Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.2
IV.5.2 Waarop zijn de handvatten gebaseerd?
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460436:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent par. IV.3.6 en par. IV.4.
Aldus ook De Valk 2009, par. 3.2.3 en Karapetian 2019, p. 431.
Ik zeg bewust strafrechtelijke aansprakelijkheidscriteria, en niet strafrechtelijke veroordeling. Er zal immers lang niet altijd sprake zijn van een strafrechtelijke procedure.
Als een leidinggevende wél is veroordeeld voor een strafbaar feit, dan staat de civielrechtelijke onrechtmatigheid in beginsel vast. Artikel 161 Wetboek van Burgelijke Rechtsvorderingen luidt als volgt: “Een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert dwingend bewijs op van dat feit.” Ingevolge art. 151 lid 2 Rv rust op de leidinggevende dan de stelplicht en bewijslast voor het aantonen dat zijn gedraging desondanks niet onrechtmatig is. Zie bijvoorbeeld HR 15 oktober 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4457, NJ 1984/21, m.nt. Mijnssen (Bahou/Fireco en Jackel), r.o. 3.2.
De conclusie uit de vorige paragrafen – die strekt tot het buiten toepassing laten van de ernstig verwijt-maatstaf in bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad – heeft ook gevolgen voor de totstandkoming en inhoud van de handvatten die ik in deze paragraaf formuleer. De handvatten zijn niet gebaseerd op de jurisprudentie en literatuur met betrekking tot bestuurdersaansprakelijkheid, want als ik dat zou doen wordt de milieuaansprakelijkheid van bestuurders en andere leidinggevenden ingekleurd door de ernstig verwijt-doctrine. Zoals uitvoerig betoogd, meen ik dat een dergelijke invulling van de (milieu)aansprakelijkheid rechtstheoretisch niet verdedigbaar is en leidt tot rechtsongelijkheid en rechtsonzekerheid.1
Als ik niet vertrek vanuit de ernstig verwijt-doctrine, waarop baseer ik me dan wel? De gewone vereisten van de onrechtmatige daad vormen het beginpunt voor mijn model voor milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden; de handvatten die daarmee verband houden heb ik gedestilleerd uit de relevante sleutelarresten en standaardliteratuur over de onrechtmatige daad. Een goed begrip van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden begint dus met een goed begrip van de vereisten van artikel 6:162 BW.
Maar met alleen de handboeken en sleutelarresten van het algemene aansprakelijkheidsrecht kom je er niet, want de toepassing van de vereisten van de onrechtmatige daad in milieugevallen roept allerlei norm-specifieke vragen op. Zo moet voor de milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende de vraag worden beantwoord tot wie de verplichtingen uit milieuvoorschriften zijn gericht (normadressaatschap) en wiens belangen door deze voorschriften worden beschermd (relativiteit). Daarom is het ook nodig om stil te staan bij de kenmerken van een aantal belangrijke milieuvoorschriften.
De bespreking van de vereisten van artikel 6:162 BW aangevuld met milieunorm-specifieke handvatten, is nog altijd niet toereikend voor de beoordeling van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Binnen het civiele milieuaansprakelijkheidsrecht moeten allerlei specifieke kwesties gerelateerd aan de aansprakelijkheid van personen met een leidinggevende functie in een bedrijf worden geadresseerd. Denk hierbij aan vragen over de verantwoordelijkheid van een leidinggevende voor gedragingen van ondergeschikten; over de kennis die een leidinggevende wordt geacht te hebben met betrekking tot eventuele normschendingen binnen het bedrijf; en over de omstandigheden die aanleiding geven voor actief ingrijpen, waardoor het nalaten van de leidinggevende onrechtmatig wordt. De specifieke kwesties die zich voordoen wanneer een leidinggevende civielrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld, zijn niet uniek: ook voor de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden moet de rechter oordelen over dit soort kwesties. Met name de strafrechtelijke aansprakelijkheidscriteria zijn relevant en nuttig voor de nadere invulling van de vereisten van de onrechtmatige daad.2 Dat zal ik toelichten.
De strafrechtelijke aansprakelijkheidscriteria3 zijn ten eerste relevant, omdat de mogelijkheid om een leidinggevende aan te merken als dader van een strafbaar feit ook consequenties heeft voor de civiele aansprakelijkheid van de leidinggevende. Bijvoorbeeld, het plegen van of deelnemen aan een strafbaar feit kunnen worden aangemerkt als handelen in strijd met een wettelijke plicht in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. Verder impliceert de aanwezigheid van opzet (dolus) of schuld (culpa) dat de onrechtmatige gedraging krachtens schuld kan worden toegerekend aan de leidinggevende in de zin van artikel 6:162 lid 3. Zo zijn er nog meer voorbeelden denkbaar.
In dit kader moet worden aangetekend dat de voorwaarden die gelden voor strafrechtelijk daderschap in principe strenger zijn dan de eisen die gelden in het kader van de schadevergoedingsactie. Ik wil niet betogen dat voor de toewijzing van een schadevergoedingsvordering minimaal vereist is dat dat de leidinggevende strafbaar heeft gehandeld, maar áls een leidinggevende voldoet aan de strafrechtelijke aansprakelijkheidscriteria zou dat – behoudens tegenbewijs – in ieder geval voldoende moeten zijn om te stellen dat een leidinggevende toerekenbaar een onrechtmatige daad heeft verricht.4 Op deze manier kunnen strafrechtelijke leerstukken invulling geven aan de vereisten die gelden voor de onrechtmatige daad.
De strafrechtelijke aansprakelijkheidscriteria zijn niet alleen relevant, maar ook uiterst behulpzaam bij de beantwoording van de vragen die opkomen in het kader van de civiele milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. In het strafrecht is het juridische kader voor de aansprakelijkheid van leidinggevenden namelijk al veel verder ontwikkeld dan in het privaatrecht. Daarom kan voor de beoordeling van de civiele milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende worden geprofiteerd van de waardevolle inzichten en verfijnde criteria van strafrechtelijke aansprakelijkheidsfiguren, zoals plegen, medeplegen, feitelijk leidinggeven, en van leerstukken zoals beschikkingsmacht, normadressaatschap, normbestanddelen enzovoorts. Het zou zonde zijn om in het privaatrecht het wiel opnieuw uit te vinden.
Kortom, voor de nadere invulling van de vereisten van de onrechtmatige daad in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, bouw ik voort op algemene leerstukken van het algemene aansprakelijkheidsrecht, pas ik de inzichten toe die ik heb opgedaan in de andere hoofdstukken van dit proefschrift met betrekking tot de aard en vereisten van milieunormen, en gebruik ik de daderschapscriteria die worden gehanteerd in het strafrecht voor de beoordeling van de materiële verantwoordelijkheid van een leidinggevende voor een milieuovertreding.
Een deel van de handvatten die ik hier geef, ziet specifiek op de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Desalniettemin gaat veel van wat ik in deze paragraaf schrijf mutatis mutandis ook op voor de (milieu)aansprakelijkheid van andere personen, en ook voor andere soorten overtredingen dan milieuovertredingen begaan door leidinggevenden. Ik hoop een meer algemene bijdrage te leveren aan het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, door bijvoorbeeld mijn bestanddeelbenadering van de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijke plicht’, en met mijn duiding van de verhouding tussen strafrechtelijke aansprakelijkheidsfiguren en civiele aansprakelijkheid.