Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.2.1
3.2.1 Inleiding
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644766:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Naar aanleiding van de bewoordingen van art. 639 OBW is wel betoogd dat onder natrekking tevens wordt verstaan zaaksvorming en vermenging. Het begin van art. 639 OBW luidde: “Eigendom van zaken kan op geene andere wijze worden verkregen, dan door toeëigening, door natrekking, door verjaring (etc.)”. Zie overwegingen van het hof bij HR 11 december 1953, ECLI:NL:NR:1953:185 (Schaap-Stafmateriaal). Zie ook: Gerbrandy, DNV I (1957-1958), p. 4.
Gerbrandy, DNV II (1957-1958), p. 24.
De woorden “met dezelve één ligchaam uitmaakt” sloegen op bestanddelen van de zaak. Onduidelijkheid heerste echter over de vraag wat de wetgever bedoelde met “hetgeen met eene zaak vereenigd is”. Zie hierover: Opzoomer III (1876), p. 21-22.
Voorduin (1838), Deel III Burgerlijk Wetboek (art. 385-876), p. 433 e.v.
Zie hieronder §3.2.3.
Van der Grinten, WPNR 1961/4701, p. 522.
Gerbrandy, DNV I (1957-1958), p. 4.
Asser/Scholten (1945), p. 159.
Natrekking heeft plaats wanneer een zaak zich zodanig aan een andere zaak verbindt, dat zij ophoudt een zelfstandig bestaan te leiden en deel van de hoofdzaak wordt. Dikwijls werd een roerende zaak met een onroerende zaak verbonden en trok de laatste de eerste na.1Art. 556 OBW gaf aan dat de nagetrokken zaak een onderdeel uitmaakte van de natrekkende zaak.
“Al hetgeen door regt van natrekking tot eene zaak behoort, daaronder begrepen de vruchten, zoo wel natuurlijke als die door nijverheid worden verkregen, zoo lang dezelve tak- of wortelvast, of aan den grond gehecht zijn, maakt een gedeelte der zaak uit.”
Het artikel was weinigzeggend. Al hetgeen door natrekking tot een zaak behoorde, maakte deel uit van die zaak. Daarmee zei het artikel nog niets over de eigendomsverhoudingen. Het enige dat het bepaalde, was dat de vruchten die aan tak- of wortelvaste bomen en planten hingen één zaak vormden met die bomen en planten.2 In art. 643 OBW e.v. kwam wél de eigendomsvraag na vereniging van zaken ter sprake. Het artikel luidde als volgt:
“Al hetgeen met eene zaak vereenigd is, of met dezelve één ligchaam uitmaakt, behoort aan den eigenaar, volgens de regelen bij de volgende artikelen vastgesteld.”3
De artikelen 643 e.v OBW waren ontleend aan de artikelen 552-577 uit de Franse Code civil (Cc).4 In het OBW waren echter alleen regels opgenomen over de natrekking van een roerende zaak door een onroerende zaak. De Nederlandse wet zweeg, anders dan de Cc (art. 565-577 Cc), over de eigendomsverhouding als twee of meer roerende zaken met elkaar werden verbonden. Voor de eigendomsverhoudingen in die gevallen moest men zijn toevlucht nemen tot de algemene bewoordingen van art. 643 OBW en de artikelen die gingen over vermenging (art. 662-664 OBW).5
Bij natrekking werd de nagetrokken zaak bestanddeel van de hoofdzaak. Tussen de hoofdzaak en het bestanddeel bestond een absolute verbondenheid (vereniging). Aan de hoofdzaak waren onderdelen toegevoegd en het eigendomsrecht dat rustte op de hoofdzaak strekte zich uit over deze toegevoegde zaken.
“Het rechtsinstituut van de natrekking vindt toepassing, indien de - samengestelde - zaak in het maatschappelijk verkeer als identiek met de oorspronkelijke zaak van een der eigenaren wordt beschouwd.”6
De natrekking had tot gevolg dat niet alleen het eigendomsrecht van de nagetrokken zaak tenietging, maar dat ook de zaak in juridische zin ophield te bestaan.7 Als de hoofdzaak en de nagetrokken zaak vóór de verbinding aan twee verschillende eigenaren toebehoorden, dan verloor de eigenaar van de nagetrokken zaak dus zijn eigendomsrecht. Ook de beperkte rechten die vóór de verbinding op de nagetrokken zaak rustten, gingen door de natrekking teniet. Voor deze rechten was natrekking dus het eindstation in hun bestaan. Als de hoofdzaak en de nagetrokken zaak vóór de verbinding aan één en dezelfde eigenaar toebehoorden, dan was het rechtsgevolg niet anders. Ook dan ging het eigendomsrecht van de nagetrokken zaak na de verbinding teniet.
Het hierboven aangehaalde citaat van Van der Grinten lijkt te wijzen op het feit dat voor natrekking minimaal twee verschillende eigenaren aanwezig moeten zijn. Ook Scholten lijkt alleen natrekking aan te nemen als twee (of meer) zaken die aan twee verschillende eigenaren toebehoren met elkaar worden verbonden: “Was de eigenaar van den grond reeds vóór de vereeniging eigenaar van de bouwmaterialen, de planten of het zaad, dan heeft er door het bouwen, planten of zaaien geen eigendomsoverdracht plaats; alleen wordt datgene wat roerend was na de verbinding onroerend. Behoorden de bouwstoffen enz. echter aan een ander dan den grondeigenaar, dan heeft er natrekking plaats.” 8 Deze gedachte lijkt mij - ook onder het OBW - onjuist. Natrekking heeft ook plaats als zaken die toebehoorden aan één en dezelfde eigenaar met elkaar worden verbonden. De natrekking houdt in dat een eigendomsrecht tenietgaat, omdat het object waarop het recht rustte in juridische zin niet meer bestaat. Dit onderscheid was in het geval de eigenaar van de grond en de roerende zaken een en dezelfde was, met name van belang voor de eventuele beperkt gerechtigde(n) van een nagetrokken zaak. De eigenaar die twee van zijn eigen zaken met elkaar had verenigd, had doorgaans geen probleem met de verbinding. Hij verloor wellicht wel een eigendomsrecht, maar zijn eigendomsrecht dat rustte op de hoofdzaak, strekte zich uit over een extra onderdeel, namelijk de nagetrokken zaak. Een beperkt gerechtigde verloor daarentegen zijn beperkte recht op de nagetrokken zaak door de verbinding.