op grond van het bovenstaande de beschikking voor vernietiging in aanmerking komt en de beslissing van de klachtencommissie bevestigd moet worden;
dat verzoekster procedeert onder toevoeging nr. 3MB3637 van 15 augustus 2023 , van welk toevoegingsbewijs zij kopie overlegt;
Weshalve
Het de Hoge Raad der Nederlanden moge behagen te vernietigen de beschikking van de Rechtbank Limburg zittingsplaats Roermond van 23 mei 2023 met zodanige beschikking als Uw Hoge Raad in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 23 augustus 2023
mr. G.E.M. Later
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑08‑2023
Dat was ook zo in de beslissing van uw hoge raad van 12 februari 2021 nummer 20/03441 in de eerdere kassatieprocedure die verzoekster gevoerd heeft.
Zaaknummer 20/03441
De kinderen mogen verzoekster niet bezoeken en mogen geen persoonlijk maar alleen telefonisch kontakt met haar hebben vanaf 24 november 2022.