Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/5.4.4.2
5.4.4.2 Omkeringsregel
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS301782:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Schild (2009), p. 254 e.v.
Dit volgt uit de bijzin van artikel 150 Rv โtenzij uit enige bijzondere regel of uit deeisen van redelijkheid en billijkheid een andere regel van de bewijslast voortvloeitโ.
Schild (2009), p. 254 e.v.
Klaassen omschrijft de omkeringsregel als volgt: โIn lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad, kan de zogenaamde omkeringsregel worden omschreven als de regel dat de rechter een vermoeden van oorzakelijk verband tussen een normschending en het ontstaan van schade aanneemt als is komen vast te staan dat er sprake is van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade en door degenen die zich op deze normschending beroept- ook bij betwisting- aannemelijk is gemaakt dat dit specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden zich in het concrete geval heeft verwezenlijktโ. Klaassen (2013), p. 137.
In het verleden was sprake van een vierde eis, namelijk dat het specifieke gevaar waartegen de norm beoogt te beschermen in het concrete geval in aanmerkelijke mate was vergroot. Deze eis wordt echter niet meer gesteld. HR 29 november 2002, RvdW 2002, 190. Rutgers (2003), p. 307 e.v., Van Emden & De Haan (2014), paragraaf 6.5, met verwijzing naar HR 23 november 2012, NJ 2012/669, Asser Procesrecht/Asser 3 (2017), paragraaf 302 De omkeringsregel.
Gerechtshof โs-Gravenhage, 27 mei 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AP0151, r.o. 10.11 (Vie dโOr), Asser Procesrecht/Asser 3 (2017), ยงย 302 De omkeringsregel, met verwijzing naar HR 29 november 2002,NJ 2004/304 en 305, JBPr 2003/23.
Schild (2009), p. 254 e.v.
Hij wijst in zijn conclusie ook op minder vergaande alternatieven, โdie de lasten van onzekerheid over wat er โzonder de foutโ zou zijn gebeurd over eiser en gedaagde [verdelen]โ. Daarvan bespreekt hij proportionele aansprakelijkheid en de kansschade-methode. Conclusie A-G Hartlief d.d. 12 mei 2017,ECLI:NL:PHR:2017:430, rp. 3.36. Conclusie behorend bij HR 22 september 2017, ECLI:NL: HR:2017:2452.
Klaassen (2013), p. 137-138.
Zie onder andere: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II (2017), nr. 50, Spier/Hartlief (2015), p. 270 e.v., Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, artikel 6:98 BW, Van Emden & De Haan (2014), hoofdstuk 6 en Boks (2002), p. 212 e.v.
Samenvatting uit: Gerechtshof โs-Gravenhage, 27 mei 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AP0151, r.o. 10.2.
RB โs-Gravenhage 13 juni 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2083, JOR 2001/215NJ 2001, 445, r.o. 3.30.
Zie tevens: Bras (2008), p. 67 e.v.
Gerechtshof โs-Gravenhage, 27 mei 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AP0151, r.o. 10.12.
Gerechtshof โs-Gravenhage, 27 mei 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AP0151, r.o. 10.12.
HR 13 oktober 2006, JOR 2006/296, r.o. 6.1.2.
HR 13 oktober 2006, JOR 2006/296, r.o. 6.1.2.
HR 26 januari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ2589, RvdW 2007, 131 (Dipasa). Zie paragraaf 4.4.3.5.
Hoekstra & Van Rijckevorsel-Teeuwen (2014), p. 79.
In het arrest Dicky Trading II (HR 26 januari 1996, NJ 1996/607) met betrekking tot aansprakelijkheid van de notaris werd de omkeringsregel nog toegepast, maar aangenomen wordt dat het arrest achterhaald is. Zie: Akkermans & Van Dijk (2012), p. 157 e.v. en H.J. Delhaas in haar annotatie bij Gerechtshof Arnhem, 22 augustus 2013, JA 2013/119.
Klaassen (2013), p. 143.
Conclusie A-G Hartlief d.d. 12 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:430, r.o. 3.36. Conclusie behorend bij HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452.
In het Juresta arrest doet de benadeelde een beroep op een schending van de informatieverplichting van zijn advocaat en wijst de Hoge Raad toepassing van de omkeringsregel af. Zie: HR 2 februari 2007, NJ 2007/92, JA 2007/43, HR 23 november 2001, nr. C99/259, NJ 2002/386 en HR 23 november 2001, nr. 00/069, NJ 2002/387.
Pijls (2009), p. 170 e.v.
HR 23 november 2001, nr. C99/259, NJ 2002/386 en HR 23 november 2001, nr. 00/069, NJ 2002/387. Aldus ook H.J. Delhaas in haar annotatie bij Gerechtshof Arnhem, 22 augustus 2013, JA 2013/119 en Klaassen (2013), p. 140.
Akkermans en Van Dijk stellen: โDe omkeringsregel is in beginsel niet toepasselijk bij schending van informatie- en waarschuwingsplichten die strekken tot voorkoming van vermogensschade. Praktisch gesproken ziet het ernaar uit dat de omkeringsregel alleen nog toepasselijk is bij de schending van verkeers- en veiligheidsnormenโ. Akkermans & Van Dijk (2012), p. 157 e.v. Klaasen stelt dat de kans om met succes een beroep op de omkeringsregel te doen het grootste is bij verkeers- en veiligheidsnormen, Klaassen (2012), p. 182 e.v. en Klaassen (2013), p. 144.
De rechter kan verplicht zijn in specifieke gevallen voorshands het bestaan van een csqn-verband tussen het ontstaan van de schade en de normschending aan te nemen.1 Deze bijzondere bewijsregel wordt de omkeringsregel genoemd.
De omkeringsregel dient te worden onderscheiden van het leerstuk van de omkering van de bewijslast. Van omkering van bewijslast kan sprake zijn indien het volledig leggen van de bewijslast op de benadeelde een onaanvaardbaar zware last voor de benadeelde ten gevolge heeft. De bewijslast kan alsdan op gronden van redelijkheid en billijkheid worden omgekeerd.2 Het verschil tussen beide leerstukken is dat bij de omkeringsregel de bewijslastverdeling in stand wordt gelaten, terwijl bij omkering van bewijslast de andere partij kan worden belast met het leveren van bewijs.3 Omkering van bewijslast kan aan de orde zijn in geval van concrete omstandigheden die een afwijkende bewijslastverdeling kunnen rechtvaardigen in een specifiek geval. Voor zover bekend is omkering van bewijslast nog niet voorgekomen in procedures ter zake accountantsaansprakelijkheid.
De omkeringsregel dient te worden toegepast indien voldaan is aan de volgende cumulatieve eisen4: er is sprake van een als onrechtmatige daad of toerekenbare tekortkoming te kwalificeren handelen en dat handelen schendt een norm die een specifiek gevaar voorkomt. De benadeelde dient (slechts) aannemelijk te maken dat het specifieke gevaar zich in het concrete geval ook verwezenlijkt heeft.5 Indien aan deze eisen is voldaan, wordt het bestaan van csqn-verband tussen de onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade aangenomen.6 Het is vervolgens aan de aangesprokene om tegenbewijs te leveren door de afwezigheid van een csqn-verband aannemelijk te maken (de aangesprokene dient aannemelijk te maken dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan).7 A-G Hartlief spreekt in dit verband over een โโalles-of-nietsโ-oplossingโ.8 De omkeringsregel dient terughoudend te worden toegepast.9
In het hiernavolgende sta ik stil bij jurisprudentie waarin de omkeringsregel in geval van een schending door een accountant van de zorgverplichtingen 2 โInzet van deskundigheidโ en 3 โInformatie- en waarschuwingsplichtโ10 aan de orde komt. Er is geen jurisprudentie beschikbaar waarin de omkeringsregel in geval van een schending door een accountant van de zorgverplichting 1 โDeskundigheidโ aan de orde komt.
Omkeringsregel bij een schending van zorgverplichting 2: โInzet van deskundigheidโ
In de procedure die verband houdt met het Vie dโOr geschil heeft de rechtbank in eerste aanleg de omkeringsregel toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het onrechtmatig handelen van de accountants, dat bestond uit het onvoldoende uitvoering geven aan hun controlerende en informerende taken, een risico in het leven geroepen waardoor schade voor derden zou ontstaan.11 Het risico betrof een faillissement, welk risico uiteindelijk ook is verwezenlijkt.12 De accountant is er volgens de rechtbank niet in geslaagd aan te tonen dat het faillissement zich ook zou hebben verwezenlijkt, indien het onrechtmatig handelen achterwege zou zijn gebleven. Volgens de rechtbank zouden de problemen bij Vie dโOr duidelijker en dwingender aan de oppervlakte zijn gekomen, indien de accountants tijdens hun controlewerkzaamheden correct en zorgvuldig hadden gehandeld. Aanmerkingen van de accountants zouden veel eerder hebben geleid tot ingrijpender maatregelen van de Verzekeringskamer. Gelet op het voorgaande is volgens de rechtbank het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de accountants en de schade van de (oud-) polishouders gegeven.13 Het hof 14 overweegt vervolgens in hoger beroep dat de accountants weliswaar hebben gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij jegens de oud-polishouders in acht hadden dienen te nemen, maar dat dit niet wil zeggen dat de accountants met hun handelen een norm hebben geschonden die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij de oud-polishouders te voorkomen. โNaar het oordeel van het hof strekken de door de accountants overtreden normen niet tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, maar hebben zij gehandeld in strijd met de algemene norm dat de accountant moet handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit de voor accountants geldende professionele standaardโ. De rechtbank had de omkeringsregel derhalve niet toe mogen passen, omdat de door de accountants geschonden algemene norm niet strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade.15 De Hoge Raad heeft het oordeel van het hof in stand gelaten.16 De Hoge Raad overweegt dat de door de accountants geschonden norm niet strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade door deconfiture van de verzekeraar. In dat geval is voor toepassing van de omkeringsregel geen plaats.17
Een beroep op de omkeringsregel is eveneens afgewezen in het Dipasa arrest.18 In zijn conclusie refereert A-G Huydecoper aan de toepassing van de omkeringsregel in het Vie dโOr arrest. Huydecoper overweegt dat als de omkeringsregel niet van toepassing was in de Vie dโOr procedure, alwaar hoge eisen werden gesteld aan de zorg van de controlerende accountant van een levensverzekeringmaatschappij, de omkeringsregel nog minder snel van toepassing zal zijn in het Dipasageschil dat betrekking heeft op de aansprakelijkheid van de accountant jegens zijn opdrachtgever (een handelsmaatschappij) voor een tekortkoming in de wet-telijke controle. De Hoge Raad heeft het geschil afgedaan met een beroep op artikel 81 RO, er is derhalve geen sprake van nadere motivering van dit middel.
Concluderend kan gesteld worden dat er nauwelijks of geen ruimte is voor toe-passing van de omkeringsregel bij aansprakelijkheid van de accountant met betrekking tot een schending van de zorgvuldigheidsnorm โinzet van deskundigheidโ, omdat alsdan sprake is van schending van een algemene zorgvuldigheidsnorm en niet van een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen.
Omkeringsregel bij een schending van zorgverplichting 3: โInformatie- en waarschuwingsplichtโ
De informatieplicht strekt er niet toe de benadeelde te beschermen, maar om de benadeelde in staat te stellen goed geรฏnformeerd te beslissen.19 Het recht van de benadeelde om goed geรฏnformeerd te beslissen volgt uit jurisprudentie20 met betrekking tot de aansprakelijkheid van andere gereglementeerde beroepsbeoefenaren.21 Er is aldus bij de informatieplicht sprake van een algemene zorgvuldigheidsnorm en niet van een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen. Hierdoor is er mijns inziens in beginsel geen ruimte voor toepassing van de omkeringsregel bij aan sprakelijkheid van de accountant met betrekking tot de schending van de informatieplicht.
Aldus ook A-G Hartlief. In zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2017 inzake de aansprakelijkheid van een accountant met betrekking tot een door de accountant gegeven advies merkt A-G Hartlief op: โIk volsta er op deze plaats mee op te merken dat het veronachtzamen van een algemene informatie- of waarschuwingsplicht in beginsel niet voldoende is voor toepasselijkheid van de omkeringsregel.22โ
Bij aansprakelijkheid wegens een schending van de informatieplicht door andere gereglementeerde beroepsbeoefenaren, te weten advocaten23 en artsen, heeft de Hoge Raad de omkeringsregel in lijn met bovenstaande afgewezen. Bij artsen is de โinformed consentโ jurisprudentie relevant. โInformed consentโ betreft de toestemming voor een voorgestelde behandeling die door de patiรซnt op basis van adequate informatie is verleend.24 Het โinformed consentโ leerstuk is wettelijk verankerd in artikel 7:448 BW. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat de op de arts rustende verplichting de patiรซnt op duidelijke wijze in te lichten over de risicoโs verbonden aan de voorgestelde behandeling, er niet toe strekt de patiรซnt te beschermen tegen deze risicoโs. Er is volgens de Hoge Raad (slechts) sprake van een plicht tot het verschaffen van informatie die de patiรซnt in staat stelt goed geรฏnformeerd te beslissen of hij al dan niet toestemming voor de voorgestelde behandeling zal geven. Indien niet aan deze verplichting is voldaan, is er sprake van een schending van de informatieplicht. De omkeringsregel is in dat geval niet van toepassing.25
Mogelijk is er ruimte voor toepassing van de omkeringsregel indien sprake is van schending van een specifieke waarschuwingsplicht, in die zin dat de opdrachtgever indringend gewaarschuwd had moeten worden voor bepaalde risicoโs.26 In paragraaf 4.4.4 ben ik echter tot de conclusie gekomen dat een dergelijke waarschuwingsplicht bij accountants vooralsnog niet aan de orde is.