Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.2.5
4.2.5 Sancties op het niet voldoen aan materiële kenmerken
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388540:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 3 lid 5WS 1956 luidde als volgt: Mocht een stichting leden kennen, mocht haar vermogen ten enenmale onvoldoende zijn voor de verwezenlijking van haar doel en de mogelijkheid, dat een voldoend vermogen door bijdragen of op andere wijze in afzienbare tijd zal worden verkregen, in hoge mate onwaarschijnlijk zijn, of mocht zij een met artikel 1, lid 3, strijdig doel hebben, dan blijft zij desniettemin als stichting bestaan totdat zij door een rechterlijke uitspraak of uit anderen hoofde is ontbonden.
Dat belanghebbenden een dergelijk verzoek niet snel indienen blijkt mijns inziens bijvoorbeeld uit de hierna in paragraaf 4.7.5. (overtreding van het ledenverbod) te bespreken uitspraak inzake Holland Casino (Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:275). Na wijziging van de statuten in 2006, als gevolg waarvan de stichting mijns inziens niet meer voldeed aan de wettelijke kenmerken voor stichtingen, deden belanghebbenden – voor zover bekend – geen beroep op artikel 2:21 BW. Pas in latere procedures is dit opgeworpen.
Hof Amsterdam 20 maart 1953, NJ 1953, 317 (Stichting B.W.T.).
Rechtbank Rotterdam 11 oktober 1965, NJ 1966, 314. Zie eveneens paragraaf 4.7.5.
Op grond van het algemene rechtspersonenrecht is het bestuursbesluit tot vaststelling van de statutaire bepaling die in strijd met de wet is, nietig (artikel 2:14 lid 1 BW), tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. De wet kent echter een bijzondere vernietigingsprocedure voor stichtingen op grond van artikel 2:295 BW: een besluit tot statutenwijziging kan op verzoek van de stichting, van een belanghebbende of van het openbaar ministerie door de rechtbank worden vernietigd indien de wijziging tot gevolg heeft dat de stichting kan worden ontbonden op grond van artikel 2:21 BW. Met deze bepaling die ook al voorkwam in de WS 1956 (artikel 10WS 1956) beoogt de wetgever ontbinding van de stichting zo veel mogelijk te voorkomen. Timmerman 1991, p. 878.
De stichting is in het voorbeeld niet alleen ontbindbaar op grond van sub c van artikel 2:21 lid 1 BW (de stichting voldoet aan de wettelijke omschrijving) maar ook op grond van sub b (de statuten van de stichting voldoen niet aan de eisen van de wet). Schwarz merkt mijns inziens terecht op dat de in lid 2 van artikel 2:21 BW opgenomen “terme de grâce” waarin de wijziging ongedaan gemaakt kan worden, niet alleen geldt als de belanghebbende een beroep doet op sub c maar ook indien hij een beroep doet op sub b van artikel 2:21 lid 1 BW (Schwarz 2011, p. 40-41).
Rol van de notaris
De notaris, wiens tussenkomst vereist is in verband met de oprichting en statutenwijziging van een stichting, ziet niet alleen toe op naleving van de formele vereisten, maar ook op de materiële vereisten. Een notaris die constateert dat de stichting niet aan de in de wet opgenomen materiële kenmerken voldoet dient – mede blijkens de wetsgeschiedenis bij de WS 1956 – zijn medewerking aan de oprichting te onthouden.1
Rechterlijke ontbinding
Indien de stichting bij oprichting of daarna (bijvoorbeeld door een statutenwijziging) niet meer voldoet aan een of meer materiële kenmerken, is zij vatbaar voor rechterlijke ontbinding. Voor stichtingen was dit aanvankelijk geregeld in artikel 1 van de WS 1956,2 maar tegenwoordig geldt een algemene bepaling uit Titel 1 van Boek 2 BW voor alle rechtspersonen: artikel 2:21 BW. De rechtbank ontbindt een rechtspersoon die niet onder de wettelijke omschrijving van zijn rechtsvorm valt, aldus artikel 2:21 lid 1 sub c BW. Hiertoe dient een verzoek te worden ingediend door een belanghebbende of door het openbaar ministerie (artikel 2:21 lid 4 BW).
Het risico van ontbinding wegens het niet voldoen aan de wettelijke omschrijving is in de praktijk “overzienbaar”. Voor zover er al een verzoek tot ontbinding door een belanghebbende wordt ingediend,3 gaat de rechter pas over tot ontbinding na verloop van een termijn waarbinnen de rechtspersoon alsnog aan de wettelijke eisen kan voldoen (artikel 2:21 lid 2 BW). Binnen deze termijn kan de rechtspersoon zijn statuten wijzigen en/of zich omzetten in een rechtspersoon met kenmerken waar hij wel aan voldoet (artikel 2:18 BW).
Het niet (langer) vallen onder de wettelijke omschrijving van een bepaalde rechtsvorm kan het gevolg zijn van feitelijk functioneren van de rechtspersoon, zijn statutaire inrichting of een combinatie van beide. Hierna, bij de bespreking van het ledenverbod, zal de uitspraak van het Hof Amsterdam inzake Stichting B.W.T. uit 1953 – dus voor inwerkingtreding van de WS 1956 – uitgebreider aan de orde komen. Hier wordt reeds opgemerkt dat Stichting B.W.T. “deelhebbers” had, die gerechtigd waren tot het batig saldo. Het Hof oordeelde dat Stichting B.W.T. op grond van statutaire bepalingen én op grond van feitelijke omstandigheden als een vereniging moest worden aangemerkt.4
Ontbinding van een stichting op grond van overtreding van haar materiële kenmerken lijkt niet vaak te worden verzocht. Eén van de weinige bekende uitspraken over overtreding van de materiële kenmerken van de stichting is de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam uit 1965.5 De Rechtbank oordeelde dat het ledenverbod was overtreden en ging over tot ontbinding van de stichting. In dit geval oordeelde de Rechtbank Rotterdam dat er geen termen aanwezig waren om de stichting de gelegenheid te geven de statuten aan te passen, aangezien de stichtingsraad reeds had aangegeven te willen blijven handelen in strijd met het ledenverbod.
Verzoek tot vernietiging besluit tot statutenwijziging
Naast overtreding van het ledenverbod, kan overtreding van het uitkeringsverbod aanleiding geven tot ontbinding van de stichting. Indien bijvoorbeeld het bestuur van een stichting besluit de statuten te wijzigen waardoor winstuitkering expliciet wordt toegestaan (aannemende dat de notaris daar “overheen leest” en de akte van statutenwijziging passeert), kan een belanghebbende bij de rechtbank ontbinding van de stichting op grond van artikel 2:21 BW vorderen. De belanghebbende kan ook een verzoek bij de rechtbank indienen tot vernietiging van het besluit tot statutenwijziging op grond van artikel 2:295 BW,6 waarmee de verboden bepaling in de statuten teruggedraaid zal worden en de stichting weer aan haar materiële kenmerken voldoet.
In de praktijk kunnen beide wegen op hetzelfde neerkomen: indien de rechter wordt verzocht de stichting te ontbinden zal hij eerst onderzoeken of de statuten niet aangepast kunnen worden. Hij kan daarbij ook ambtshalve overgaan tot vernietiging van het besluit tot statutenwijziging in plaats van tot ontbinding over te gaan (artikel 2:296 BW).7 Aangezien ontbinding vergaande gevolgen heeft wil de wetgever dit blijkens de wetsgeschiedenis zoveel mogelijk voorkomen.8