Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/3.4.3.2
3.4.3.2 'Put'-criterium; subjectief en objectief
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS457775:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Zie tevens HR 1 maart 1998, BNB 1998/129.
Uit HR 19 januari 1994, BNB 1994/88 blijkt dat hiervan al snel sprake is. Zie voorts HR 26 november 1997, BNB 1998/29, HR 4 februari 1998, BNB 1998/128 en HR 11 maart 1998, BNB 1998/129.
In dezelfde zin HR 12 maart 1997, BNB 1997/201. Voor veel schrijvers vormde BNB 1994/297 een verrassende ontwikkeling in de kasgeldjurisprudentie. Zie bijvoorbeeld op C.B. Bavinck die het kunnen putten door de kopende holdingvennootschap in een kasgeldconstructie het middellijke putvereiste noemt, C.B. Bavinck, Is middellijk kunnen putten noodzakelijk?, WFR 1994/6129, blz. 1772 e.v.; R.T. Kenters, Recente ontwikkelingen van het 'putten-uit-criterium' in kasgeldconstructies, MBB oktober 1994, blz. 313 e.v. en P.J.M. de Mooij, Een onnavolgbaar kasgeldarrest, WFR 1995/6145, blz. 514 e.v. Ook voor de staatssecretaris van Financiën kwam dit arrest als een verrassing, Mededeling van 6 februari 1995, nr. DB95/355M, Infobulletin 95/135, V-N 1995, blz. 744.
Een ander belangrijke voorwaarde uit de holding- en kasgeldjurisprudentie betreft het zgn. 'put'-criterium dat blijkens onder meer HR 9 september 1992, BNB 1994/78 en HR 17 november 1993, BNB 1994/37 uiteenvalt in een objectief element en een subjectief element. Enerzijds dient de vennootschap over voldoende vermogen te beschikken om daaruit de koopsom voor de aandelen te kunnen putten (objectief element).1 Anderzijds dient de aandeelhouder de feitelijke zeggenschap te bezitten in de vennootschap om de koopsom voor de aandelen ook daadwerkelijk te kunnen putten, waarbij dan niet alleen moet worden gelet op het belang van de desbetreffende aandeelhouder, maar tevens op belangen van met de desbetreffende aandeelhouder samenwerkende aandeelhouders (subjectief element).2 Overigens kan men zich mijns inziens terecht afvragen of het subjectieve 'put'-criterium wel thuishoort in de holdingen kasgeldjurisprudentie, aangezien toch voldoende lijkt te zijn dat de aandeelhouder de (winst)reserves van de vennootschap in privé realiseert en niet óf hij hiertoe in staat was geweest.
Een in het kader van kasgeldconstructies gewezen belangrijk arrest betreft HR 22 juli 1994, BNB 1994/297, waaruit bleek dat het 'put'-criterium (mede) moest worden toegepast in de relatie tussen de overnemende holdingvennootschap en de overgenomen werkmaatschappij en niet alleen in de relatie tussen de financiële instelling en de verkochte kasgeldvennootschap.3 Dit arrest gecombineerd met het later gewezen arrest HR 12 maart 1997, BNB 1997/201, waarin de Hoge Raad inging op het 'put'-criterium in de relatie tussen de kopende financiële instelling en de gekochte kasgeldvennootschap, geldt in kasgeldsituaties aldus een dubbel 'put'-criterium, t.w. eenmaal in de relatie tussen de overnemende holdingvennootschap en de overgenomen werkmaatschappij en andermaal in de relatie tussen de kopende financiële instelling en de gekochte kasgeldvennootschap. Overigens moet men zich van een zelfstandige toepassing van het 'put'-criterium in de relatie kopende financiële instelling en gekochte kasgeldvennootschap niet veel voorstellen, aangezien volgens de Hoge Raad in laatstgenoemd arrest in de aard van kasgeldconstructies ligt besloten dat niet goed denkbaar is dat de kopende financiële instelling de koopsom voor de aandelen niet kan putten uit het vermogen van de gekochte kasgeldvennootschap.