Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/4.2.4.1
2.4.1 Het enquêterecht
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS385225:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
OK 5 oktober 2005, JOR 2005/296 m.nt. Leijten.
Zie over deze zaak verder Van Gemerden 2006 en Zaal 2009.
OK 5 augustus 2008, ARO 2008, 134 en OK 6 juli 2009, ARO 2009, 118.
HR 16 april 2010, JOR 2010/223 m.nt. Winters en Stegerhoek.
OK 12 januari 2010, JOR 2010/61 m.nt. De Bres.
In vergelijkbare zin: OK 21 april 2010, ARO 2010, 66 (Pebblestone): de omstandigheid dat een aantal werknemers de onderneming had verlaten kon, bij gebrek aan aanwijzingen dat nog sprake is van een groot verloop onder het personeel, geen gegronde twijfel aan een juist beleid opleveren. Zie voorts OK 23 juni 2010, ARO 2010, 101 (Future Share): het enkele feit dat de ondernemingsraad het vertrouwen in het bestuur van de vennootschap heeft opgezegd wegens het gevoerde beleid is op zich onvoldoende reden om aan een juist beleid te twijfelen. Zie verder: Nunes en Zwemmer 2011, p. 72.
OK 15 april 2010, ARO 2010, 64.
Het enquêterecht lijkt bij uitstek een geschikt middel om invloed op de strategie uit te oefenen: in de procedure staat het beleid van de vennootschap als geheel centraal, vergeleken met de beroepsprocedure van artikel 26 WOR, waarin het gaat om een – afgezonderd – strategisch besluit. Het enquêterecht kent daarnaast een aantal (onmiddellijke) voorzieningen, die het mogelijk maken rechtstreeks in te grijpen in het beleid of de organen die dat beleid bepalen. De ondernemingsraad heeft niet zelfstandig de bevoegdheid een enquêteverzoek in te dienen: deze kan hem bij statuten of overeenkomst worden toegekend (artikel 2:346 onder c BW). Mij zijn geen gevallen bekend waarin de raad deze bevoegdheid bij de statuten van de vennootschap heeft gekregen. Uit een aantal uitspraken blijkt op welke wijze de ondernemingsraad dit recht, na het bij overeenkomst te hebben verkregen, heeft kunnen benutten en welke effecten dit heeft gehad op het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
In de zaak Stichting Kinderopvang Nederland procedeerde de ondernemingsraad over een diepgaand geschil tussen het bestuur en de raad van commissarissen over een fusie, hetgeen leidde tot het gelasten van een onderzoek en de benoeming van een commissaris met doorslaggevende stem in de raad van commissarissen. In de zaak Smit Transformatoren,12 een structuurvennootschap met een onderneming op het gebied van industriële transformatoren, ageerde de ondernemingsraad tegen het optreden van een Duitse investeringsmaatschappij over te betalen adviesvergoedingen, een voorgenomen ontslag van het bestuur en het optreden van de raad van commissarissen. In tegenstelling tot de zaak Stichting Kinderopvang Nederland werd in die procedure uitgebreid verweer gevoerd tegen de ontvankelijkheid van de ondernemingsraad. De Ondernemingskamer heeft dit verweer verworpen en overwoog onder meer dat aan het toekennen van de enquêtebevoegdheid aan de raad niet in de weg stond dat instelling van een ondernemingsraad gericht is op overleg met de ondernemingsleiding. Volgens de Ondernemingskamer pleitte de omstandigheid dat de raad ook het belang van de onderneming als zodanig in aanmerking dient te nemen juist voor toekenning van de enquêtebevoegdheid. Zij gelastte een onderzoek en benoemde, bij wijze van onmiddellijke voorziening, een door haar aangewezen commissaris tot voorzitter van de raad van commissarissen, schorste het besluit van de raad van commissarissen om één van de aan de Duitse investeringsmaatschappij gelieerde personen tot zijn voorzitter te benoemen en verbood de raad van commissarissen het bestuur te schorsen of te ontslaan.34
Bij Sijthoff Planetarium, een onderneming die zich onder meer toelegde op de exploitatie van een filmtheater (Omniversum), was een interim-bestuurder aangesteld om Omniversum weer financieel gezond te maken. Daarbij waren afspraken gemaakt dat aandeelhoudster Sijthoff op afstand van de bedrijfsvoering zou blijven en zich niet zou inlaten met het bestuur van Omniversum. Sijthoff schond deze afspraak en sloot een raamovereenkomst met WMZ, een investeringsmaatschappij, die onder meer voorzag in de verkoop door Omniversum van zijn theatergebouw. De Ondernemingskamer overwoog dat de handelingen van Sijthoff niet alleen in strijd waren met de afspraken, maar bovendien een aantasting waren van de continuïteit van Omniversum en moesten worden gekwalificeerd als belangenvermenging. Volgens de Ondernemingskamer had Sijthoff ervoor gekozen om op eigen houtje, buiten het zicht van de andere stakeholders van Omniversum en met miskenning van hun belangen, zijn eigen, weinig concrete, plannen na te jagen. De schorsing van de interim-bestuurder werd daarom door de Ondernemingskamer ongedaan gemaakt en nieuwe, door Sijthoff benoemde bestuurders werden geschorst. Bovendien werd bij onmiddellijke voorziening eveneens de overdracht ten titel van beheer van de aandelen van Omniversum bevolen.56
In de kwestie inzake de Amsterdamsche Huizenhandel en Administratiemaatschappij (AHAM), een vastgoedonderneming, werd de enquêtebevoegdheid niet aan een ondernemingsraad, maar aan een personeelsvertegenwoordiging toegekend. De door de personeelsvertegenwoordiging verzochte enquête leidde in de eerste fase tot het bevelen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen. De Ondernemingskamer overwoog dat de meerderheidsaandeelhoudster van AHAM op geen enkele manier duidelijk had weten te maken welke kritiek in redelijkheid kon worden geuit op het huidige bestuur en legde, bij wijze van onmiddellijke voorziening, het verbod op om tot ontslag over te gaan. Het cassatieberoep tegen deze beschikking werd door de Hoge Raad verworpen.78 In zijn conclusie wijst advocaat-generaal Timmerman op het consultatiedocument ter voorbereiding op het wetsvoorstel wijziging enquêterecht, waarin de minister expliciet refereerde aan de mogelijkheid de bevoegdheid toe te kennen aan de ondernemingsraad, de Europese ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging, en waarin de minister overwoog om ook aan de vennootschap de bevoegdheid te geven om een enquête te verzoeken. In de tweedefasebeschikking910 werden de verzoeken van de personeelsvertegenwoordiging afgewezen. De Ondernemingskamer overwoog dat uit het onderzoek een ander beeld naar voren kwam dan tijdens de eerstefasebeschikking het geval was en dat weliswaar een impasse was ontstaan, maar dat deze niet de kwalificatie van wanbeleid rechtvaardigde.
De Ondernemingskamer concludeerde tot afwijzing van een verzoek tot het gelasten van een onderzoek van de personeelsvertegenwoordiging van Van Seerden, een onderneming op het gebied van industriële verpakkingen, volgend op een haar door het bestuur van de vennootschap toegekende enquêtebevoegdheid. Ook hier was een geschil ontstaan over het ontslag van een bestuurder door de algemene vergadering en de benoeming van andere bestuurders. De Ondernemingskamer stelde vast dat de beantwoording van de vraag of er voldoende gewichtige redenen waren voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen Van Seerden en zijn bestuurder was voorbehouden aan de gewone burgerlijke rechter. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer had de personeelsvertegenwoordiging onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid, of van een stuurloos worden van de onderneming. De enkele omstandigheid dat de personeelsvertegenwoordiging het verzoek deed tot het instellen van een enquête werd door de Ondernemingskamer onvoldoende gevonden voor gegronde twijfel aan een juist beleid.1112 Daarbij was van belang dat de personeelsvertegenwoordiging was ingesteld door de bestuurder op een moment dat er reeds sprake was van een conflict, en dat bij de instelling van de vertegenwoordiging slechts een beperkt aantal werknemers was betrokken.1314
Het beeld dat uit deze uitspraken ontstaat, is dat de rechter de interventie van de ondernemingsraad meestal in het belang van de vennootschap heeft geacht. Daarbij keek de Ondernemingskamer naar de positie die de raad innam en beoordeelde zij deze op onafhankelijkheid. Zaken als Stichting Kinderopvang Nederland, Smit Transformatoren en Sijthoff vormen voorbeelden van een gerechtvaardigd verzoek tot ingrijpen van de rechter, ook al was de bevoegdheid daartoe aan de ondernemingsraad gegeven door een orgaan – het bestuur – dat zelf onderwerp was van het geschil. De Ondernemingskamer heeft in geen van de hier besproken gevallen vastgesteld dat de ondernemingsraad lichtvaardig gebruikmaakte van de hem bij overeenkomst toegekende bevoegdheid. Integendeel, in de meeste gevallen heeft zijn verzoek geleid tot het treffen van ingrijpende maatregelen. Bij kleine ondernemingen, waar geen ondernemingsraad maar een personeelsvertegenwoordiging actief is, lijkt de Ondernemingskamer grotere terughoudendheid te betrachten. In die gevallen moet onder meer duidelijk zijn dat een groot deel van de werknemers achter het verzoek van de personeelsvertegenwoordiging staat.