Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.3.2
2.3.2 Uitzonderingen op §953 BGB
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644900:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
§954 BGB: Wer vermöge eines Rechts an einer fremden Sache befugt ist, sich Erzeugnisse oder sonstige Bestandteile der Sache anzueignen, erwirbt das Eigentum an ihnen, unbeschadet der Vorschriften der §§955 bis 957, mit der Trennung. Zie ook: Wolff/Raiser (1957), p. 282. Andere zakelijke rechten waarmee men door de afscheiding de eigendom verkrijgt van de afgescheiden zaak zijn bijvoorbeeld gebruikspandhouder (Nutzpandgläuber §1213 BGB) en de opstalgerechtigde (Erbbauberechtigte).
Wolff/Raiser (1957), p. 282.
§955 BGB Lid 1: “Wer eine Sache im Eigenbesitz hat, erwirbt das Eigentum an den Erzeugnissen und sonstigen zu den Früchten der Sache gehörenden Bestandteilen, unbeschadet der Vorschriften der §§956, 957, mit der Trennung. Der Erwerb ist ausgeschlossen, wenn der Eigenbesitzer nicht zum Eigenbesitz oder ein anderer vermöge eines Rechts an der Sache zum Fruchtbezug berechtigt ist und der Eigenbesitzer bei dem Erwerb des Eigenbesitzes nicht in gutem Glauben ist oder vor der Trennung den Rechtsmangel erfährt.” Lid 2: “Dem Eigenbesitzer steht derjenige gleich, welcher die Sache zum Zwecke der Ausübung eines Nutzungsrechts an ihr besitzt.” Lid 3: “Auf den Eigenbesitz und den ihm gleichgestellten Besitz findet die Vorschrift des §940 Abs. 2 entsprechende Anwendung.”
Wolff/Raiser (1957), p. 283.
956 BGB lid 1: “Gestattet der Eigentümer einem anderen, sich Erzeugnisse oder sonstige Bestandteile der Sache anzueignen, so erwirbt dieser das Eigentum an ihnen, wenn der Besitz der Sache ihm überlassen ist, mit der Trennung, anderenfalls mit der Besitzergreifung. Ist der Eigentümer zu der Gestattung verpflichtet, so kann er sie nicht widerrufen, solange sich der andere in dem ihm überlassenen Besitz der Sache befindet.” Lid 2 : “Das Gleiche gilt, wenn die Gestattung nicht von dem Eigentümer, sondern von einem anderen ausgeht, dem Erzeugnisse oder sonstige Bestandteile einer Sache nach der Trennung gehören.”
In de Duitse literatuur bestaat discussie over de vraag of hier sprake is van (een vorm van) “vruchttrekking” of van een “overdracht van een toekomstige zaak”. Zie daarover: MüKoBGB/Oechsler BGB §956 Rn. 1.
MüKoBGB/Oechsler BGB §956 Rn. 2 & 3.
Spyridakis (1966), p. 144.
Wolf/Raiser (1957), p. 284-285; Spyridakis (1966), p. 146.
Staudinger/Stieper (2021) BGB §93 Rn 25.
De §§910 en 911 BGB bevatten eveneens uitzonderingen op §953 BGB, maar behoeven voor dit onderzoek geen afzonderlijke bespreking in de hoofdtekst. Ze gaan over overhangende takken of struiken die de buurman heeft afgehakt en over vruchten die op het terrein van de buurman zijn gevallen. Niet de eigenaar van de bomen respectievelijk struiken verkrijgt de losgemaakte bestanddelen en vruchten, maar de grondeigenaar van de naburig gelegen grond. Laatstgenoemde verkrijgt deze zaken niet op basis van een Aneignungsrecht, maar op basis van zijn eigendomsrecht dat hij op zijn grond heeft.
§539 lid 2 BGB: “Der Mieter ist berechtigt, eine Einrichtung wegzunehmen, mit der er die Mietsache versehen hat.” Ook in andere gevallen kan een wezenlijk bestanddeel afgescheiden worden, zie bv. §1049 (vruchtgebruik) en §2125 (erfgenaam) BGB. Zie hierover ook de §2.4 en §2.5 over het Wegnahmerecht.
Allereerst de uitzonderingen van §§954-957 BGB. Deze artikelen gaan over gevallen waarin een ander dan de eigenaar van de hoofdzaak door de afscheiding de eigendom verkrijgt. Heeft iemand een zakelijk recht tot verkrijging van de vruchten of andere bestanddelen van een zaak, zoals bijvoorbeeld een vruchtgebruiker, dan verkrijgt hij de eigendom van deze zaken zodra ze zijn losgemaakt (§954 BGB), omdat hij ze mag aneignen.1 Door dit Aneignungsrecht is hij eigenaar geworden. Het eigendomsrecht verkrijgt de gerechtigde ook als hij het bezit van de zaken niet heeft.2 Een uitzondering hierop is als een bezitter te goeder trouw de afscheiding bewerkstelligt. In dat geval verkrijgt hij de eigendom van de afgescheiden zaken, mits zij voortbrengselen (Erzeugnisse) of andere vruchten van de hoofdzaak zijn (§955 BGB).3 Zo vallen stenen uit een steengroeve wel en stenen losgemaakt van een woonhuis niet in de eigendom van de bezitter te goeder trouw.4
Het BGB kent ook de eigendom van afgescheiden zaken toe aan degene die op grond van een persoonlijk recht gerechtigd is tot het toe-eigenen van de zaken (Aneignungsgestattung, §§956 en 957 BGB).5 De Aneignungsgestattung is een bijzondere regeling met betrekking tot de beschikkingsmacht over wezenlijke bestanddelen overeenkomstig de regels van vruchttrekking.6 Iemand verkrijgt het eigendomsrecht op de afgescheiden bestanddelen als de eigenaar van de zaak verklaart dat hij zich deze mag toe-eigenen (Aneignungsgestattung). De eigenaar van de zaak kan zelfs de verklaring niet terugdraaien als de toe-eigeningsgerechtigde de hoofdzaak vóór de afscheiding in bezit heeft gekregen.7 De verklaring is dan onherroepelijk. Ze transformeert in een eigendomsrecht voor de gerechtigde op het ogenblik dat de bestanddelen zijn afgescheiden en in zijn bezit zijn gekomen.8 Zo mag een koper zich de materialen van een huis toe-eigenen, als de huiseigenaar aan hem toestemming verleent om het huis te slopen. Is de koper nog niet in het bezit van de materialen na de afscheiding, bijvoorbeeld omdat de verkoper, tegen de afspraken in, het huis sloopt, dan verkrijgt hij pas de eigendom nadat hij ze in bezit heeft genomen.9 Deze overeenkomst van Aneignungsgestattung kunnen partijen niet in het Grundbuch inschrijven. Een derde die de grond koopt van de grondeigenaar, wordt niet contractueel aan de overeenkomst gebonden.10
Tot slot11 zijn de rechtsgevolgen van §953 BGB ongedaan te maken als een wezenlijk bestanddeel van de eenheidszaak is losgemaakt als gevolg van een van de wettelijke afscheidingsrechten (Wegnahmerechte of iura tollendi). Deze wegneemrechten geven een bezitter of houder de mogelijkheid om delen van een zaak af te scheiden, alvorens hij de zaak teruggeeft aan de eigenaar. Zo kan een huurder (een “Fremdbesitzer”) die zaken met het huurhuis heeft verbonden deze in sommige gevallen afscheiden.12 Degene die gerechtigd is tot het afscheiden of wegnemen van bestanddelen heeft, net als in de gevallen die hierboven zijn besproken, een Aneignungsrecht, waardoor hij na de afscheiding direct de eigendom verkrijgt. In §258 BGB is de algemene regel over afscheiding opgesteld.