Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/9.4
9.4 Wanprestatie
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS585128:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Hof Arnhem 1 maart 2011, NJF 2011/188 (J./Executive Home Rentals).
Kramer 2017, p. 667 heeft dit verschijnsel ook gesignaleerd in het Engelse recht: “It need not be shown that the defendant would in fact probably have exercised that choice zoals het opzeggen van de overeenkomst., only that it could have done, and the court will even ignore evidence that the defendant would not have done so, because the claimant’s loss is only that to which it was entitled from the defendant, not that which it would have actually received.” In dergelijke casus is vanzelfsprekend voor de periode waarover schade dient te worden vergoed ook de gehoudenheid van de gelaedeerde tot schadebeperking (art. 6:101 BW) van bijzonder belang.
465. Ook de reikwijdte van aansprakelijkheid vanwege een tekortkoming in de nakoming van een verplichting uit overeenkomst wordt begrensd door het rechtmatig alternatief. Ook hier is het uitgangspunt dat waar zich laat vaststellen dat met de verplichting uit overeenkomst beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, het bestaan van een rechtmatig alternatief zonder betekenis is. Het in beginsel laten bestaan van aansprakelijkheid voor de schade wordt in dat geval gerechtvaardigd door het doel van de geschonden norm. Niet ter zake doet dan of de schade evengoed zonder de tekortkoming bij uitvoering van de overeenkomst zou kunnen ontstaan.
466. Indien zich echter niet laat vaststellen dat met de norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden en tegelijkertijd duidelijk is dat de schade evengoed zonder de tekortkoming bij uitvoering van de overeenkomst zou kunnen ontstaan, laat zich aansprakelijkheid niet meer rechtvaardigen. Waar de schade in het algemeen evengoed bij onberispelijke uitvoering van de overeenkomst kan ontstaan, is kennelijk niet het doel van de geschonden norm om te beschermen tegen dergelijke schade. Onvoldoende rechtvaardiging bestaat om in zo’n geval aan de schadesituatie een ander rechtsgevolg te verbinden dan in de situatie waarin de schade rechtmatig ontstaat.
In nr. 430 is de Engelse SAAMCO-zaak over aansprakelijkheid van een taxateur van onroerend goed jegens de bank/opdrachtgever als illustratie van deze regel gegeven. Een aardig Nederlands voorbeeld biedt de, ook in nr. 371 besproken, zaak J./Executive Home Rentals. Een expat verhuurde via een professioneel bemiddelingsbureau zijn woning in Nederland. Anders dan overeengekomen voerde het bemiddelingsbureau geen deugdelijk onderzoek uit naar de financiële positie en geschiedenis van een aspiranthuurder. Nadat de woning was verhuurd werd daarin door de huurder een wietplantage gehuisvest die grote schade aan de woning toebracht. Na beëindiging van de huur bleek ook de meeverhuurde inboedel te zijn verdwenen. Toen de expat schadevergoeding van het bemiddelingsbureau vorderde, kwam vast te staan dat wanneer wel een deugdelijk onderzoek zou zijn uitgevoerd aan het licht zou zijn gekomen dat de huurder slechts een WAO-uitkering genoot die ruim onvoldoende was om de huur te betalen en daarnaast reeds lange tijd aanzienlijke schulden had. Het causale verband tussen de tekortkoming van het bureau en de schade was daarmee gegeven: wanneer deze gegevens bekend zouden zijn geweest, zou de woning niet zijn verhuurd. Naar het oordeel van Gerechtshof Arnhem1 kon de schade aan de woning als gevolg van de wietplantage worden toegerekend: gegeven het bekende risico op een huurder met wietplantage, had de geschonden norm juist tot doel dergelijke schade te voorkomen. De schade door het verlies van de inboedel kon naar ‘s hofs oordeel echter niet worden toegerekend: de verhuurder liep namelijk steeds het risico om de inboedel kwijt te raken.
Indien de schade een grote mate van gelijkenis gaat vertonen met schade die wel toerekenbaar is, kan het nodig zijn het hiervoor beschreven uitgangspunt te nuanceren en de schade wel toe te rekenen.
467. Een casustype waarin de grens van het rechtmatig alternatief van belang kan zijn, is voorts de situatie waarin door onaanvaardbaar afbreken van onderhandelingen geen overeenkomst tot stand komt of waarin een overeenkomst wordt opgezegd en vervolgens feitelijk niet meer wordt nagekomen, maar die opzegging achteraf ongeldig blijkt. De vraag kan dan rijzen over welke periode schade dient te worden vergoed.
Van Dam onderhandelt met importeur Greenib over een dealerovereenkomst voor het automerk Hyundai. Nadat partijen een intentieverklaring hebben ondertekend en de dealerovereenkomst zo goed als rond is, breekt Greenib de onderhandelingen af omdat zij meent dat Van Dam haar onjuist heeft geïnformeerd en daardoor niet langer vertrouwen in Van Dam heeft. Wanneer Van Dam Greenib aanspreekt wegens onaanvaardbaar afbreken van onderhandelingen en vergoeding van haar positief contractsbelang vordert, slaagt Greenib er niet in om aan te tonen dat zij onjuist is geïnformeerd en daarmee een gerechtvaardigd belang had bij het afbreken. Op de grond dat het afbreken onaanvaardbaar was, wijst het hof schadevergoeding toe voor een periode van vijf jaar, waarna de overeenkomst opzegbaar zou zijn. Het hof onderzoekt niet of Greenib ook daadwerkelijk de overeenkomst na vijf jaar zou hebben opgezegd. Het arrest van het hof blijft op deze onderdelen in cassatie in stand.2
In een dergelijk geval laat zich mijns inziens uit het bestaan van de opzegmogelijkheid afleiden dat de overeenkomst niet beoogde te beschermen tegen de schade die na het verstrijken van deze periode nog wordt geleden. De opzegmogelijkheid plaatst immers het risico voor de gevolgen van de opzegging bij de opgezegde partij.3