Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/6.3.3:6.3.3 Begrijpelijke rechtspraak die houvast biedt
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/6.3.3
6.3.3 Begrijpelijke rechtspraak die houvast biedt
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS616711:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
‘Het probleem’ met de rechtspraak over vormfouten, zo schreef Lensing in 2012 – dus voor de arresten van 19 februari 2013 – is ‘dat sprake is van een aantal tendensen in de rechtspraak van de Hoge Raad, waarvan weliswaar de richting duidelijk lijkt maar over achtergrond en inhoud waarvan vele onduidelijkheden bestaan. Richting en inhoud worden namelijk niet uitdrukkelijk ”benoemd”.’1
Als de doeleinden van reacties op vormfouten door de Hoge Raad zijn geëxpliciteerd en in de rechtspraak in concrete gevallen langzamerhand steeds duidelijker wordt in welk soort gevallen welk doeleinde al dan niet tot de toepassing van een bepaald rechtsgevolg noopt, biedt dat de feitenrechter veel houvast. De flexibiliteit voor de feitenrechter zit hem dan niet meer in de keuze voor de met een reactie na te streven doeleinden. Wel houdt hij ruimte om te waarderen of in een concreet geval toepassing van een bepaald rechtsgevolg bij kan dragen aan een (volgens de rechtspraak van de Hoge Raad) daarmee na te streven doeleinde en houdt hij ruimte om de daaraan in de concrete door hem te beslissen casus verbonden voor- en nadelen tegen elkaar af te wegen. Op deze wijze blijft de flexibiliteit in de oordeelsvorming behouden die noodzakelijk is voor een evenwichtige en aan de doeleinden beantwoordende rechtspraak over vormfouten, terwijl tegelijkertijd het uiteenlopen van de rechtspraak als gevolg van het verschillen van particuliere opvattingen over het strafproces en de rol van de rechter kan worden vermeden.
Een ontwikkeling kan op gang komen waarin de Hoge Raad in concrete (categorieën van) gevallen de afweging van voor- en nadelen van toepassing van een bepaald rechtsgevolg afzet tegen hetgeen als resultaat daarvan wordt beoogd. Op die wijze kan de Hoge Raad nadrukkelijker de van hem te verlangen leiding geven aan de feitenrechter. Een precieze aanduiding van de grondslag van de verschillende reacties maakt beslissingen van de lagere rechter bovendien extensiever toetsbaar in cassatie, zodat de Hoge Raad beter in staat is de rechtseenheid te bewaken. Het legt de lagere rechter meer aan banden, maar tegelijkertijd versterkt dit de legitimiteit van zijn beslissing.
Kan een vormfout tot toepassing van een rechtsgevolg leiden, ook al heeft de vormfout geen negatieve gevolgen voor de eerlijkheid van het proces? Kan de strafrechter reacties op vormfouten toepassen met het oog op de algemene strafvorderlijke integriteitsbewaking? Hoe ruim is deze taak op te vatten? In welke gevallen is daarvoor plaats en waarom? In hoeverre is strafvermindering een geschikt compensatiemiddel?
Over de antwoorden op dergelijke vragen – die nauw samenhangen met de visie die men heeft op het strafproces en op de rol van de strafrechter – lopen de meningen ook onder rechters uiteen. Wel zijn de antwoorden op dergelijke vragen vaak bepalend voor de uitkomst in een concrete zaak. Rechtseenheid zal dus alleen bereikt kunnen worden indien de hoogste rechter deze schept. Doet hij dat niet, dan kan onduidelijkheid ontstaan over de mate van rechtsbescherming die de strafrechter biedt. Dat is uiterst onwenselijk. Het kan ertoe leiden dat rechtsbescherming tekort schiet, omdat de strafrechter taken worden toegedicht die hij niet kan waarmaken. Ook is zonder deze duidelijkheid een efficiënte procesvoering niet goed mogelijk. Alleen een duidelijke gemotiveerde rechtspraak van de hoogste rechter kan richtinggevend zijn en aan de feitenrechtspraak het houvast bieden dat zij nodig heeft om consistent te kunnen zijn in zijn onderzoek, zijn beslissingen en in de motivering daarvan. Verschillen in de uitkomst in soortgelijke gevallen doen – als zij niet worden bepaald door de omstandigheden van het geval maar door uiteenlopende opvattingen van rechters aangaande de functie van reacties op vormfouten – afbreuk aan de overtuigingskracht van rechterlijke beslissingen en aan het gezag van de strafrechtspraak.
Een goed gemotiveerde en consistente rechtspraak is voor de legitimatie en acceptatie van het rechterlijk oordeel belangrijk. Tegenover de geprononceerde rechtsvormende taak van de rechter op dit maatschappelijk gevoelige en voor het imago van de rechtspraak zo belangrijke terrein, staat een even grote plicht tot het afleggen van verantwoording.2 Een belangrijke eis aan de rechtspraak over reacties op vormfouten is dat rechterlijke uitspraken voor een breed publiek begrijpelijk worden gemotiveerd en daarover goed via de media wordt gecommuniceerd. De ‘waarden waar het eigenlijk om gaat’ moeten daarin zichtbaar worden, zoals Buruma op 22 mei 2011 in het televisieprogramma Buitenhof zei. De maatschappelijke aanvaarding van rechterlijke uitspraken kan toenemen, wanneer goed wordt gemotiveerd waarom in een bepaald geval voor een bepaalde reactie wordt gekozen. Dat is vooral belangrijk bij reacties op vormfouten met verstrekkende gevolgen als bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.
Aan de hand van de doel-middel benadering kan het gebruik van de verschillende sturingsmiddelen die de Hoge Raad heeft voor de mate waarin de zittingsrechter controle uitoefent op het voorbereidend onderzoek en het toepassingsbereik van de verschillende mogelijke reacties overtuigend worden gemotiveerd en kunnen uitzonderingen op hoofdregels goed worden verklaard. Wanneer en om welke redenen wordt precies een uitzondering op het Schutznormvereiste aanvaard? Wanneer moet een schending van art. 8 EVRM tot een reactie leiden van de zittingsrechter, welke reactie en waarom? Op welke verzuimen die ook aan de RC hadden kunnen worden voorgelegd, kan ook bij de zittingsrechter nog een beroep worden gedaan en waarom? Wanneer moet aan een rechtsschending door een particulier bij de opsporing toch een rechtsgevolg worden verbonden? Ziet het Zwolsman-criterium alleen op een eerlijk proces in enge zin, of moet dat in sommige gevallen ruimer worden opgevat en, zo ja, in hoeverre dan en waarom? Dergelijke vragen laten zich beter beantwoorden wanneer de doeleinden per mogelijke rechterlijke reactie – al dan niet gespecificeerd per soort vormverzuim – worden uitgesproken.