Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/5.1
5.1 Inleiding
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491189:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Zie over vermogensafscheiding o.a.: Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/16; Maatman & Steneker 2017; Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/1.10; S.C.J.J. Kortmann & N.E.D. Faber, annotatie onder HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251, JOR 2015/181, nr. 3-4; Struycken 2007, p. 539 e.v.; Wolfert 2007; Kolkman 2006, p. 241 e.v.; Steneker 2005, p. 95 e.v.; Meijers 1948, p. 187-206; Suijling I 1948, nr. 67; Land II 1901, p. 26, voetnoot 2. Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649(UWV/Bewindvoerder), r.o. 3.4.1; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/743. Volgens Perrick zou bij beneficiaire aanvaarding in beginsel wel schuldvermenging optreden, maar wordt dat voorkomen door art. 4:200 lid 2 BW (Perrick 2016, p. 155). Anders zou die bepaling volgens hem overbodig zijn naast art. 6:161 lid 2 onder a BW. Ik zie dat anders. Art. 4:200 lid 2 BW moet worden gezien als een verduidelijking van de rechtsgevolgen van de beneficiaire aanvaarding. Bovendien ziet art. 4:200 lid 2 BW niet alleen op schuldvermenging, maar ook op het tenietgaan van beperkte rechten door vermenging (art. 3:81 lid 2, aanhef en onder e BW). Dat lijkt Perrick over het hoofd te zien.
Vgl. voor de schuldvermenging art. 6:161 lid 2, aanhef en onder a BW. Zie daarover: HR 11 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0680(Caspers/Rijpma); Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 591; De Jong, Krans & Wissink, Verbintenissenrecht algemeen (SBR 4) 2018/297; Asser/Sieburgh 6-II 2017/338; Meijers 1948, p. 194, 206. Vgl. HR 9 november 1973, ECLI:NL:HR:1973:AC8788 (Romulus/Staat) en HR 9 november 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB4291 (Nordstrom/Staat). Zie over deze laatste twee arresten: Asser/Sieburgh 6-I 2020/28.
Vgl. voor de huwelijksgemeenschap Suijling VII 1943, nr. 77.
Vgl. RG 14 november 1933, RGZ 142, 231 (zie §3.3.3).
52. Er is sprake van een beperkt recht op een eigen zaak, als beperkt recht en moederrecht in dezelfde hand zijn. Dat is het geval als beide rechten dezelfde rechthebbende hebben en de rechten tot hetzelfde vermogen behoren. Hebben beperkt recht en moederrecht weliswaar dezelfde rechthebbende, maar vallen zij in van elkaar gescheiden vermogens,1 dan is geen sprake van een beperkt recht op een eigen zaak (zie nr. 43).2 Daarom treedt in dat geval geen vermenging op.3 Voor de beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap is die regel neergelegd in art. 4:200 lid 2 BW. Beperkte rechten kunnen ook ten gunste van een afgescheiden vermogen worden gevestigd.4 De vraag of beperkt recht en moederrecht in hetzelfde vermogen vallen, is een voorvraag. Pas als is vastgesteld dat de beide rechten in hetzelfde vermogen vallen, komt men toe aan de vraag of belang bestaat bij het beperkte recht.
Dit hoofdstuk behandelt twee onderwerpen die verband houden met vermogensafscheiding bij het openvallen van een nalatenschap. In sommige gevallen treedt die vermogensafscheiding niet in bij het overlijden, maar op een later moment. In §5.2 wordt de vraag behandeld of beperkte rechten in die gevallen met terugwerkende kracht door vermenging tenietgaan. §5.3 gaat over vermogensafscheiding bij de beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap.
Mogelijk kunnen eveneens in andere gevallen waarin sprake is van vermogensafscheiding, vragen opkomen over de mogelijkheid beperkte rechten op een eigen zaak te hebben. De in dit hoofdstuk besproken oplossingen kunnen wellicht ook in die situaties worden gebruikt of tot inspiratie dienen.