HR, 08-06-2018, nr. 17/02362
ECLI:NL:HR:2018:853, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-06-2018
- Zaaknummer
17/02362
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑06‑2018
ECLI:NL:HR:2018:853, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑06‑2018; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2017:1521, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Vindplaatsen
NLF 2018/1325 met annotatie van Jacques Raaijmakers
JOR 2018/232 met annotatie van mr. dr. A.J. Tekstra
FED 2018/164 met annotatie van T.A. Cramwinckel
NTFR 2018/1355 met annotatie van mr. R.B.H. Beune
FutD 2018-1538
Viditax (FutD) 2018060803
Beroepschrift 08‑06‑2018
Belanghebbende:
te dezen vertegenwoordigd door en domicilie kiezende ten kantore van […] advocaat/belastingkundige, kantoorhoudende aan […],
heeft bij brief van 12 mei 2017 beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 6 april 2017 inzake procedurenummer 14/00379 ter zake van de beschikking bestuurdersaansprakelijkheid van 28 november 2012 (beschikkingsnummer [001]) betreffende [A] B.V.
Een afschrift van de besteden uitspraken treft u als productie 1 bij die brief aangetroffen, alsmede als productie 3 het proces-verbaal van zitting van 22 februari 2017.
U heeft voornoemde brief op 15 mei 2017 ontvangen en de ontvangst bij brief van 18 mei 2017 aan ondergetekende bevestigd. U heeft geconstateerd dat de gronden voor het instellen van beroep in cassatie ontbraken. U heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld het geconstateerde verzuim te herstellen en het gevraagde bij de Griffier van de Hoge Raad in te dienen. Belanghebbende maakt bij deze gebruik van de hem geboden gelegenheid.
Belanghebbende kan zich met de bestreden uitspraak niet verenigen. Belanghebbende verzoekt u op grond van hierna te noemen cassatiemiddelen de uitspraak te vernietigen.
1. Inleiding
Het geschil betreft de beschikking bestuurdersaansprakelijkheid van 28 november 2012, waarin belanghebbende als feitelijk bestuurder aansprakelijk is gesteld voor naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting 2010 tot en met 2011 ten name van [A] B.V., welke naheffingsaanslagen door [A] B.V. niet zijn betaald. Het Hof heeft — kort gezegd — geoordeeld dat belanghebbende als feitelijke bestuurder aansprakelijk kan worden gesteld, omdat ter zake van een aantal naheffingsaanslagen geen rechtsgeldige meldingen betalingsonmacht zijn ingediend en ter zake van een aantal naheffingsaanslagen wel rechtsgeldige meldingen betalingsonmacht zijn ingediend, maar het niet betalen de van naheffingsaanslagen is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur zijdens belanghebbende. Daarnaast heeft de Hof in ‘voorafgaande overwegingen’ het ter zitting van 22 februari 2017 voor het eerst gevoerde verweer tegen de omvang van de aan [A] B.V. opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting als tardief aangemerkt.
2. Cassatiemiddel 1
Schending van het recht, in het bijzonder schending van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en het recht op hoor en wederhoor en/of fataal verzuim van vormen nu het Hof een onjuiste beslissing heeft genomen ten aanzien van de inbreng van nadere stukken en het ter zitting van 22 februari 2017 gevoerde verweer omtrent de omvang van de omzetbelastingschuld van [A] B.V. waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld door ten onrechte onder r.o. 4.1 en 4.2 als volgt te overwegen:
‘4.1.
Ter zitting van 22 februari 2017 heeft de gemachtigde, […] namens belanghebbende, voor het eerst de omvang van de aan de BV opgelegde naheffingsaanslag ter discussie gesteld. De Ontvanger heeft bezwaar gemaakt tegen het in behandeling nemen van deze nieuwe stelling, en mocht dat wel gebeuren verzocht om aanhouding van de zaak teneinde hem in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.
4.2.
Het Hof is van oordeel dat deze nieuwe stelling als tardief moet worden aangemerkt, nu deze pas op de vierde zitting is aangevoerd en gesteld noch gebleken is dat deze stelling niet in een eerdere fase van de procedure had kunnen worden betrokken. De behandeling van deze nieuwe stelling zou (wederom) aanhouding van de zaak tot gevolg hebben, aangezien de Ontvanger — naar het Hof aannemelijk voorkomt — niet bedacht behoefde te zijn op deze stellingname en ter zitting niet in staat was om daarop adequaat te reageren. Een afweging van het belang van belanghebbende bij de behandeling van deze nieuwe stelling tegenover het belang van een doelmatige en doelgerichte voortgang van de procedure — mede gelet op de duur van deze procedure en het feit dat al verschillende zittingen hebben plaatsgevonden — leidt tot de conclusie dat de behandeling van die stelling in strijd zou komen met de goede procesorde. Het Hof laat deze nieuwe stelling dan ook als zijnde tardief buiten behandeling.’
3. Toelichting cassatiemiddel 1
Belanghebbende heeft bij aangetekende brief van 9 februari 2017, derhalve tijdig in de zin van artikel 8:58 Awb als productie 12 een afschrift van de brief van 4 januari 2011 van de Belastingdienst betreffende de afwijzende beschikking inzake het verzoek om teruggave van omzetbelasting over de maand oktober 2010 bij het Hof ingediend. Gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van 22 februari 2017 betoogd dat belanghebbende voor een bedrag van € 14.000 niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de naheffingsaanslag omzetbelasting 2010, omdat dit bedrag ten onrechte bij [A] B.V. is nageheven, omdat het betreffende bedrag al middels de afwijzende beschikking ten goede is gekomen van de Belastingdienst.
Uit het proces-verbaal zitting van 22 februari 2017 blijkt dat de voorzitter van het Hof nadat de Ontvanger heeft aangegeven dat hij de onderbouwing bij de nadere stukken tardief is de zitting voor korte tijd voor raadkameroverleg heeft geschorst. Uit deze gang van zaken blijkt, dat de voorzitter het beginsel van hoor en wederhoor niet heeft toegepast alvorens de zitting voor raadkameroverleg te schorsen. De voorzitter heeft derhalve geen wederhoor toegepast alvorens ter zake te beslissen.
Na het raadkameroverleg heeft het Hof het voorlopige oordeel medegedeeld. Nadat de gemachtigde heeft aangegeven het niet eens te zijn met het Hof heeft hat Hof zijn oordeel herhaald. Het Hof heeft daarbij onder andere nagelaten te onderzoeken of de stelling van de Ontvanger dat belanghebbende deze stalling al veel eerder naar voren had kunnen brengen juist is. Het Hof heeft de vraag of daze stelling niet veel eerder naar voren had kunnen worden gebracht niet aan belanghebbende, c.q. zijn gemachtigde gesteld. Belanghebbende heeft gesteld, hetgeen de Ontvanger niet heeft betwist, dat hij via [C] mondjesmaat stukken krijgt. Vast staat dat de onderhavige brief afkomstig is van de Belastingdienst. Belanghebbende had ter zitting de originele brief bij zich. De inhoud van de brief laat aan duidelijkheid niets te wensen over: er is sprake van een eigen verbetering van een eerder ingediende aangifte omzetbelasting. Er is sprake van een ‘verkeerd bedrag aan voorbelasting (…) (€ 15.188 had € 1.188 moeten zijn).’ Diezelfde bedragen worden genoemd op pagina 6 van het Rapport inzake een ingesteld boekenonderzoek bij [A] B.V. van 10 juni 2011. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, valt niet in te zien waarom de Ontvanger na ontvangst en lezing van de brief niet tot dezelfde conclusie kon komen als belanghebbende: de in de naheffingsaanslag omzetbelasting 2010 opgenomen correctie van de voorbelasting is nog vóór het vaststellen van die naheffingsaanslag ten laste van de vennootschap gebracht. De bedragen komen exact overeen.
Dat belanghebbende de hoogte van de aansprakelijkstellingen betwistte, was de Ontvanger en het Hof al duidelijk gemaakt in debrief van 2 februari 2017. Hoewel daarin niet expliciet gesproken is over de onderhavige € 14.000 hadden Ontvanger en Hof zich erop kunnen voorbereiden dat ter zitting van 22 februari 2017 de omvang van de aansprakelijkstelling onderwerp van het partijdebat zou zijn. Het Hof motiveert niet waarom de Ontvanger niet op daze stellingname bedacht hoefde te zijn. Een leespauze zou de procedure niet hebben vertraagd; een korte schriftelijke ronde wel, maar slechts marginaal en niet opwegend tegen het belang van belanghebbende.
Nu het Hof het beginsel van hoor en wederhoor niet heeft toegepast, is belanghebbende geschaad in zijn belangen. Zoals gesteld, stelt de Ontvanger belanghebbende aansprakelijk voor een schuld die niet bestaat.
Het Hof heeft het afschrift van de brief van 4 januari 2011 op grond van het bepaalde in artikel 8:58 Awb toegelaten als stuk, behorende tot het dossier. De Ontvanger heeft tegen inbreng van het betreffende afschrift geen bezwaar gemaakt, slechts tegen de duiding van het stuk ter zitting. Blijkens de mededeling van het Hof na het raadkamerberaad, diende het Hof de inhoud van de brief te beoordelen in het licht van het geschil: de aansprakelijkstelling van belanghebbende. Ook het Hof had na lezing van de brief van 4 januari 2011 en het hiervoor genoemde rapport van 10 juni 2011 de gelijkenis in bedragen moeten zien. Het Hof heeft aan belanghebbende medegedeeld, dat het Hof deze aangelegenheid ‘later in raadkamer’ zou bespreken; immers, er was op 22 februari 2017 sprake van een voorlopig oordeel. Gelet op de omstandigheid dat het Hof de brief van 4 januari 2011 tot de gedingstukken heeft gerekend. Bij het definitieve oordeel diende het Hof te motiveren, waarom het Hof na bestudering van de inhoud van de brief besloten heeft om
- (a)
het onderzoek niet te heropenen en
- (b)
de inhoud van de brief niet te betrekken bij het uiteindelijke oordeel dat belanghebbende terecht en tot een juist bedrag aansprakelijk is gesteld voor onder andere de omzetbelastingschuld van [A] B.V. Nu deze motivering ontbreekt, is de uitspraak van het Hof onbegrijpelijk.
4. Cassatiemiddel 2
Schending van het recht, in het bijzonder schending van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en en/of fataal verzuim van vormen nu het Hof een onjuiste beslissing heeft genomen ten aanzien van het kennelijk onbehoorlijk bestuur door ten onrechte onder r.o. 4.23 als volgt te overwegen:
‘4.23.
Het Hof is — evenals de Rechtbank — van oordeel dat de niet betaling van verschuldigde belasting het gevolg is van aan belanghebbende te wijten onbehoorlijk bestuur. Uit hetgeen is vastgesteld in het overlegde controlerapport, dat door belanghebbende onvoldoende is bestreden, blijkt dat de BV geen deugdelijke administratie voerde. Zo werd niet alle omzet aangegeven en werden facturen ter zake van kosten verwerkt, met daarop vermelde voorbelasting tot een bedrag van € 15.188, terwijl met betrekking daarop door belanghebbende aan de controlerend ambtenaar facturen zijn overgelegd met een voorbelasting van slechts ongeveer € 10.000. Belanghebbende heeft zelf erkend dat de voorbelasting van € 15.188 berust op een schrijffout in een aangifte en dat dit bedrag € 1.188 zou moeten zijn. Dat strookt echter niet met de overgelegde facturen. Dit ondersteunt derhalve de stelling van de controlerend ambtenaar dat de in de administratie verwerkte facturen geen betrekking hebben op reële prestaties die aan de BV zijn verricht. Belanghebbende als feitelijk leidinggevende moet zich hiervan bewust zijn geweest. Aldus is naar het oordeel van het Hof sprake van onbehoorlijk bestuur van de zijde van belanghebbende. De aansprakelijkstelling voor de naheffingsaanslagen waarvoor tijdig melding heeft plaatsgevonden, is terecht.’
5. Toelichting cassatiemiddel 2
Dat de vennootschap desgevraagd facturen heeft overgelegd ‘met een voorbelasting van slechts ongeveer € 10.000’ kan niet als grondslag voor kennelijk onbehoorlijk bestuur gelden, nu de vennootschap deze afschriften van deze facturen heeft overgelegd in het kader van een verzoek om ter zake van de in een aangifte geclaimde voordruk ‘kopieën te overleggen van de hoogste inkoopfacturen die in totaal ongeveer 70 procent van de voorbelasting vertegenwoordigen’. De vennootschap heeft hiermee ongeveer 65% van de geclaimde voordruk gedocumentarieerd. De Belastingdienst had niet gevraagd om 100% van de geclaimde voordruk te documentariëren.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende zich ervan bewust moet zijn geweest dat in de administratie van de vennootschap facturen waren opgenomen die geen betrekking hadden op reële prestaties die aan de vennootschap zijn verricht. Aangezien in het kader van het kennelijk onbehoorlijk bestuur aan belanghebbende persoonlijk een verwijt moet kunnen worden gemaakt, kwalificeert een ‘had moeten’-oordeel niet. Niet vastgesteld is, dat belanghebbende deze facturen in de administratie heeft opgenomen en dat het belanghebbende was die op 19 november 2010 de betreffende afschriften aan de Belastingdienst heeft overgelegd. Naar het oordeel van belanghebbende was sprake van een tikfout in de aangifte omzetbelasting. Door te motiveren als het Hof heeft gedaan, heeft het Hof niet, althans onvoldoende gemotiveerd dat belanghebbende ter zake persoonlijk een verwijt gemaakt kon worden. Daarbij heeft het Hof — zoals ook betoogd is in cassatiemiddel 1 — ten onrechte niet in aanmerking genomen, dat de Belastingdienst het standpunt van belanghebbende heeft geaccepteerd en dat dit standpunt bij brief van 4 januari 2011 aan de vennootschap is medegedeeld terwijl het betreffende boekenonderzoek nog liep.
Het Hof heeft geoordeeld dat uit het onderzoeksrapport blijkt, dat de vennootschap niet alle omzet zou hebben aangegeven. Dit oordeel is onbegrijpelijk omdat uit het onderzoeksrapport blijkt dat de omzet over de maanden januari tot en met oktober 2010 is aangegeven, terwijl de Belastingdienst voor de maanden november en december 2010 is uitgegaan van ‘ambtshalve bepaalde omzet’, zonder dat ter zake in het onderzoeksrapport is vastgesteld dat de vennootschap over die maanden omzet gerealiseerd zou hebben. Aldus is niet vastgesteld dat de vennootschap niet alle omzet over 2010 heeft aangegeven.
6. Conclusie
Belanghebbende verzoekt U.E. de uitspraak van het Hof te casseren en de zaak te verwijzen naar een ander Hof, zodat onder andere hoor en wederhoor alsnog plaatsvinden. Belanghebbende verzoekt U.E. de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de proceskosten en hem te gelasten het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.
In afwachting van uw bericht,
Uitspraak 08‑06‑2018
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkstelling. Art. 36, lid 3, IW 1990. Oordeel dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur met betrekking tot loonheffing en omzetbelasting in de periode 2011-2012 is ontoereikend gemotiveerd met de verwijzing naar een controlerapport inzake de omzetbelasting over het jaar 2010.
Partij(en)
8 juni 2018
nr. 17/02362
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 april 2017, nr. 14/00379, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/2477) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor de van [A] B.V. te [Z] nageheven loonheffing en omzetbelasting over de periode 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2012 en daarmee samenhangende bedragen aan boete, rente en kosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
Middel 1 kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.2.1.
Middel 2 richt zich tegen het oordeel van het Hof, inhoudende dat het aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van belanghebbende is te wijten dat de door [A] B.V. (hierna: de BV) verschuldigde loonheffing over de periode 1 juni 2011 tot en met 31 maart 2012 en de door de BV verschuldigde omzetbelasting over de maanden juli en december 2011 niet (volledig) zijn betaald.
2.2.2.
Kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 36, lid 3, van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet) doet zich voor als de bestuurder van een lichaam heeft bewerkstelligd dat belastingschulden van dat lichaam onbetaald bleven en hij zich ervan bewust was of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelingen of gedragingen tot gevolg zouden hebben dat te weinig belasting zou worden betaald (vgl. HR 14 augustus 2015, nr. 13/01940, ECLI:NL:HR:2015:2161, BNB 2015/207, en HR 4 februari 2011, nr. 09/03451, ECLI:NL:HR:2011:BP2982, BNB 2011/109).
2.2.3.
Ter onderbouwing van zijn hiervoor in 2.2.1 vermelde oordeel heeft het Hof gewezen op een rapport dat is opgemaakt van een bij de BV ingesteld onderzoek betreffende de omzetbelasting over het jaar 2010. Volgens het Hof blijkt uit dat rapport dat de BV geen deugdelijke administratie voerde, aangezien niet alle omzet werd aangegeven, en dat de in de administratie verwerkte facturen geen betrekking hebben op reële prestaties die aan de BV zijn verricht.
Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kunnen het voormelde rapport betreffende de omzetbelasting over het jaar 2010 en de daarop gebaseerde overwegingen van het Hof niet het oordeel dragen dat belanghebbende als bestuurder van de BV door zijn onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan de in artikel 36, lid 2, van de Wet bedoelde melding van betalingsonmacht, heeft bewerkstelligd dat de door de BV verschuldigde loonheffing over de periode 1 juni 2011 tot en met 31 maart 2012 en de door de BV verschuldigde omzetbelasting over de maanden juli en december 2011 niet (volledig) zijn betaald. Evenmin kan dat een en ander het oordeel dragen dat belanghebbende zich ervan bewust was of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelingen of gedragingen in die periode tot gevolg zouden hebben dat deze loonheffing en omzetbelasting niet (volledig) zouden worden betaald. Middel 2 slaagt derhalve.
2.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2004 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.