Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/4.2
4.2 Twee extreme standpunten
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491161:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 310-311.
Zie bijvoorbeeld bij mede-eigendom: Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/605, 614; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/173, 204. Zie uitgebreide literatuurverwijzingen verderop in dit proefschrift.
Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 310-311.
Zie over het tiendrecht ook §4.4.
Hof Arnhem 4 februari 1891, W 6007; hof ’s-Hertogenbosch 9 september 1884, W 5194 (Van Slingelandt/Laane); hof ’s-Hertogenbosch 8 maart 1881, W 4676 (Domeinen/De Rooij); (vonnis a quo) rb. Breda 5 juni 1883, W 4928. Vgl. De Bussy 1914.
Vgl. HR 29 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6651 (Hoogovens/Matex); Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/419-422; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/153-154.
Vgl. HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1694(IN Lease/Dynamic Air); HR 18 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0805 (Provincie Groningen/Vebervis); Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/385; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/145, 284; Asser/Sieburgh 6-III 2018/99-100, 158-161; J.C.T.F. Lokin 2015.
Vgl. Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/284.
40. Er kunnen twee extreme standpunten worden onderscheiden bij de beantwoording van de vraag, in welke gevallen een eigenaar volgens het geldende Nederlandse recht beperkte rechten op zijn eigen zaak kan hebben:
een eigenaar kan nooit beperkte rechten op zijn eigen zaak hebben, behoudens de uitdrukkelijk in de wet geregelde gevallen;
een eigenaar kan steeds beperkte rechten op zijn eigen zaak hebben (verkrijgen en vestigen). Net zoals dat in het Duitse recht kan bij onroerende zaken.
De beide standpunten hebben de charme van de eenvoud en bieden veel rechtszekerheid. Eenvoudig kan worden vastgesteld of een beperkt recht op een eigen zaak kan rusten. Geen van beide standpunten sluit echter aan bij het systeem van het recht. Standpunt a. is moeilijk te verenigen met hetgeen wordt opgemerkt in de parlementaire geschiedenis over de ratio van het tenietgaan van beperkte rechten door vermenging:
“De ratio van de regel dat een beperkt recht door vermenging tenietgaat, is dat een voor de rechtspraktijk ongewenste onoverzichtelijkheid van de rechtstoestand van goederen het gevolg zou zijn, indien een beperkt recht na met het hoofdrecht in één hand te zijn verenigd zonder voldoende reden rechtens afzonderlijk zou blijven voortbestaan. Licht zou dan b.v. bij latere overdracht misverstand over hetgeen overgedragen werd, kunnen ontstaan.”1
Beperkte rechten op een eigen zaak behoren niet ‘zonder voldoende reden’ te blijven voortbestaan, omdat anders een onoverzichtelijke rechtstoestand kan ontstaan. Dat zou voor de rechtspraktijk onwenselijk zijn. Hieruit blijkt dat het uitgangspunt dat beperkte rechten niet op een eigen zaak kunnen rusten, een doelmatige, ordenende insteek heeft. Het uitgangspunt heeft geen normatieve achtergrond. Beperkte rechten op een eigen zaak worden niet als fout of moreel verwerpelijk gezien. Die doelmatigheidsgedachte brengt mee dat het uitgangspunt dat beperkte rechten niet op een eigen zaak kunnen rusten, niet heel strikt toegepast behoeft te worden. Er is enige ruimte om beperkte rechten op een eigen zaak toe te staan als daar ‘voldoende reden’ voor is, ook buiten de uitdrukkelijk in de wet geregelde gevallen. In de literatuur wordt in bepaalde gevallen ook aangenomen dat een eigenaar beperkte rechten op zijn eigen zaak kan hebben buiten de in de wet geregelde gevallen.2
Bij standpunt b. wordt het uitgangspunt losgelaten dat beperkte rechten niet op een eigen zaak kunnen rusten. Dat standpunt zou aansluiten bij de Duitse regeling voor beperkte rechten op onroerende zaken (zie §3.2 en 3.3). Standpunt b. zou echter moeilijk zijn te verenigen met het systeem van het recht, omdat dat uitgangspunt wel ten grondslag ligt aan dat systeem (zie §1.2). Dit blijkt onder andere uit de wettelijke omschrijvingen van verschillende beperkte rechten (het zijn rechten op zaken of goederen van een ander, art. 3:201, 5:85 lid 1 en 5:101 lid 1 BW), uit de regel dat beperkte rechten door vermenging tenietgaan (art. 3:81 lid 2, aanhef en onder e BW), en uit de hiervoor geciteerde passage uit de parlementaire geschiedenis. Beperkte rechten zouden volgens dat standpunt op een eigen zaak kunnen rusten, ongeacht of daarvoor ‘voldoende reden’ bestaat. Standpunt b. is naar mijn mening wel wenselijk recht (zie §11.11).
De opmerking in de wetsgeschiedenis dat ‘misverstanden’ zouden kunnen ontstaan bij beperkte rechten op een eigen zaak,3 vind ik niet overtuigend. Bij registergoederen blijkt uit de openbare registers welke beperkte rechten op een goed rusten. Bij een overdracht wordt in de notariële akte van levering (art. 3:89 BW) vermeld op welke rechten de overdracht betrekking heeft. In een ver verleden zijn wel misverstanden ontstaan bij het tiendrecht (een oud zakelijk recht dat de rechthebbende aanspraak gaf op (in beginsel) een tiende gedeelte van de vruchten van het bezwaarde perceel, art. 788 oud BW).4 Dat recht werd soms stilzwijgend voorbehouden bij de overdracht van de eigendom van een stuk grond. In die gevallen kon onduidelijk zijn of de verkrijger de eigendom bezwaard of onbezwaard had verkregen.5 Tegenwoordig kunnen beperkte rechten niet meer stilzwijgend worden voorbehouden.6 Er kunnen zich daarbij dus ook geen misverstanden meer voordoen.
Bij niet-registergoederen kan derdenbescherming uitkomst bieden als op het overgedragen goed, beperkte rechten zouden blijken te rusten waarmee de verkrijger niet bekend is en ook niet bekend behoort te zijn (art. 3:36, 3:86 lid 2 en 3:238 lid 2 BW). Stel bijvoorbeeld dat een eigenaar een recht van vruchtgebruik zou hebben op zijn eigen roerende zaak, niet-registergoed. Hij draagt uitsluitend de bezwaarde eigendom van de zaak over. Het vruchtgebruik gaat door derdenbescherming teniet als de verkrijger niet bekend was met het vruchtgebruik en ook niet bekend daarmee behoorde te zijn (art. 3:86 lid 2 BW). Ik zou willen aannemen dat derdenbescherming in zulke gevallen ruimhartig toegepast mag worden. Een verkrijger heeft in beginsel geen onderzoeksplicht naar mogelijke beperkte rechten die de eigenaar op zijn eigen zaak heeft.7 Hij hoeft in beginsel geen rekening ermee te houden dat de vervreemder een beperkt recht op zijn eigen zaak heeft. Bij de vestiging van een pandrecht op een zaak waarop een beperkt recht van de eigenaar blijkt te rusten, brengt derdenbescherming mee dat rangwisseling optreedt (art. 3:238 lid 2 BW). In gevallen waarin art. 3:86 lid 2 en 3:238 lid 2 BW niet van toepassing zijn, kan art. 3:36 BW uitkomst bieden. Volgens die bepaling kan tegenover een derde die op grond van een verklaring of gedraging − kort gezegd − te goeder trouw het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking heeft aangenomen, door degene over wiens verklaring of gedraging het gaat, op de onjuistheid van die veronderstelling geen beroep worden gedaan. De verkrijger heeft in dit verband te gelden als een ‘derde’, omdat hij niet betrokken was bij de vestiging of de verkrijging van het beperkte recht door de eigenaar.8 Ik zou willen aannemen dat een verkrijger in beginsel erop mag vertrouwen dat op het overgedragen of bezwaarde goed geen beperkte rechten van de vervreemder rusten, tenzij hij daarvan op de hoogte was. Het zou nogal wrang zijn als een vervreemder bij de overdracht niet meldt dat hij op de over te dragen zaak een beperkt recht heeft, en dat hij vervolgens dat recht succesvol zou kunnen tegenwerpen aan de verkrijger van de eigendom.9