Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/7.2.2.a.ii
7.2.2.a.ii Ius conventionis in de vorm van een verdragsautonoom auteursbegrip?
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS468833:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dietz 1993. Zie ook Nordemann, Vinck & Hertin 1977, p. 35; Bureau WIPO, Draft Model Law on Copyright. Vgl. voorts Ricketson 1992; Ricketson 1987, p. 157 e.v. en p. 903; Ricketson & Ginsburg 2006, p. 357 e.v.
Ricketson 1992, p. 28.
Nordemann, Vinck & Hertin 1977, p. 36.
Zie ook Bergé 1996, p. 299 en p. 115.
De opmerking in de travaux préparatoires van de Stockholmse conferentie van 1967 komt aan de orde in par. 7.2.2 onder (c).
Vgl. Strowel 1993, p. 381; Ricketson & Ginsburg 2006, p. 359-360.
Actes BC 1948, p. 164-165 (voorstel Oostenrijk).
Reimer & Ulmer 1967, p. 447 e.v.; de discussie is begin jaren negentig weer opgelaaid in het kader van het opstellen van een WIPO model-auteurswet, zie Dietz 1993, p. 3 e.v. en Seignette 1994, p. 77, noot 114.
Ricketson 1992, p. 11; Dietz 1993, p. 27.
Art. 2 van de Berner conventie van 1886, zie alinea 225 hiervoor.
Vgl. Ricketson 1992, p. 11 en p. 21; Dietz 1993, p. 27. Dit neemt overigens niet weg dat zich ten aanzien van de morele rechten zelf wél een verdragsautonoom auteursbegrip laat verdedigen. Deze benadering wordt verder ontwikkeld in par. 7.2.2 onder (b).
Deze regeling komt verder ter sprake in par. 7.2.2 onder (c).
Zie alinea's 1022 tot en met 1024 hierna.
De Hongaarse delegatie had een bepaling voorgesteld over werken die in dienstbetrekking zijn gemaakt (Actes BC 1967, p. 710, Doc. S/196), waardoor de conferentie op deze problematiek stuitte. Tijdens de beraadslagingen werd vervolgens vastgesteld dat het `works-for-hire' concept niet in strijd is met de conventie. De Hongaren hebben hun voorstel ingetrokken op voorwaarde dat het in het rapport werd vermeld. Zie Actes BC 1967, p. 912913 (summary minutes Main Committee I); Actes BC 1967, p. 1190, nr. 334-335 (Report Main Committee I).
Bureau WIPO, Draft Model Law on Copyright, p. 252, nr. 79; Ricketson 1992, p. 10, en p. 21. Zie ook noot 14 van dit hoofdstuk 7.
Zie hierover nader De Cock Buning 1993.
Dietz 1993.
Zie ook noot 47 van dit hoofdstuk 7.
Vgl. Seignette 1994, p. 59.
Ricketson 1992, p. 8; Dietz 1993, p. 13-19; Strowel 1993, p. 381.
Dietz 1993, p. 13; Ricketson 1992, p. 6.
Ook Ricketson erkent dat, Ricketson 1992, p. 6. Deze vereniging, de latere 'Association Littéraire et Artistique Internationale', voer zelf overigens ook niet zuiver op het kompas van de scheppersdoctrine, zo blijkt uit haar standpunt over art. 3 van de conventie van 1886. Ingevolge dit artikel ontstond het auteursrecht van een in de Unie gepubliceerd werk van een niet-Unie schepper ten gunste van de uitgever. In plaats van zich te beijveren voor de verbetering van positie van de niet-Unie-schepper, pleitte de vereniging in 1889 voor een uitbreiding van art. 3, zie Actes BC 1896, p. 54 (Tableau des vceux émis par divers congres et assemblées).
Dietz 1993, p. 13-19.
Actes BC 1884, p. 43-44 (Rapport de la Commission). De auteursgerichte bepaling in de ontwerp-conventie van de Zwitserse Bondsraad, werd op voorstel van (opmerkelijk genoeg) de Duitse delegatie vervangen door genoemd art. 3. Een bepaling van gelijke strekking als art. 3 treft men aan in art. 2 van het Frans-Duitse verdrag van 1883.
Dietz 1993, p. 21.
Actes BC 1896, p. 113 (Procès-verbaux, opmerking Duitse gedelegeerde Reichardt); p. 164 e.v. (Rapport de la Commission); p. 195 e.v. (voorstel Duitsland).
Zie onder meer Copyright Act 1842 (5 & 6 Vict. c. 45, art. 18); Engraving Copyright Acts 1734 en 1766 (8 Geo. II c.13 en 7 Geo. BI c. 38); Sculpture Copyright Act 1814 (54 Geo. BI c. 56); Fine Acts Copyright Act 1862 (25 & 26 Vict. c. 68, art. 1). Hierover: Copinger 1881, p. 126 e.v. en passim; Slater 1884, p. 143-146; MacGillivray 1902, p. 66, p. 153, p. 164 en p. 174-175; vgl. ook Report Copyright Commission 1878 en de bijbehorende J. Stephen's Digest of the Law of Copyright.
Het Engelse auteursrecht was zachtstgezegd ondoorzichtig; de Copyright Commission van 1878 merkte op: 'The law is wholly destitute of any sort of arrangement, incomplete, often obscure, and even when it is intelligible upon long study, it is in many parts so ill-expressed that no one who does not give such study to it can expect to understand it.' (Report Copyright Commission 1878, p. vii). De auteurswet van 1911 stelde later orde op zaken (1 & 2 Geo. 5, c. 46). Ook in deze wet werden op de hoofdregel dat de schepper de originaire rechthebbende is een aantal uitzonderingen gemaakt, zoals ten gunste van de werkgever (art. 5). Zie Copinger/ Easton 1915, p. 108-119 en p. 574.
Art. 11 van de International Copyright Act 1886 van 25 juni 1886 (49 & 50 Vict. c. 33): 'In this Act, unless the context requires otherwise (...) the expression `author' means the author, inventor, designer, engraver, or maker of any literary or artistic work, and includes any person claiming through the author. (...).' Zie onder meer MacGillivray 1902, p. 353 en Hansard's Parliamentary Debates (3e series), 49 Victoriae, 1886 (Vol. 305); Journals of the House of Commons, January 12th, 1886 to September 25th, 1886, p. 241.
Ricketson 1992, p. 7.
Zie het overzicht in Rtithlisberger 1906, p. 84-85.
Art. 2 van de auteurswet van 28 juni 1881 ('Met auteurs worden gelijk gesteld: (...) b. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en vennootschappen, ten opzigte van de door hen bezorgde werken; (...)').
Zo wordt in de memorie van toelichting opgemerkt: 'Vraagt men naar de bouwstoffen voor de aanhangige wetsvoordracht, dan valt het oog natuurlijkerwijze in de eerste plaats op het tractaat van Berlijn, zooals dit door Nederland is aanvaard. Gelijk de toetreding tot het verdrag de oorzaak is van het indienen van dit wetsontwerp, zoo heeft ook de tekst van het verdrag den inhoud ervan grootendeels bepaald. Waar een geheel nieuw nationaal recht in het leven moest geroepen worden, lag het voor de hand dit nauw te doen aansluiten aan het internationale recht, waarop het steunt' (Kamerstukken II 1911/12, 227, nr. 3, p. 1-2). Nu hoeft de opvatting van de Nederlandse wetgever op zichzelf uiteraard niet de juiste uitleg van de conventie te zijn. Bovendien is theoretisch denkbaar dat men in de nationale wet een afwijking heeft willen maken voor de gevallen waar de conventie niet van toepassing is, maar die mogelijkheid is, gelet op het geciteerde oogmerk van de wetgever, praktisch vrijwel uitgesloten. De opstelling van de Nederlandse wetgever moet echter worden gezien als een indicatie dat men in die tijd in de conventie geen verdragsautonoom auteursbegrip las. Hetzelfde geldt voor de Britse wetgever in dezelfde tijd, zie art. 5 van de Britse auteurswet van 1911 (zie noot 78 van dit hoofdstuk 7).
Röthlisberger 1906, p. 85: 'Der Begriff 'Urheber' ist nach den Gesetzen des Landes, wo der Schutz beansprucht wird, auszulegen, und zwar im weitesten Sinne, (...).' Het zij in herinnering gebracht dat Röthlisberger secretaris (later Directeur) van het Bureau van de Berner Unie was en deelnam aan de conferenties in Parijs (1896) en Berlijn (1908).
Dungs 1910, p. 31.
Vgl. ook Verkade 1992, p. 11-12.
Dat kan men betreuren (vgl. alinea's 1227 e.v. hierna), maar naar geldend recht is het niet anders. Het ontbreken van een verdragsautonoom auteursbegrip wreekt zich overigens (ook) bij het formele toepassingsgebied van de conventie, dat onder meer wordt afgebakend aan de hand van het begrip 'auteur'. Stel, er is een arbeidsverhouding tussen een werknemer die onderdaan van een Unieland is, en een werkgever die geen onderdaan van een Unieland is en zijn gewone verblijfplaats buiten de Unie heeft. De werknemer maakt in het kader van zijn dienstbetrekking een boek (hij is dus de schepper), en dat boek wordt voor het eerst buiten de Unie gepubliceerd. Vervolgens roept één van beiden bij de Nederlandse rechter de bescherming in Nederland in. Vraag: is de Berner Conventie van toepassing? Als de schepper-werknemer als auteur moet worden aangemerkt, is de conventie op grond van art. 3 lid 1 onder a van toepassing. Als daarentegen de werkgever als auteur moet worden aangemerkt, is de conventie niet van toepassing. De vraag is dus: wie is de auteur? En dan draait de vraag in beeld: aan de hand van welk recht moet die vraag worden beantwoord? Verschillende benaderingen zijn mogelijk. Denkbaar is dat de geadieerde rechter deze vraag aan de hand van zijn eigen recht beantwoordt (de lex fori). Ook is denkbaar — en dat heeft mijn voorkeur — dat deze vraag wordt beantwoord aan de hand van het recht dat van toepassing zou zijn als de Berner Conventie van toepassing zou zijn (dus de lex loci protectionis). In het gegeven voorbeeld zou dat als volgt uitpakken. De bescherming wordt voor Nederland ingeroepen; naar Nederlands recht is de werkgever de auteur (art. 7 Auteurswet), zodat de Berner Conventie niet van toepassing is. Was daarentegen de bescherming voor bijvoorbeeld Duitsland ingeroepen, dan had op grond van de lex loci protectionis — Duits recht — de werknemer als de auteur gegolden, en was de Berner Conventie wel van toepassing geweest. Men ziet: het ontbreken van een verdragsautonoom auteursbegrip brengt mee dat het formele toepassingsgebied van de conventie rafelig is — geen van beide benaderingen kan dat tegengaan. Enfin, in de praktijk zal deze soep wel niet zo heet gegeten worden. Het is een uitzonderlijke constellatie, en nog maar weinig landen zijn niet aangesloten bij de Berner Conventie. Morele rechten brengen in dit verband een verdere complicatie, dit komt aan de orde in noot 128 van dit hoofdstuk 7.
963. Een verdragsautonoom auteursbegrip? Sommige auteurs, zoals Dietz, stellen dat het begrip 'auteur' verdragsautonoom moet worden uitgelegd in dier voege dat de auteur de schepper van het werk is.1 Dat zou betekenen dat de conventie voorschrijft dat het auteursrecht ten gunste van de schepper ontstaat, welk ius conventionis zou prevaleren boven nationale bepalingen zoals artikel 7 en 8 Auteurswet.2 Aldus opgevat, regelt de conventie de subject-vraag zelf en komt het beginsel van nationale behandeling en de daarin besloten liggende conflictregel (de lex loci protectionis-verwijzing) op dit punt derhalve niet in het vizier. Het probleem is dan teruggebracht tot de vraag wie als de schepper moet worden aangemerkt.3 Die vraag kan zich bijvoorbeeld voordoen indien er meerdere scheppers van een werk zijn. Daarover — zoveel is wel duidelijk — zwijgt de conventie, zodat op dit bescheiden punt dan een rol zou zijn weggelegd voor lex loci protectionis-verwijzing. Naar de heersende mening geeft de conventie echter geen invulling aan haar auteursbegrip. Als dat zo is, is de subject-vraag in haar geheel overgeleverd aan het beginsel van nationale behandeling en de daarin besloten liggende conflictregel, de lex loci protectionis-verwijzing.4
964. Onderzocht moet dus worden of de Berner Conventie een verdragsautonome invulling geeft aan haar auteursbegrip.
965. Duidelijk is dat de conventie geen definitie van haar auteursbegrip bevat. Ook blijkt nergens tussen de regels van de verdragsbepalingen door, dat de auteur degene is die het werk heeft geschapen; en gedurende de gehele geschiedenis van de conventie zwijgen de travaux préparatoires over dit punt.5 Wil men derhalve als regel van ius conventionis aannemen dat de auteur de schepper is, dan zullen de argumenten daarvoor wel ijzersterk moeten zijn. Plausibiliteit volstaat niet om een verdragsregel van dwingende aard aan te nemen. Onderzoeken wij, met die maatstaf, de argumenten die worden aangevoerd voor een verdragsautonome invulling van het auteursbegrip in de Berner Conventie.
966. Argumenten uit latere versies. Bij de beoordeling van deze argumenten moet worden vooropgesteld dat in de loop van de twintigste eeuw de meningsverschillen tussen — kort gezegd — de Anglo-Amerikaanse en de continentaal-Europese opvatting over de subject-vraag zich steeds scherper hebben afgetekend.6 Pogingen om tijdens latere conferenties een definitie voor het begrip 'auteur' op te stellen ketsten dan ook af op een gebrek aan overeenstemming Zo strandde tijdens de Brusselse conferentie in 1948 een voorstel om een definitie op te nemen.7 Ook de moeizame onderhandelingen tijdens de Stockholmse conferentie in 1967 over de regeling van het cinematografische werk in artikel 14bis, tonen aan hoezeer de meningen verschillen.8 Reeds op dit manifeste gebrek aan overeenstemming, dat als een rode draad door de latere conferenties loopt, ketsen argumenten die zijn ontleend aan latere versies van de conventie af.
967. Dat geldt bijvoorbeeld voor het argument dat de conventie in artikel 7 de beschermingsduur afhankelijk maakt van de dood van de auteur (post mortem auctoris), waaruit wordt afgeleid dat de auteur alleen een mens kan zijn.9 Daargelaten dat daarmee nog steeds geen antwoord is gegeven op de vraag wie de auteur is (is dat bijvoorbeeld de schepper of de natuurlijk persoon die zijn werkgever is?), snijdt het argument geen hout omdat deze duurbepaling pas van later datum is. Vóór de Brusselse conferentie in 1948 bepaalde de conventie over de beschermingsduur niet meer dan dat zij de duur, toegekend in het land van oorsprong, niet kan overschrijden.10 Pas sinds de Brusselse conferentie schrijft de conventie de post mortem auctoris-duurbepaling in artikel 7 lid 1 dwingend voor, tijdens welke conferentie — zo zagen wij zojuist — tegelijk een poging tot definitie van het auteursbegrip mislukte.
968. Ook argumenten die zijn ontleend aan de tijdens de Romeinse conferentie in 1928 opgenomen bepaling over de zogeheten morele rechten (artikel 6bis), ketsen af op dit manifeste gebrek aan overeenstemming tijdens de latere conferenties.11 Hetzelfde geldt voor argumenten die zijn ontleend aan artikel 14bis, de tijdens de Stockholmse conferentie in 1967 opgenomen compromisregeling inzake het cinematografische werk.12 Overigens vallen aan de travaux préparatoires van de Stockholmse conferentie wél argumenten te ontlenen die tegen een verdragsautonome definitie pleiten. Zo werd tot twee keer toe expliciet opgemerkt dat de Unie-landen onder de auteur ook een filmproducent mochten verstaan.13 Bovendien werd opgemerkt dat het `works for bire'-concept, waarbij de werkgever originaire rechthebbende is, niet in strijd is met de conventie.14 De verdragsopstellers van 1967 gingen derhalve niet uit van een verdragsautonoom auteursbegrip.
969. Argumenten uit beginjaren. Bij de beoordeling van de vraag of de conventie een invulling geeft aan haar auteursbegrip dienen argumenten die zijn ontleend aan latere versies van de conventie dus te worden geëcarteerd. Bezien wij dan de argumenten die zijn ontleend aan de vroege versies van de Berner Conventie. In dat verband worden drie argumenten naar voren gebracht.
970. Argument 1: intellectuele creatie. In de eerste plaats wordt wel aangevoerd dat de Berner Conventie van meet af aan vereist dat een werk een zekere intellectuele creatie moet zijn, waaruit wordt afleid dat de 'auteur' degene is wiens intellectuele creatieve activiteit het werk tot stand heeft gebracht.15 Uit dat vereiste vloeit echter hooguit voort dat de schepper van het werk enkel een mens kan zijn, aangenomen dat niet-mensen, zoals andere levende wezens en machines, niet over intellectuele creativiteit beschikken.16 Maar daarmee is niet gezegd dat het conventionele begrip 'auteur', ofwel de originaire rechthebbende, noodzakelijkerwijs alleen op de schepper slaat. In zijn uitgebreide betoog voert Dietz dit argument opvallend genoeg ook niet aan.17
971.Argument 2: tegenbewijs. Een tweede argument wordt geput uit artikel 15, dat teruggaat tot artikel 11 van de Berner Conventie van 1886. Deze bepaling behelst het vermoeden dat degene wiens naam op het werk staat vermeld, als auteur moet worden beschouwd, zulks behoudens tegenbewijs.18 De mogelijkheid van tegenbewijs, zo luidt het argument, is inherent aan het beginsel dat de auteur de schepper is.19 Dit argument snijdt geen hout. De bepaling laat immers in het midden wat onder het begrip 'auteur', anders dan de rechthebbende, moet worden verstaan.
972. Argument 3: communis opinio. Ten slotte resteert het derde, centrale argument dat ten tijde van de totstandkoming van de Berner Conventie de scheppers-doctrine communis opinio was. Het was, zo wordt betoogd, voor de verdragsopstellers zo vanzelfsprekend dat het auteursrecht ten gunste van de schepper ontstaat, dat zij het onnodig vonden hieraan een definitie te wijden.20 Naderhand, zo wordt daaraan toegevoegd, zijn de meningen gaan verschillen en kon een definitie om die reden niet meer tot stand komen.
973. Bezien wij dit argument nader.
974. In dit verband wordt als onderbouwing onder meer naar voren gebracht dat de 'Association Littéraire Internationale', de lobby van de scheppers, de stuwende kracht achter de conventie is geweest.21 Daarmee wordt echter miskend dat de uiteindelijke verdragstekst de resultante is van vele in het spel zijnde belangen.22 Om dezelfde reden falen argumenten die uit enkele natuurrechtelijk-getinte opmerkingen in bijvoorbeeld de convocatie voor de conventie — duidelijk propaganda — willen afleiden dat de scheppersdoctrine destijds allesoverheersend was.23
975. Ook artikel 3 van de conventie van 1886 wordt in dit verband naar voren gebracht. Ingevolge dit artikel werd het auteursrecht verleend aan de uitgever van een werk dat in de Unie werd gepubliceerd en waarvan de auteur onderdaan was van een niet-Unieland. De bepaling was ingeblazen door politiek-economische motieven. Zij luidde als volgt:
"Les stipulations de la presente Convention s'appliquent également aux éditeurs d'oeuvres littéraires ou artistiques publiées dans un des pays de 1'Union, et dont l'auteur appartient à un pays qui n'en fait pas parti."
976. Dit artikel levert evenwel een ambivalent beeld op. Enerzijds toont het bestaan van artikel 3 aan dat de verdragsopstellers in 1884-1886 zich niet lieten leiden door de scheppersdoctrine.24 Anderzijds lijkt de bepaling het begrip 'auteur' te reserveren voor de schepper. Het artikel was geen lang leven beschoren. Tijdens de Parijse conferentie van 1896 werd artikel 3 geschrapt. Een mogelijke ontwikkeling van de bescherming van de auteur in de richting van de bescherming van de producent (uitgever) werd daarmee, aldus Dietz, in de kiem gesmoord.25 Daar staat echter tegenover dat de motieven om artikel 3 te schrappen diffuus waren; utiliteitsoverwegingen lijken een hoofdrol te hebben gespeeld.26 Al met al valt uit artikel 3 en zijn schrapping derhalve geen eenduidig krachtig argument af te leiden dat een dwingend verdragsautonoom auteursbegrip kan dragen.
977. Uit de toenmalige nationale wetten van de deelnemende landen blijkt, dat ten tijde van de totstandkoming van de conventie géén sprake was van een communis opinio dat het auteursrecht altijd ten gunste van de schepper van het werk ontstaat. Duidelijk blijkt dit uit het toenmalige Britse recht, dat het auteursrecht in sommige gevallen verleende aan een ander dan de schepper, bijvoorbeeld aan de werkgever van de schepper of aan de opdrachtgever.27 De deelname van het Verenigd Koninkrijk aan de Berner Conventie bracht daarin geen verandering. De nationale wetgeving ter zake bleef ongewijzigd.28 Ook de implementatiewet voor de Berner Conventie bracht geen verandering. Integendeel, in artikel 11 van deze wet werd onder het begrip "author"/originaire rechthebbende niet alleen de schepper verstaan, maar ook "any person claiming through the author."29 In dit verband dient ook de achtergrond van de Britse deelname van de conventie in het oog te worden gehouden. De Britten hadden oorspronkelijk gehoopt op deelname van de Verenigde Staten aan de conventie. De Verenigde Staten haakten echter af, en de prijs om het Verenigd Koninkrijk binnen boord te houden — Britse deelname gaf de conventie gewicht — was dat het geen significante wijzigingen in zijn wetgeving hoefde aan te brengen.30
978. Ook in andere verdragsluitende landen werd het recht niet altijd aan de schepper verleend, maar kon bijvoorbeeld ook de Staat of een rechtspersoon de originaire rechthebbende zijn.31 Zo verleende ook de toenmalige Nederlandse auteurswet het auteursrecht soms aan een ander dan de schepper.32 Nederland trad weliswaar uiteindelijk niet toe tot de conventie van 1886, maar debatteerde wel mee tijdens de inhoudelijke conferenties van 1884 en 1885. En toen Nederland zich in 1912 opmaakte om toe te treden tot de Berlijnse versie van de conventie en daartoe een geheel nieuwe auteurswet opstelde, nam het zonder dralen bepalingen op die het auteursrecht aan een ander dan de schepper verlenen (artikel 7 en 8 Auteurswet). Men wilde de nieuwe auteurswet nauwkeurig afstemmen op de conventie, maar zag op dit punt kennelijk geen onverenigbaarheid.33
979. Conclusie ten aanzien van argument 3. Al met al was in de begintijd van de conventie geen sprake van een communis opinio in de verdragsluitende staten inhoudende dat het auteursrecht enkel ten gunste van de auteur ontstaat. Daar komt nog bij dat in de literatuur van die tijd een verdragsautonome definitie werd ontkend. De schaarse auteurs die zich hier over hebben uitgelaten, zijn duidelijk. Röthlisberger, die zelf heeft deelgenomen aan de Parijse en de Berlijnse conferenties, meldt anno 1906 in zijn gezaghebbende commentaar op de Berner Conventie dat het begrip 'auteur' in de conventie moet worden uitgelegd aan de hand van de nationale wet, en verwerpt daarmee een verdragsautonome uitleg.34 Ook Dungs, die als Duitse gedelegeerde eveneens deelnam aan deze beide conferenties, verwerpt een verdragsautonome uitleg waar hij opmerkt dat als auteur moet worden aangemerkt, degene die naar de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen als zodanig geldt. In dat verband signaleert hij als consequentie dat denkbaar is — "wenn auch in der Praxis wohl ausgeschlossen" — dat verschillende personen in verschillende landen als auteur worden aangemerkt.35
980. Conclusie. Tezamen genomen maken de aangevoerde argumenten weliswaar duidelijk dat de scheppersdoctrine van meet af aan de grondgedachte van de conventie is geweest, maar blijken zij niet een dwingend verdragsautonoom auteursbegrip te kunnen dragen. Wanneer nationale wetten uitzonderingen maken op dit algemene uitgangspunt, bijvoorbeeld ten gunste van de werkgever of de opdrachtgever, is dat derhalve niet onverenigbaar met de conventie.36 Wel kan worden gezegd dat een nationale wet die dit algemene uitgangspunt ondergraaft door het auteursrecht als hoofdregel aan anderen dan de schepper te verlenen — een theoretische situatie —, in strijd is met de conventie.37 Waar de grens precies ligt, is moeilijk te bepalen; die vraag valt evenwel buiten het bestek van deze studie. Binnen het bestek van deze studie kan worden geconcludeerd dat de Berner Conventie géén dwingend verdragsautonoom auteursbegrip kent.38 Met de 'auteur' doelt zij (slechts) op de (originaire) rechthebbende. Waar zij over de 'auteur' spreekt, kan men dus ook de `(originaire) rechthebbende' lezen.