Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.5.2.4.1
5.2.4.1 Erfrechtelijke verkrijgingen waar de uitsluitingsclausule aan kan worden verbonden
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948200:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 224 en De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 138. Zij wijzen erop dat in de praktijk nog wel eens ten onrechte wordt gesproken van ‘geclausuleerde makingen en giften’. Deze benaming impliceert ten onrechte dat het niet mogelijk zou zijn om een verkrijging krachtens erfrecht bij versterf onder een uitsluitingsclausule te laten plaatsvinden. Door in een testament de wettelijke verervingsregels in stand te laten, maar er een uitsluitingsclausule aan te verbinden, erft de erfgenaam zijn wettelijke versterferfdeel, maar zal dit niet in de huwelijksgemeenschap vallen waarin hij is gehuwd.
Zie paragraaf 4.3 van hoofdstuk 7 en vgl. paragraaf 3.2.2 hiervóór.
Deze vraag moet onderscheiden worden van de vraag of een uitsluitingsclausule een erfrechtelijke verkrijging ‘inferieur’ maakt in de zin van artikel 4:72 BW. Dat is vooral van belang als de legitimaris wil verwerpen en een beroep wil doen op de legitieme portie in geld (zie artikel 4:79 BW). Als in dat geval de uitsluitingsclausule, die aan de erfrechtelijke verkrijging is verbonden, deze verkrijging ‘inferieur’ zou maken in de zin van artikel 4:72 BW, zou dat betekenen dat de verwerpende legitimaris zich op grond van artikel 4:72 sub a BW ongestraft van de geclausuleerde bevoordeling kan ontdoen, omdat deze verkrijging dan niet als ‘vrij en onbezwaard’ kan worden aangemerkt. Waar onder het oude erfrecht geen unanimiteit over deze kwestie bestond, wordt onder het nieuwe erfrecht algemeen geconcludeerd tot niet-inferioriteit. Daarbij wordt dan geredeneerd dat de uitsluitingsclausule simpelweg niet onder de limitatieve bezwaren van artikel 4:72 e.v. BW valt te scharen. Zie hierover Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 224; Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/176-177; C.A. Kraan, Het huwelijksvermogensrecht 2022, p. 130 en L.C.A. Verstappen & W.D. Kolkman, ‘De uitsluitingsclausule en de legitieme portie’, WPNR 2006/6651.
Zie voor een goede uiteenzetting van de verschillende standpunten Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 231-234.
Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/292; Asser/Perrick 4 2017/361; Van Mourik en Schols, Relatievermogensrecht (Mon. Pr. nr. 12) 2021/47.6 en P. Blokland, ‘Rechtsvraag’, FTV 2008/27.
Zie C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 129-130 en het naschrift van C.A. Kraan bij P. Blokland, ‘Rechtsvraag’, FTV 2008/27.
Zie L.C.A. Verstappen & W.D. Kolkman, ‘De uitsluitingsclausule en de legitieme portie’, WPNR 2006/6651. Zij schrijven: “De wet bepaalt niet expliciet of een uitsluitingsclausule al dan niet verbonden kan worden aan de vordering uit een legitimair tekort. Uit de formulering van de wetsbepalingen over de uitsluitingsclausule in Boek 1 BW lijkt te volgen dat dat wel mogelijk is, terwijl Boek 4 BW in alle talen zwijgt over deze kwestie. Voor zover de uitsluitingsclausule zou dwingen, is zij voor de verkrijger belastend. Die belasting laat de regeling van de legitieme niet toe. Voor zover de clausule niet als een last wordt ervaren, zal geen bezwaar bestaan om hem aan de legitimaire vordering te verbinden. Voor zover dat niet het geval is, zal de wil van de erflater of de schenker moeten plaatsmaken voor die van de echtelieden. Dit betekent dat de uitsluitingsclausule weliswaar aan de legitimaire vordering verbonden kan worden, maar dat de clausule geen dwingende werking heeft. Anders geformuleerd: echtgenoten kunnen toch bepalen dat de legitimaire vordering in de huwelijksgemeenschap valt dan wel in een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenplicht wordt betrokken. Wij geven gaarne toe dat aan deze tussenoplossing een zeker opportunisme niet kan worden ontzegd.” Zie ook Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 233.
Zie C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 129-130 en zijn naschrift bij P. Blokland, ‘Rechtsvraag’, FTV 2008/27.
Zie over deze rechtsgrond voor de uitsluitingsclausule Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 62-63 en Van Mourik & Schols, Relatievermogensrecht (Mon. Pr. nr. 12) 2021/47.1, beiden onder verwijzing naar A.R. de Bruijn (diss. 1945), p. 64-76. Vgl. voorts C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 129; De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 138-139; B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR2) 2011, p. 16-17 en Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/169.
Vgl. C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 129-130 en het naschrift van C.A. Kraan bij P. Blokland, ‘Rechtsvraag’, FTV 2008/27. Zie voor de term ‘schoon verkrijgen’ Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 233.
Zie in gelijke zin C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 129 en het naschrift van C.A. Kraan bij P. Blokland, ‘Rechtsvraag’, FTV 2008/27. Zie anders L.C.A. Verstappen & W.D. Kolkman, ‘De uitsluitingsclausule en de legitieme portie’, WPNR 2006/6651 en Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 233. Zij menen dat ook voor de andere wettelijke rechten geldt dat daaraan een uitsluitingsclausule kan worden verbonden, maar dat ook deze geen dwingende werking heeft.
363. Artikel 1:94 lid 4 BW en artikel 1:94 lid 2 sub a oud BW spreken beide over ‘goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij gift is bepaald dat zij buiten de huwelijksgemeenschap vallen’. Daarmee is nog niet direct helder aan welke erfrechtelijke verkrijgingen en welke giften de uitsluitingsclausule kan worden verbonden. Bij erfrechtelijke verkrijgingen staat in ieder geval buiten kijf dat een uitsluitingsclausule kan worden verbonden aan de goederen die krachtens het wettelijk versterferfrecht worden verkregen, de goederen die krachtens making verkregen worden (erfstelling of legaat), en aan hetgeen wordt verworven door lastbevoordeling.1 Daarbij geldt wel dat bij het legaat de uitsluitingsclausule uitsluitend aan het vorderingsrecht is verbonden, waarna het op dat vorderingsrecht geïnde vervolgens op grond van artikel 1:94 lid 4 oud BW buiten de algehele wettelijke gemeenschap van goederen valt.2 Omdat de wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW onlosmakelijk zijn verbonden aan de positie van de kinderen als wettelijk erfgenaam, en ten aanzien van deze wilsrechten testeervrijheid geldt (zie artikel 4:25 lid 6 BW), is een uitsluitingsclausule die bij testament aan de verkrijging krachtens wettelijk versterferfrecht is verbonden ook aan deze versterferfrechtelijke wilsrechten verbonden. Datzelfde kan worden bepleit voor de vordering die door uitoefening van deze wilsrechten ontstaat, en hetgeen door inning van die vordering wordt verkregen. Betwijfeld kan evenwel worden of de uitsluitingsclausule toch niet uitsluitend aan het wilsrecht zélf kan worden verbonden. De vordering die door uitoefening van het wilsrecht ontstaat, behoort immers niet tot het vermogen van erflater, zodat hij daar ook niet over kan ‘beschikken’ en daar dus ook geen uitsluitingsclausule aan kan verbinden (vgl. mijn opmerkingen in paragraaf 5.2.5 hierna over het (ontkennende) antwoord op de vraag of aan vruchten van nagelaten goederen een uitsluitingsclausule kan worden verbonden). De goederen die op grond van artikel 4:19-4:22 BW moeten worden overgedragen, betreffen op grond van artikel 4:24 lid 1 BW echter wel weer goederen die deel hebben uitgemaakt van de nalatenschap van erflater. Over deze goederen kon erflater dus wél ‘beschikken’, en aan de verkrijging van die goederen zou hij dus wél een uitsluitingsclausule hebben kunnen verbinden. Zou men aannemen dat een uitsluitingsclausule uitsluitend aan het wilsrecht zélf kan worden verbonden, dan geldt dat de vervanging van het wilsrecht door de vordering, en de vervanging van de vordering door het geïnde, in ieder geval worden beheerst door (analoge toepassing van) artikel 1:94 lid 4 oud BW. Alsdan vallen de vordering en het daarop geïnde op die grond buiten de huwelijksgemeenschap, ook al kwalificeert de uitoefening van een wilsrecht strikt genomen niet als ‘de inning van een vordering’ als bedoeld in artikel 1:94 lid 4 oud BW/artikel 1:94 lid 6 BW.3
364. Een stuk minder zeker dan bij de erfrechtelijke verkrijgingen die hiervóór aan de orde kwamen, is het antwoord op de vraag of een uitsluitingsclausule ook kan worden verbonden aan de legitimaire vordering ingeval een legitimaris of erfgenaam tekortkomt, of in geval van een onterfde legitimaris dan wel een verwerpende legitimaris.4, 5 Sommigen menen dat een uitsluitingsclausule ook aan de vordering uit een legitimair tekort kan worden verbonden.6 Anderen menen van niet.7 Verstappen en Kolkman hanteren een tussenoplossing. Zij bepleiten dat een erflater ook aan de vordering uit een legitimair tekort een uitsluitingsclausule kan verbinden, maar dat deze geen dwingende werking heeft.8 Ik sluit mij aan bij de opvatting van Kraan dat een uitsluitingsclausule niet aan de vordering uit een legitimair tekort kan worden verbonden.9 De rechtsgrond voor een uitsluitingsclausule is gelegen in de vrijwilligheid die aan de verkrijging van een erflater of gever ten grondslag ligt. De erflater, die ook niet, of anders had kunnen beschikken of geven, moet vrij blijven om aan de erfrechtelijke verkrijging of gift voorwaarden te verbinden. Daarom is het (ook) toegestaan dat hij bepaalt dat het door hem nagelaten of gegeven niet in de huwelijksgemeenschap valt waarin de erfgenaam of begiftigde is gehuwd.10 De legitieme vloeit echter niet voort uit de vrije wil van de erflater. Het is geen verkrijging die de erflater heeft gewild of bewerkstelligd. Het is een wettelijk recht waar de erflater geen enkele invloed op heeft. Om die reden kan de vordering uit het legitimair tekort ook niet onder de werking van een uitsluitingsclausule worden gebracht. De legitimaris dient deze vordering ‘schoon’ te kunnen verkrijgen.11 Precies hetzelfde geldt vervolgens voor de ‘andere wettelijke rechten’ van Afdeling 4.3.2 BW. Ook dit zijn dwingendrechtelijke rechten, waarvan op grond van artikel 4:41 BW niet bij uiterste wilsbeschikking kan worden afgeweken. Ook deze rechten vloeien dus niet voort uit de vrije wil van de erflater, en ook deze zijn daarom niet onder de werking van een uitsluitingsclausule te brengen.12