De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.2.6:4.2.6 Belang van materiële kenmerken en kritiek op normaaltypen; volstaat het normaaltype van Meijers nog?
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.2.6
4.2.6 Belang van materiële kenmerken en kritiek op normaaltypen; volstaat het normaaltype van Meijers nog?
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384887:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman 1991, p. 877-879.
Van der Ploeg 1978, p. 37-38.
Voor de stichting met een onderneming gelden weliswaar andere regels (zie het enquêterecht, het jaarrekeningenrecht en het maximum aantal toezichthoudende functies) maar hieraan ligt niet daadwerkelijk één subtype ten grondslag; het ondernemingsbegrip wordt niet consequent toegepast. Zie ook Zaman 2011, p. 99-107.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vrijheid in keuze rechtsvorm
In de juridische literatuur is men het er over eens dat het doel dat Meijers had met het introduceren van materiële kenmerken niet of niet volledig is bereikt. Een zelfde maatschappelijke activiteit kan met behulp van verschillende rechtsvormen worden bedreven. In beginsel bestaat veel vrijheid in de keuze voor een passende rechtsvorm. Volgens Timmerman geeft “de wettelijke omschrijving van ieder van de rechtspersoonsvormen slechts een pover beeld van de werkelijkheid rond een rechtsvorm”.1 Timmerman meent dat het desalniettemin terecht is dat de wetgever door middel van materiële kenmerken poogt van iedere rechtspersoon een grove verplichte typering te geven. Ik ben met hem eens dat het een taak van de wetgever is de kenmerken van de verschillende rechtspersoonsvormen aan te geven. Deze kenmerken kunnen immers een belangrijk richtsnoer vormen voor de taak en taakopvatting van het bestuur en de raad van toezicht en ook richting geven aan de verschillende bevoegdheden die aan stichtingsorganen kunnen worden toebedeeld. Daarbij is mijns inziens van belang dat de wettelijke kenmerken en de grenzen van die kenmerken flexibel kunnen zijn.
Kritiek op normaaltypering: voldoet deze nog?
Op de normaaltypes van Meijers, die vanuit de Algemene Rechtsleer de basis vormen van de huidige wetgeving, kan kritiek worden geleverd. Zo heeft Van der Ploeg als bezwaar geuit dat normaaltypen gemakkelijk aansluiting kunnen missen bij het op dat moment geldende rechtssysteem aangezien onvoldoende rekening gehouden kan worden met de (rechts-)historische ontwikkeling en de daarmee samenhangende maatschappelijke omstandigheden van dat moment. Van der Ploeg formuleert het als volgt: “De wetgever, die greep wil hebben op maatschappelijke verschijnselen, zal zo dicht mogelijk bij die verschijnselen moeten aansluiten. Normaaltypen, die alleen of voornamelijk vanuit een algemene rechtsleer zijn opgesteld en niet vanuit werkelijkheidstypen, kunnen daardoor gemakkelijk werkelijkheidswaarde missen.”2
De (on)mogelijkheid om de statuten te wijzigen
Een interessante vraag is of Meijers’ normaaltypen, die mede gebaseerd zij op de historische indeling van rechtspersonen, inmiddels niet achterhaald zijn. De normaaltypering vormde niet alleen een basis voor de wettelijke definitie en materiële kenmerken van de stichting maar ook voor andere wetsbepalingen, zoals de bepaling over de mogelijkheid van statutenwijziging.
Zo is bijvoorbeeld een opvallende zinsnede bij de formulering van het normaaltype van Meijers: “geen bevoegdheid van bestuurders om ingrijpende wijzigingen in doel en organisatie aan te brengen”. Dit uitgangspunt werd door de wetgever overgenomen en staat nog steeds in de wet: de statuten van een stichting kunnen slechts worden gewijzigd indien de statuten daartoe de mogelijkheid openen (artikel 2:293 BW). De oprichter kan dus wel door een algemene bepaling in de statuten het bestuur de mogelijkheid geven om de statuten te wijzigen.
De vraag kan worden gesteld of de bevoegdheid van het bestuur om de stichtingsstatuten te wijzigen tegenwoordig niet tot het “normaaltype” zou moeten behoren en in de wet neergelegd zou moeten worden. Met andere woorden: zou het wettelijke uitgangspunt niet andersom moeten zijn? Te weten: de statuten kunnen worden gewijzigd door het bestuur, tenzij de statuten deze mogelijkheid uitsluiten of deze mogelijkheid beperken, bijvoorbeeld door het bestuur slechts samen met een ander orgaan wijzigingsbevoegd te maken. Deze vraag zal in paragraaf 4.4.2. aan de orde komen.
Subtype “grote stichting”
Het normaaltype dat het uitgangspunt vormt voor het stichtingenrecht gaat uit van een stichting met alleen een bestuur. Zoals al opgemerkt betekent deze normaaltypering niet dat de wet het instellen van een toezichthoudend orgaan uitsluit. Al vanaf de eerste wettelijke regeling in de WS 1956 acht de wetgever het mogelijk om een toezichthoudend orgaan in te stellen.
De vraag kan gesteld worden of de wet niet, naast het normaaltype stichting, van één of meer “subtypen” uit zou moeten gaan. Gedacht zou kunnen worden aan een subtype “grote stichting”, bijvoorbeeld een stichting met een grote onderneming.3 Uit het voorgaande hoofdstuk bleek dat ten tijde van het opstellen van het eerste stichtingenrecht nog nauwelijks ervaring was opgedaan met stichtingen met een grote onderneming. Voor de “grote stichting” zouden andere of aanvullende wettelijke regels kunnen gelden, zoals een verplichting tot het instellen van een raad van toezicht, die een aantal wettelijke bevoegdheden krijgt die bijvoorbeeld vergelijkbaar met de structuurregeling voor NV’s, BV’s, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Zie hierover paragraaf 6.5.2.