Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.4.2
3.4.2 Bewijsrechtelijke aspecten van het fiscale bestuurlijke boetestelsel tot 1998
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940635:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Formeelrechtelijk vormde de betaalordeboete bij aangiftebelastingen van art. 22 (oud) AWR hierop een uitzondering, omdat blijkens de wettekst ‘bij wijze van verhoging’ een naheffingsaanslag werd opgelegd. Met andere woorden: voor deze boete was een afzonderlijke rechtshandeling nodig, namelijk het opleggen van een ‘losse’ naheffingsaanslag. Haas 2009 (par. 1.2) legt nogal de nadruk op dit onderscheid, maar mijns inziens is deze techniek niet meer dan een uitvloeisel van het feit dat bij een te late betaling nu eenmaal geen belasting meer kan worden nageheven, zodat er ook geen belasting kan worden ‘verhoogd’ in enge zin.
Scheltens (losbl.), par. 56.
Scheltens (losbl.), par. 58. Een voorbeeld waarin de belastingplichtige slaagde in het bewijs van de afwezigheid van opzet of grove schuld (maar waarin de wettelijke bewijslastverdeling recht overeind blijft staan), is te vinden in HR 2 juni 1982, BNB 1982/186.
Kamerstukken II 1955/56, 4 080, nr. 5, p. 9, Handelingen II 1957/58, p. 1020-1026.
De in paragraaf 3.4.1 opgesomde kenmerken van de verhoging hadden belangrijke consequenties voor de bewijspositie van de belastingplichtige en de inspecteur. Bepalend daarvoor was de omstandigheid dat de verhoging rechtstreeks en dwingendrechtelijk uit de wet voortvloeide. De in de aanslag begrepen belasting werd volautomatisch verhoogd, zonder dat daar een afzonderlijke rechtshandeling voor nodig was en zonder dat daar enige nadere bewijsvoering aan te pas kwam. Dit aspect gold zowel voor de ordeboeten als voor de niet-ordeboeten.1 Voor wat betreft de niet-ordeboeten was daarnaast van belang, dat de automatische wettelijke verhoging kon worden teruggenomen of verminderd als kwam vast te staan dat het niet aan opzet of grove schuld was te wijten dat te weinig belasting was geheven.
Voor wat betreft de niet-ordeboeten bevatte de wet dus een wettelijk vermoeden van opzet of grove schuld. Vanwege de volautomatische verhoging zag de belasting- of inhoudingsplichtige zich geconfronteerd met de bewijslast ter zake van het ontbreken van opzet en grove schuld. Deze bewijslastverdeling volgde uit de taalkundige redactie (‘behoudens voor zover …’) van de wettelijke bepalingen.2 Slaagde de belasting- of inhoudingsplichtige er niet in om te bewijzen dat hij geen opzet of grove schuld had, dan bleef de verhoging staan. Het was daarom mogelijk dat bestraffing plaatsvond zonder dat de inspecteur had gesteld en bewezen dat er sprake was van verwijtbaar handelen.3
Uit de parlementaire geschiedenis van de AWR blijkt dat er de nodige discussie is geweest over het antwoord op de vraag of de bewijsrechtelijke gevolgen van deze wettelijke constructie wel aanvaardbaar waren, in het bijzonder wat betreft de daaruit voortvloeiende bewijslastverdeling. De regering legde ter verdediging de nadruk op het feit dat er wel degelijk verweermogelijkheden waren (namelijk tegen het kwijtscheldingsbesluit) en wees daarbij op de verzachtende werking van het geldende kwijtscheldingsbeleid.4