Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.7.1:4.7.1 Rechterlijke controle op vervolgingsbeslissingen
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.7.1
4.7.1 Rechterlijke controle op vervolgingsbeslissingen
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Corstens/Borgers 2011, p. 553.
Met inwerkingtreding van de Wet versterking positie rechter-commissaris (Stb. 2011, 600) op 1 januari 2013 is de kennisgeving van verdere vervolging vervallen evenals de bijbehorende mogelijkheid om daartegen een bezwaarschift in te dienen. Sindsdien is er alleen nog een bezwaarschriftprocedure mogelijk tegen de dagvaarding.
Duker 2010 lijkt dit anders te zien.
Bijvoorbeeld Hof Leeuwarden 21 november 2011, LJN BU4940.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op de vervolgingsbeslissing kan ook de rechter invloed hebben: belanghebbenden kunnen beklag indienen bij het Gerechtshof over niet (verdere) vervolging, waarna het Gerechtshof de officier van justitie kan bevelen vervolging in te stellen, en bovendien kan bepalen waarvoor vervolgd moet worden (artikel 12-12l Sv). Volgens de wet kan het Gerechtshof de opportuniteitsbeslissing van de officier volledig toetsen. Veelvuldig gebruik van die volledige toetsing zou echter een doorkruising van het gecentraliseerde vervolgingsbeleid met zich meebrengen en daarom wordt wel verdedigd dat het Hof zich tot een marginale toetsing zou moeten beperken.1
De vervolgingsbeslissing kan door de verdachte worden bestreden door een bezwaarschrift in te dienen tegen de dagvaarding (artikel 262 Sv).2 Deze bezwaarschriftprocedure leidt echter zelden tot succes, en dat geldt in ieder geval wanneer de bezwaren zich richten op de opportuniteit van de vervolging. Die component van de vervolgingsbeslissing is uitgesloten van toetsing in het kader van de bezwaarschriftprocedure (artikel 262 lid 4, 5 en 6 Sv). Ten aanzien van de haalbaarheid geldt dat de rechtbank slechts een marginaal oordeel over de mogelijkheid van veroordeling geeft.
Niet meer voorafgaand aan de berechting, maar bij de rechter ter terechtzitting kan de verdachte een beroep doen op de beginselen van een goede procesorde. Dat geeft hem de mogelijkheid om de vervolgingsbeslissing marginaal te laten toetsen aan de conformiteit met die beginselen. Die toetsing betreft wel een volledige toetsing van de verenigbaarheid van de vervolgingsbeslissing met de beginselen van een goede procesorde, maar dat betekent dat de vervolgingsbeslissing als zodanig slechts marginaal wordt getoetst. Die beginselen stellen immers slechts uiterste grenzen aan de beslissing, zodat de toetsing zich wel volledig op die beginselen richt maar daarbij een vrije beslissingsruimte voor het om overlaat.3
De vraag rijst hoe deze controlemechanismen in onderling verband moeten worden gezien. Het is mogelijk om vooral belang te hechten aan de beklagmogelijkheid tegen niet-vervolging wanneer een negatieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel wordt aangehangen. Als voor een positieve interpretatie zou worden gekozen, is vooral de bezwaarschriftprocedure van belang. Dat geldt althans, wanneer aan rechterlijke controle op vervolgingsbeslissingen met name belang wordt gehecht in de uitzonderingssituatie. Het instellen van vervolging als uitzondering op de regel dat strafbare feiten niet worden vervolgd, zoals in de positieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel geldt, zou dan ter discussie moeten kunnen worden gesteld in de bezwaarschriftprocedure. Omgekeerd geldt dan het beklag in een negatieve interpretatie als voornaamste mogelijkheid om tegen de uitzondering van het sepot te ageren. Het in Nederland geldende stelsel kan niet echt worden gezien als gestoeld op één van beide gedachten. Desondanks vertoont het daar wel enige trekken van. De bezwaarschriftprocedure is zeker niet de plaats om de opportuniteit ter discussie te stellen, die rol wordt eerder ingenomen door de zittingsrechter die de vervolgingsbeslissing aan de beginselen van een goede procesorde toetst. De beklagrechter stelt zich echter ook enigszins terughoudend op, en heeft de neiging om in ieder geval het vastgestelde vervolgingsbeleid niet ter discussie te stellen, en de toetsing van de beslissing tot nietvervolging erg casuïstisch te houden.4 Hieronder volgen nog enkele opmerkingen over de toetsing aan de beginselen van een goede procesorde en over een aanvulling op het stelsel van rechterlijke controle van de vervolgingsbeslissing, namelijk de toetsing door de Nationale ombudsman van het optreden van het om naar maatstaven van behoorlijkheid.