Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.2.3.2
5.2.3.2 Vestiging pandrecht
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480532:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/149; en Zwitser 2006/36 over de vraag of voor de geldigheid van de verpanding de vermelding noodzakelijk is dat het endossement tot verpanding strekt. Zie voor het pandendossement bij wissels en orderbriefje art. (176 lid 1 jo.) 118 WvK.
Zie nr. 183. Zie ook Van der Lelij 1996/177-181.
Zie bijv. art. 28 lid 1 Fenex Opslagvoorwaarden 1995, art. 19 lid 1 Fenex Expeditievoorwaarden 2004 en art. 13 lid 1 Fenex Voorwaarden voor Logistieke activiteiten. Vgl. Zwitser 2006/34 en Logmans 2011, p. 225. Zie overigens HR 27 januari 1995, NJ 1997/194, m.nt. M.H. Claringbould (Heliopolis Star) over de (gebrekkige) verpanding van een cognossement krachtens art. 19 lid 1 Fenex Expeditievoorwaarden 2004.
Zie over de voorganger van dit beding ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 744-745.
Zie Van der Lelij 1996/188, onder verwijzing naar VV II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 725. Kritisch over deze ‘omissie’ van de wetgever: Zwitser, in: Akveld e.a. 2001/ 435 en Zwitser 2006/35-36.
Van der Lelij 1996/186-187.
Zie nr. 184-189.
192. De vestigingshandeling voor een vuistpandrecht met betrekking tot een toekomstig recht aan toonder of order kan bij voorbaat worden verricht op grond van art. 3:98 jo. 3:97 jo. 3:236 lid 1 BW. Voor deze vestiging is vereist dat de zaak in de macht wordt gebracht van de pandhouder of van een derde omtrent wie partijen zijn overeengekomen. Voor de verpanding van toekomstige rechten aan order geldt bovendien de eis van endossement.1 Ten aanzien van de vuistverpanding bij voorbaat van toekomstige rechten aan toonder geldt hetzelfde als ten aanzien van toekomstige roerende zaken.2 Dit betekent dat het vereiste van machtsverschaffing aan de pandhouder (en endossement) een beperking vormt voor de vestiging bij voorbaat van een pandrecht met betrekking tot toekomstige rechten aan toonder of order.
Afspraken strekkende tot de vestiging bij voorbaat van een (brevi of longa manu) vuistpand zijn ook wat toekomstige waardepapieren betreft gebruikelijk in algemene voorwaarden. Ten aanzien van algemene voorwaarden voor vervoer of opslag van zaken wordt in de regel mede een vuistpand bedongen op alle documenten die de gebruiker onder zich heeft of zal krijgen.3 Het eerder genoemde vuistpandrecht van de bank op grond van art. 24 lid 1 van de Algemene Bankvoorwaarden (2009) strekt zich onder meer uit tot alle waardepapieren die de bank of een derde voor haar van of voor de cliënt onder zich heeft of verkrijgt.4
193. Slechts ten aanzien van een recht aan toonder bestaat de mogelijkheid om een stil pandrecht te vestigen. Anders dan art. 3:236 lid 1 BW, maakt art. 3:237 lid 1 BW geen melding van rechten aan order. Hieruit moet worden afgeleid dat een recht aan order niet stil verpand kan worden. De (vermoedelijke) reden is dat een pandrecht op een orderpapier dat niet uit een endossement blijkt, onverenigbaar zou zijn met de aard van het orderpapier.5 Het weglaten van de rechten aan order in art. 3:237 BW leidt tot een niet onbelangrijke beperking ten aanzien van roerende zaken waarvoor een cognossement of ceel aan order is of zal worden uitgegeven. De vestiging bij voorbaat van een stil pandrecht op een toekomstig recht aan toonder geschiedt door middel van hetzij een geregistreerde onderhandse akte, hetzij een authentieke akte (art. 3:98 jo. 3:97 jo. 3:237 lid 1 BW).6 Hetgeen hiervoor is opgemerkt bij de stille verpanding van toekomstige roerende zaken, niet-registergoederen, geldt ook in dit geval.7