Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.3.3.3
5.3.3.3 “Bestaande rechtsverhouding”
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS474394:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 15 november 1957, NJ 1958/67, m.nt. L.E.H. Rutten (Baris/Riezenkamp); HR 15 januari 1991, NJ 1991/493, m.nt. P. van Schilfgaarde (RVS/Van Scharenburg); en Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1439. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/192.
Vgl. Rongen 2012/939. Zie echter ook Spierings 2013, p. 111-114, die – mijns inziens ten onrechte – meent dat deze rechtsverhouding niet kan dienen als rechtsverhouding in de zin van de art. 3:94 lid 3, 3:239 lid 1 BW en 475 lid 1 Rv.
Zo ook Steneker, noot bij: Rb. Rotterdam 29 augustus 2008, JBPr 2008/62 (Fairmount/Fairstar); en Rongen 2012/939.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/92, over het karakter van de voorovereenkomst.
Schuijling, noot bij Hof ’s-Hertogenbosch 16 augustus 2011, JOR 2012/25 (Rabobank Venray/Sunquality), nr. 4.
Vgl. HR 11 oktober 1985, NJ 1986/68 (Kramer q.q./NMB) en HR 26 maart 1982, NJ 1982/615, m.nt. W.M. Kleijn (SOS/ABN).
Zie nr. 208.
Zo ook Faber 1997, p. 198-199 en Rongen 2012/931.
Rongen 2012/932.
Vgl. HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II).
HR 16 oktober 2015, JOR 2016/20, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.). Zie art. 7:865 BW vooruit volgt dat tussen de schuldenaar en borg een rechtsbetrekking bestaat die mede wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Dit lijkt te volgen uit HR 16 oktober 2015, JOR 2016/20, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.) waar in het kader van de ‘faillissementsbestendigheid’ van een overwaardearrangement de eis wordt gesteld dat de schuldenaar partij is bij de rechtshandeling waaruit de regresvordering van de toekomstig schuldeiser zal voortvloeien. Vgl. ook nr. 206-207 over het grondslagvereiste als een uniforme en zelfstandige maatstaf. Volgens Faber 1995, p. 38, heeft de regresvordering van de hoofdelijk schuldenaar of borg een rechtstreekse grondslag in de wet. Zie ook Faber, in zijn noot bij Rb. Midden-Nederland 8 oktober 2014, JOR 2015/24 (De Lage Landen/Van Logtestijn q.q.). Twijfelend: H.J. Snijders, in zijn noot bij HR 3 juni 1994, NJ 1995/342 (Antillen/Komdeur q.q.), onder 2; en J.L. Snijders 2012, p. 163-164.
Vgl. HR 9 juli 2004, NJ 2004/618, m.nt. P. van Schilfgaarde (Bannenberg q.q./ NMB-Heller), r.o. 4.2.
Vgl. HR 29 februari 2008, NJ 2008/144 (Café Bar Caribbean/Licores Maduro).
Zie Franx in zijn conclusie (nr. 2) voor HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265, m.nt. W.M. Kleijn (Solleveld II) en W.M. Kleijn in zijn noot bij het arrest. Het derdenbeding roept een rechtsverhouding in het leven tussen de stipulator, promissor en derde waaruit (na aanvaarding door de derde) een verbintenis jegens de derde kan ontstaan. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/569. Een derdenbeding hoeft bovendien niet expliciet bedongen te worden. Vgl. HR 1 oktober 2004, NJ 2005/499, m.nt. C.E. du Perron (Taxicentrale Middelburg/Gesink); en Asser/ Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/566.
Vgl. HR 23 januari 1998, NJ 1999/97, m.nt. J.B.M. Vranken (Jans/FCN); HR 14 januari 2000, NJ 2000/307, m.nt. J.B.M. Vranken (Meissner/Arenda); HR 10 juli 2009, JOR 2010/31, m.nt. S. van Dongen, NJ 2010/296, m.nt. P. van Schilfgaarde (Claassen/Interkeukengilde); HR 20 januari 2012, JOR 2012/98, m.nt. S. van Dongen (AgfaPhoto Finance/Foto Noort); HR 3 februari 2012, JOR 2012/201, m.nt. S. van Dongen (Euretco/Naeije); en HR 10 augustus 2012, JOR 2012/341, m.nt. S. van Dongen (Pocorni/Defam). Zie over het leerstuk van samenhangende overeenkomsten onder anderen Verhagen 2007.
209. Uit het grondslagvereiste volgt dat de toekomstige vordering moet kunnen worden herleid tot een reeds bestaande rechtsverhouding. In de regel zal de rechtsverhouding tussen partijen haar oorsprong hebben in een tussen hen gesloten overeenkomst waaruit de vordering zal worden verkregen. De rechtsverhouding tussen de contracterende partijen kan echter al eerder ontstaan. Zo kan worden gewezen op de onderhandelingsfase die aan de overeenkomst vooraf kan gaan. Al door in onderhandeling te treden, komen partijen tot elkaar te staan in een bijzondere, door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding.1 Op een vergelijkbare wijze meen ik dat tussen twee partijen reeds een rechtsverhouding kan ontstaan doordat de ene partij de andere partij een aanbod doet tot het sluiten van een overeenkomst.2 In het verlengde hiervan schept ook een optierecht, waarbij de ene partij zich jegens zijn wederpartij verbindt om een bepaalde overeenkomst te sluiten indien de wederpartij dit wenst (vgl. art. 6:219 lid 3 BW), een rechtsverhouding tussen partijen reeds voordat het beoogde contract tot stand komt.3 Hetzelfde geldt voor een voorovereenkomst, waarbij ten minste één van partijen zich verbindt tot het tot stand brengen van een andere overeenkomst.4
De rechtsband tussen de toekomstig schuldeiser en schuldenaar kan ook een fundament hebben buiten contract. Zo kan de rechtsverhouding voortvloeien uit het rechtspersonenrecht, zoals bij het aandeelhouderschap van een kapitaalvennootschap of het lidmaatschap van een coöperatie.5 Ook kunnen partijen reeds tot elkaar staan in een publiekrechtelijke rechtsverhouding, zoals een belastingplichtige persoon tot de belastingheffende overheid of zoals een subsidieaanvrager tot de subsidieverlenende instantie.6
In het voorgaande zijn steeds typische voorbeelden gegeven van rechtsverhoudingen die de “bron” van de toekomstige vordering vormen en die bestaan tussen de toekomstige schuldeiser en de toekomstige schuldenaar. Onder omstandigheden kan echter ook een rechtsverhouding waarbij een ander dan de toekomstig schuldenaar is betrokken, de grondslag van de toekomstige vordering zijn. Dit doet zich voor bij de toepassing van het grondslagvereiste op relatief toekomstige vorderingen. Zoals hiervoor werd betoogd, vindt het grondslagvereiste ook in dat geval toepassing.7 Dit betekent dat ook deze categorie toekomstige vorderingen rechtstreeks moet worden verkregen door de toekomstige schuldeiser op grond van een dan reeds bestaande rechtsverhouding.8 In de regel zal dit een rechtsverhouding zijn tussen de huidige en de toekomstige schuldeiser. Zo zal bij de overgang van vorderingen door overdracht de titel van deze overdracht tevens de rechtstreekse grondslag voor de verkrijging vormen. Een bestaande koopovereenkomst of factoringovereenkomst kan de onmiddellijke grondslag vormen voor een verkrijging van een toekomstige vordering krachtens cessie.
210. De vraag is of een rechtsverhouding met een derde ook de onmiddellijke grondslag kan vormen voor de verkrijging van een absoluut toekomstige vordering. Met een beroep op het Solleveld II-arrest heeft Rongen verdedigd dat de schuldenaar geen partij hoeft te zijn bij de rechtsverhouding, maar dat de relevante grondslag ook een rechtsverhouding kan zijn tussen de toekomstig schuldeiser en een derde.9
De volgende casus ligt ten grondslag aan het arrest. De besloten vennootschap Solleveld, Romijn & Co heeft twee aandeelhouders: Solleveld en GML Holding BV. Solleveld is tevens enig bestuurder van de vennootschap. De aandeelhouders sluiten een overeenkomst op grond waarvan Solleveld zich verbindt tot het verschaffen van een geldlening aan de vennootschap. Solleveld leent vervolgens een bedrag van f 150.000 van Solleveld-Bouwman op 4 oktober 1973. Tot zekerheid van deze lening cedeert Solleveld diezelfde dag aan Solleveld-Bouwman zijn (toekomstige) vordering op de vennootschap uit hoofde van de doorlening van het bedrag. De cessieakte bevat tevens een verklaring van de vennootschap dat zij het bedrag van f 150.000 uit hoofde van doorlening reeds aan Solleveld is verschuldigd. Op 5 oktober 1973 wordt het bedrag door Solleveld doorgeleend aan de vennootschap. In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft aangenomen dat de gecedeerde vordering reeds ten tijde van de cessie haar onmiddellijke grondslag had in een bestaande rechtsverhouding, mede gelet op de omstandigheid dat Solleveld zich ten tijde van de cessie ten behoeve van de vennootschap reeds jegens zijn mede-vennoot verbonden had tot het verstrekken van de lening aan de vennootschap.10
Het is maar de vraag of uit dit arrest mag worden afgeleid of een rechtsverhouding tussen de schuldeiser en een derde een voldoende grondslag kan opleveren. Naar mijn mening past terughoudendheid bij het trekken van deze conclusie. Als uitgangspunt zou ik willen aannemen dat een vordering haar onmiddellijke grondslag niet kan hebben in een rechtsverhouding tussen andere partijen dan de toekomstige schuldenaar en de schuldeiser van die vordering.
Een voorbeeld hiervan wordt gevormd door de verkrijging van de borg van een regresvordering op de hoofdschuldenaar, zodra hij de schuldeiser voldoet uit hoofde van de borgtocht (art. 7:866 BW). Door het sluiten van de overeenkomst tussen de borg en de schuldeiser komt van rechtswege een rechtsverhouding tot stand tussen de borg en de hoofdschuldenaar.11 De regresvordering van de borg vloeit echter niet steeds rechtstreeks uit deze rechtsverhouding voort, tenzij de schuldenaar partij is bij de borgtochtovereenkomst.12 Een vergelijkbaar voorbeeld is de verkrijging van een vordering door subrogatie. De verkrijging van de vordering vindt haar grondslag in de rechtsverhouding die tot de subrogatie heeft geleid. Deze rechtsverhouding kan het gevolg zijn van een tussen de nieuwe en de oude schuldeiser geldende hoofdelijke verbondenheid (vgl. art. 6:12 BW), in het bijzonder als het gevolg van een borgtocht (vgl. art. 7:850 lid 3 jo. 6:12 BW).13 Er is geen goede reden om wat betreft de gesubrogeerde vordering anders te oordelen dan met betrekking tot de toekomstige regresvordering uit borgtocht. Is de schuldenaar partij bij de rechtshandeling die de grondslag vormt voor de verkrijging uit subrogatie, dan kan men wel spreken van een rechtstreeks voortvloeien uit die rechtsverhouding. Daarvan is bijvoorbeeld sprake bij een contractuele subrogatie op de voet van de art. 6:150, aanhef en onder d, BW. De rechtstreekse grondslag is in dat geval gelegen in de overeenkomst tussen de derde en de schuldenaar strekkende tot subrogatie.14
211. Het is echter niet uitgesloten dat onder omstandigheden de vordering haar onmiddellijke grondslag vindt in een rechtsverhouding tussen de toekomstige schuldeiser en een derde. In de eerste plaats kan een rechtsverhouding tussen de toekomstige schuldeiser en een derde tevens een relevante rechtsverhouding in het leven roepen tussen de schuldenaar en de schuldeiser. Het Solleveld II-arrest biedt hiervan een voorbeeld. In het bijzonder geeft het arrest aanleiding tot het aannemen van een rechtsverhouding tussen de toekomstig schuldeiser (Solleveld) en schuldenaar (de vennootschap) uit hoofde van een derdenbeding (art. 6:253 BW) strekkende tot geldlening in de overeenkomst tussen de schuldeiser (Solleveld) en de derde (GML Holding BV).15 Het aanvaarde derdenbeding kan vervolgens (als een voorovereenkomst van de geldlening) de rechtstreekse grondslag zijn van de kredietvordering.
In de tweede plaats kunnen de rechtsverhoudingen tussen enerzijds de schuldeiser en de derde en anderzijds de schuldeiser en de schuldenaar zo nauw met elkaar zijn verbonden in feitelijk-economisch opzicht, dat het geheel als een samenhangende rechtsverhouding tussen de betrokken partijen kan worden beschouwd. Of daarvan sprake is zal moeten worden beoordeeld door uitleg van de rechtsverhoudingen tussen partijen in het licht van de omstandigheden. De feitelijk-economische samenhang tussen de overeenkomsten kan verscheidene juridische consequenties hebben. De rechtspraak van de Hoge Raad biedt voorbeelden op het gebied van ontbinding, opschorting, nakoming en verjaring.16 De samenhang kan naar mijn mening ook meebrengen dat de rechtsverhouding tussen de schuldeiser en de derde kan worden aangemerkt als dezelfde rechtsverhouding als die tussen de schuldeiser en de schuldenaar, en dat deze rechtsverhouding, zodra zij voldoende concreet is, als de onmiddellijke grondslag voor de toekomstige vordering kan gelden.
In de derde plaats is het denkbaar dat de rechtsverhouding is ontstaan tussen de toekomstig schuldeiser en een derde, maar deze rechtsverhouding – vóór het ontstaan van de vordering – is overgegaan op de toekomstig schuldenaar, bijvoorbeeld als gevolg van contractsoverneming. In dit geval kan worden aangenomen dat de rechtsverhouding tussen de schuldeiser en de derde reeds de bron voor de toekomstige vordering op de schuldenaar bevatte.