Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen
Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/19.5:19.5 Een eindoordeel over de vormgeving van de prospectusplicht in het licht van haar doelstellingen
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/19.5
19.5 Een eindoordeel over de vormgeving van de prospectusplicht in het licht van haar doelstellingen
Documentgegevens:
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS576699:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De blijkens de overwegingen bij de Prospectusrichtlijn aan de prospectusplicht ten grondslag liggende doelstellingen kunnen worden vertaald tot het bijdragen aan de efficiënte werking van de effectenmarkt en het versterken van het vertrouwen van investeerders dát passende en volledige informatie wordt verstrekt. Vanuit functioneel perspectief bezien lijkt dit — met name — aan te sluiten op de hoofddoelstelling om bij te dragen aan het verbeteren van de adequate werking van de effectenmarkt. De invulling die door de Prospectus-richtlijn en de Prospectusverordening aan deze doelstelling(en) worden gegeven — in de vorm van voorschriften zoals die gelden voor de inhoud van het prospectus — is echter sterk gericht op de tweede hoofddoelstelling: het tegengaan van "agency-problemen" binnen de beursvennootschappen. In sterkere mate dan wellicht zou worden verwacht bevat de Prospectusverordening vooral verplichtingen gericht op verstrekking van historische informatie en informatie die beoogt inzicht te verschaffen over interne organisatie van de beursvennootschap.
Het voorgaande heeft iets paradoxaals. Hoewel de prospectusplicht gezien de vormgeving die gelden voor de inhoud van het prospectus niet aan de in de Prospectusrichtlijn geformuleerde doelstellingen lijkt te (kunnen) voldoen, sluit de prospectusplicht — daardoor — wel dichter aan op de rol die het prospectus in de praktijk vervult. Die rol is voornamelijk het zijn van een (juridisch) document, op basis waarvan — achteraf — het oordeel wordt gevormd of de daarin opgenomen informatie afdoende was om een geïnformeerde investeringsbeslissing te nemen. Dat de inhoudelijke prospectusvereisten met name zijn gericht op verstrekking van historische informatie vind ik niet problematisch.
De beoordelingsnorm of het prospectus, achteraf bezien, voor investeerders de informatie bevat die "noodzakelijk of van belang is", is enerzijds een dynamische en open norm die het mogelijk maakt dat voor investeerders de informatie die in het specifieke geval moet worden verstrekt in het prospectus wordt opgenomen. Omdat het perspectief bestaat uit het tegengaan van "agency-problemen", biedt (deze invulling van) die norm beursvennootschappen anderzijds meer houvast dan (invulling van) die norm vanuit het perspectief dat alle informatie met het oog op een adequate werking van de effectenmarkt zou moeten worden opgenomen. Aan die norm is bovendien verdere invulling gegeven door de nauwe(re) aansluiting tussen de in de Wft opgenomen inhoudelijke prospectusvoorschriften en de vereisten waaraan moet zijn voldaan om een prospectus niet als "misleidend" in civielrechtelijke zin te kwalificeren. Uit de inwerkingtreding van de in de Wet OHP opgenomen bepaling over "misleidende" omissies vloeit immers voort dat het informatie moet betreffen die van belang is voor de investeringsbeslissing van de "maatman-investeerder". In dit vereiste komt tot uitdrukking dat in de norm of het prospectus alle informatie bevat die "noodzakelijk of van belang is" een element van materialiteit is besloten. De uitspraak van de Hoge Raad in het VEB/World Online-arrest heeft deze aansluiting verder versterkt.
Tezamen leidt het voorgaande ertoe dat mijn eindoordeel over de vormgeving van de prospectusplicht positiever dan dat van menigeen in de (Nederlandse) literatuur. Dat voor de particuliere investeerder de omvang van het prospectus te groot zou zijn en zou leiden tot een niet te behappen "informatie overload"1, miskent dat het "beschermingselement" van de pro spectusplicht voor die investeerders met name vanuit retroperspectief moet worden beoordeeld. Weliswaar staat daarmee (nog) niet vast of de prospectusplicht in alle opzichten effectief en kostenefficiënt is vormgegeven, maar dat de huidige prospectus-plicht zijn doel niet bereikt is een conclusie2 die ik niet deel.