Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/3.2
3.2 Collectieve verantwoordelijkheid van belastingheffing (in historisch perspectief)
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS376471:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Lucy Mair, Primitive Government, 1962, p. 125.
W.J.M. Voermans en S.C. van Bijsterveld, Hoofdstuk 6 - Rechtspraak. In: E.M.H. Hirsch Ballin enG. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2014 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
Naast ‘rijksbelastingen’ zijn er ook belastingen op gemeentelijk niveau. In het kader van deze studie beperk ik mij tot de ‘rijksbelastingen’. Waar ik spreek over belastingen worden de rijksbelastingen bedoeld, tenzij anders vermeld.
Kamerstukken II 1978/79, 15 575, nr. 3, p. 3 en 4.
P.J. Wattel, preadvies. In: Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging, De reikwijdte van fundamentele rechten, W.E.J Tjeenk Willink, 1995, p. 193-194: ‘De delegatiebepaling stelt in de praktijk weinig voor. Zij geldt niet voor andere belastingen dan die van het Rijk en ook niet voor ‘andere heffingen van het Rijk’ dan belastingen. Het is onduidelijk of bijvoorbeeld milieuheffingen, retributies, premies volksverzekeringen, en dergelijke heffingen ‘belastingen’ of ‘andere heffin gen’ zijn. Het is eveneens onduidelijk waarom het de burger een zier zou moeten schelen of een hem opgelegde geldelijke last een ‘belasting’ of een ‘andere heffing’ is. Waarom is bij andere heffingen delegatie ook van de essentialia wél toelaatbaar en bij belastingen niet?’.
W.J.M. Voermans en S.C. van Bijsterveld, Hoofdstuk 6 - Rechtspraak. In: E.M.H. Hirsch Ballin enG. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2014 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
R.E.C.M Niessen, Inleiding Nederlands Belastingrecht, Fiscale Handboeken nr. 1, 2010/3.1.
Rapport van de Commissie ter bestudering van het begrip ‘belastingen’, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, nr. 184, 1990, p. 48 en 49.
Rapport van de Commissie ter bestudering van het begrip ‘belastingen’, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, nr. 184, 1990, p. 34.
Voor een uitgebreidere beschouwing over ander soortige heffingsgrondslagen, zie o.a. R.E.C.M. Niessen, Historische grondslagen voor belastingheffing in Europa, FED 2003/618.
N. van der Sijs (samensteller), Etymologiebank 2010, op https://etymologiebank.nl/, Geraadpleegd: 26 juli 2017.
K. Birket-Smith, De weg der beschaving, 1950, p. 156.
J. Kohler en L. Wenger, Allgemeine Rechtsgeschichte-Orientalisches Recht, Erste Hälfte: Orientalisches Recht und Recht der Griechen und Römer, p. 27-28.
V.G. Childe, Man Makes Himself, 1936, p. 74-117.
M. Vermeersch, Geschiedenis van de mens. Deel I, Jagers en verzamelaars. Boek 2, de maatschappij van jagers en verzamelaars, 2008.
H.G.K. Gebel The Neolithic of the Near East An essay on a ‘Polycentric Process’ and other current research problems. In: A. Hausleiter, S. Kerner & B. Müller-Neuhof (Hrg.), Material Culture and Mental Spheres. Rezeption archäologischer Denkrichtungen in der Vorderasiatischen Altertumskunde. Alter Orient und Altes Testament 293, 2002, p. 313-324.
R.E.C.M. Niessen, Over de legitimatie van belastingheffing. In: A.C. Rijkers (red.), Geppaartbundel: Beschouwingen over grondslagen, Opstellen aangeboden aan prof. mr. Ch. P.A. Geppaart, 1996, 9.152.
John Haywood, Atlas voor de wereldgeschiedenis, 1999, p. 20.
K. Birket-Smith, De weg der beschaving, 1950, p. 239 -249.
H. Frankfurt, Vantoen.nu. Het ontstaan van de beschaving in het Nabije Oosten, 2008, p. 53-54.
M. Rostovtzeff, De oude wereld, 1964, p. 142.
R.E.C.M. Niessen, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, 2010, p. 4.
Het draagkrachtbeginsel vormt een prominent element van solidariteit, L.G.M. Stevens, Elementair belastingrecht, 2015, p. 10 e.v. Het is een beginsel dat specifiek aan de belastingheffing ten grondslag moet liggen omwille van een rechtvaardige belastingheffing, J.L.M. Gribnau, Bijdragen aan een rechtvaardige belastingheffing, Reeks Jan Giele-lezing Amersfoort, Sdu Uitgevers Fiscale en Financiële Uitgevers, 2007, p. 47.
J.C. van Oven, Tributum. In: Tractatus tributarii: opstellen op belastinggebied aangeboden aan prof. dr. P.J.A. Adriani ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, Haarlem: Tjeenk Willink 1949, p. 29 e.v.
F.H.M. Grapperhaus, Belasting, Vrijheid en Eigendom. Hoe belasting leidde tot meer zeggenschap voor burgers en meer eenheid tussen staten 511-1787, 1989.
B. Laum, Entstehung der öffentlichen Finanzwirtshaft: Altertum und Frühmittelalter. In: Handbuch der Finanzwissenschaft, W. Gerloff und F. Meisel (Hrsg), Handbuch I 185-208, p. 233.
De Universele Spaanse Monarchie (1492-1898), waarvan (delen van) Nederland (Republiek der Verenigde Nederlanden) deel uitmaakte tot 1648.
Art. V van de Unie van Utrecht, ‘Ende omme te versien tot die costen, die men van noode hebben sal in gevalle als boeven tot defentie van de voorsz. Provinciën, es overcommen dat in alle die voorsz. geünieerde provinciën eenpaerlick ende op eenen voet tot gemeen defentie der selver proviciën opgestelt, geheven…sullen worden…seeckere imposten….’
J. van der Poel, De Unie van Utrecht, de geboorteklok van een Nederlandsch belastingstelsel. In: Tributen aan het recht. Bundel samengesteld ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het Weekblad voor fiscaal recht, p. 31-48, 1971.
Daarnaast verkrijgen zijn hun inkomsten met allerlei accijnzen (op brandhout, zout, zeep en wijn), is er een vorm van omzetbelasting (bij het recht op de waag) en heffen zij successierechten.
T.J.E.M. Pfeil, Op gelijke voet. De geschiedenis van de Belastingdienst, 2009, p. 15.
Staatsregeling voor het Bataafse Volk (1 mei 1798). De democratische en unitarische Staatsregeling van 1798 is de eerste grondwet van Nederland.
Het wederkerigheidsprincipe vormt, ook nu nog, de basis van de rechtsstaat. G.A. den Hertogh, ‘Waarom behoren rechtsbeginselen tot het recht?’ In: H. Gribnau (red.), Principieel belastingrecht, 2011, p. 76.
Commissie Uitdragen kernwaarden van de Rechtsstaat, Onverschilligheid is geen optie, de rechtsstaat maken we samen, 2008, p. 5.
Eerst binnen het Koninkrijk Holland, onder leiding van koning Lodewijk Napoleon, 1806-1810 en later na de inlijving bij Frankrijk 1810-1813.
Het eerste algemene belastingstelsel van Nederland, Staatsbesluit, 12 juli 1805, nr. 3.
Stelselwet van 12 juli 1821, Stb. 1821, 9.
Art. 117 Gw 1814: De Souvereine Vorst en de Staten-Generaal gezamenlijk zijn alleen en bij uitsluiting bevoegd tot het heffen en regelen van belastingen. De belastingen, bij het aannemen dezer grondwet bestaande, blijven op denzelfden voet, tot dat er anders over beschikt worde bij de wet. Art. 197 Gw 1815: Geene belastingen kunnen ten behoeve van ’s lands kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet (art 195 Gw. 1840; art 171 Gw 1848). Art. 174 Gw 1887: Geene belastingen kunnen ten behoeve van ’s Rijks kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet. Deze bepaling is ook toepasselijk op heffingen, voor het gebruik van Rijkswerken en inrigtingen, voor zooveel de regeling van die heffingen niet aan den Koning is voorbehouden (art. 175 Gw 1922; art. 181 Gw 1938; art. 188 Gw 1953). Het huidige artikel 104 Gw is van dezelfde strekking.
E.J. Janse de Jonge, Commentaar op art. 104 van de Grondwet. In: E.M.H. Hirsch Ballin enG. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet, webeditie 2014 (www.Nederlandrechtsstaat.nl).
Het systeem kende de volgende vijf categorieën: de directe belastingen (grondbelasting, recht van patent en personele belasting), indirecte belastingen (successierecht, registratie-, zegel-, griffie- en hypotheekrechten), accijnzen (op o.a. wijn, bier en suiker), in-, uit- en doorvoerrechten en tonnengeld, en de belasting op goud- en zilverwerk.
Algemeen Reglement voor de Departementale Besturen, Wet van 10 juli 1805.
Een van de oudste belastingheffing naar draagkracht is het zogenaamd ‘getrapt hoofdgeld’ waarin belastingheffing naar ‘klasse’ worden belast, E.H.M. Grapperhaus, bescherming beroving belasting. In: tienduizend jaar van embryonale naar volwassen belastingheffing, 2002, p. 42-44.
F.H.M. Grapperhaus, ‘De landbrief van de bisschop van Utrecht van 1375, geplaatst in een fiscaal-historische omlijsting.’ In: Jaarboek Oud Utrecht, Vereniging tot beoefening en tot verspreiding van de kennis der geschiedenis van stad en provincie Utrecht, 1996, p. 107.
F.H.M. Grapperhaus, De pelgrimstocht naar het draagkrachtbeginsel. Belastingheffing in West-Europa tussen 800 en 1800, 1993, p. 46.
Met het veranderen van de belastinggrondslag komt de geheimhoudingsplicht steeds weer en pregnanter naar voren, zij het met andere woorden voor de specifieke wetten. Ik noem in deze Art. 35 Wet van 2 okt. 1893, betreffende eene belasting op bedrijfs- en andere inkomsten, Stb. 1893, 149: ‘Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uit hoofde van zijn (…) ambt nopens aanslag in deze belasting, inkomsten, vermogen, uitkeeringen of uitdeelingen, bedrijf, beroep, waardigheid, bediening, betrekking of werkzaamheden van anderen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt (…) gevorderd wordt.’
Belasting op de bedrijfs- en andere inkomsten (2 oktober 1893, Stb. 1893, 149) en Belasting op de inkomsten uit vermogen (27 september 1892, Stb. 1892, 223).
Wet op de Inkomstenbelasting 1914, 19 december 1914, Stb. 1914, 563.
P.H.J. Essers, Belast verleden, Het Nederlandse belastingrecht onder nationaalsocialistisch regime, 2012, p. 35.
Wet op de oorlogswinstbelasting, 22 juni 1916, Stb. 1916, 288.
T.J.E.M. Pfeil, Op gelijke voet. De geschiedenis van de Belastingdienst, 2009, p. 375.
Wet op de Dividendbelasting- en tantiemebelasting 1917, 11 januari 1918, Stb. 1918, 4.
Wet op de Omzetbelasting (25 oktober 1933, Stb. 546) en Art. 17 Registratiewet 1917 (22 maart 1917, Stb. 1917, 243): ‘(eerste lid) De inhoud der registers van registratie wordt door ’s Rijks ambtenaar niet verder bekend gemaakt dan voor de uitoefening van zijn ambt, voor de invordering van eenige aan den lande verschuldigde belasting of voor de toepassing van eenige wet (…) wordt gevorderd. (tweede lid) Desverlangd wordt inzage van eene registratie verleend en afschrift of uittreksel daarvan afgegeven aan partijen, hare erfgenamen en rechtverkrijgenden en den openbaren ambtenaar door wien de akte is opgemaakt (…)’
P.H.J. Essers, Belast verleden, Het Nederlandse belastingrecht onder nationaalsocialistisch regime, 2012, p. 498.
Besluit op de Winstbelasting 1940, Besluit van 26 juli 1940, Verordeningenblad nr. 83/1940, Stb. 1940, 405.
Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, 8 oktober 1969, Stb. 1969, 469.
P.H.J. Essers, Belast verleden, Het Nederlandse belastingrecht onder nationaalsocialistisch regime, 2012, p. 508.
Essers plaatst hier wel een kanttekening bij: met het intrekken van deze plannen bewerkstelligen de Duitse overheersers een snelle fiscale Anschluss (‘eenwording’) waarmee de Nederlandse belastingheffing zijn bijdrage levert in het financieren van de Duitse oorlogsvoering in de Sovjet-Unie. P.H.J. Essers, Belast verleden, Het Nederlandse belastingrecht onder nationaalsocialistisch regime, 2012, p. 498.
In 1978 kwam al wel de Wet investeringsrekening (WIR) tot stand als investeringsregeling voor bedrijfsmiddelen (Stb. 1978,368). Hoewel sprake was van een credit-against-tax voor de inkomsten – en vennootschapsbelasting, viel de wet zelf onder het ministerie van Economische Zaken (Uitvoering vanuit Fonds Investeringsregeling met de algemene middelen).
T.J.E.M. Pfeil, Op gelijke voet. De geschiedenis van de Belastingdienst, 2009, p. 296.
D. Ruimschotel, Goed Toezicht: Principes van professionaliteit, democratie en good governance, p. 214.
Het heffen van de Premie volksverzekering lag al langere tijd bij de Belastingdienst al veel langer: later kwamen daar ook de premie werknemersverzekeringen bij.
Internationaal gezien heeft de Nederlandse Belastingdienst hiermee een uitzonderlijke positie. In een enkele landen behoort het innnen van sociale verzekeringpremies tot de centrale belastingdienst en in een beperkt aantal landen het uitbetalen van sociale toeslagen. M. Alink en V. van Kommer, Handbook on Tax Administration, 2011, p. 94.
Wet van 23 juni 2005 tot harmonisatie van inkomensafhankelijke regelingen (Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen).
De aanhef wet van 23 juni 2005 tot harmonisatie van inkomensafhankelijke regelingen (Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen) vermeldt dat de uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen (zoals Wet op de zorgtoeslag en Wet op de huurtoeslag), waar mogelijk, plaatsvindt door de Belastingdienst/Toeslagen.
Voor een overzicht van het onstaan van een divers aantal toezichthouders in relatie tot de oorspronkelijk wetten (zoals de Warenwet uit 1922, de (lagere) onderwijswet uit 1801, gezondheidswetten uit 1804 en die van 1865) wil ik verwijzen naar F. Mertens, Inspecteren: toezicht door inspecties, (Den Haag: Sdu Uitgevers) 2011.
Als voorbeeld noem ik de ontwikkelingen naar de vlaktaks, C.L.J. Caminada, Fiscale stelsels in beweging: de casus van de vlakke belasting op arbeidsinkomen. In: Fiskaal, 30, 2006, nr. 2, p. 10-12.
De oorsprong van het heffen en innen van belastingen.
Vandaag de dag is het hebben van een belastingsysteem een van de kenmerken voor een ‘staat’.1 Zonder belastingsysteem is er geen staat in bestuursrechtelijke zin. De Belastingdienst is een onderdeel van onze sociale en democratische rechtsstaat.2 Hij geeft uitvoering aan het grondwettelijke beginsel van het heffen en innen van (rijks) belastingen (art. 104 Gw).3 Dat zijn twee rechtsbeginselen met een rijke inhoud en een even rijke historie.
De grondwetgever spreekt over ‘belastingen’ en ‘heffingen’, maar heeft zich nimmer gewaagd aan een nauwkeurige definiëring van beide begrippen.4 Een ieder heeft daar zo zijn gedachten over. Het is dan ook niet duidelijk wat grondwettelijk onder beide begrippen moet – en kan – worden verstaan.5 Ik sluit mij dan ook aan bij de mening van Voermans en Bijsterveld: ‘Vaagheid is troef’.6 In de praktijk heeft dit er dan ook toe geleid dat er meerdere definities van beide begrippen circuleren. Voor de beeldvorming van belastingen sluit ik aan bij de gangbare definities.
Wat zijn belastingen?
De klassieke – rechtswetenschappelijke – definitie van het begrip belastingen luidde: ‘Belastingen zijn gedwongen betalingen aan de overheid als zodanig, waar geen rechtstreekse individuele contraprestatie van de overheid tegenover staat, en die krachtens algemene regelen worden geheven.’7
De Vereniging voor Belastingwetenschap formuleert, in navolging van het Rapport van de Commissie ter bestudering van het begrip ‘belastingen’, het begrip ruimer: ‘Belastingen zijn betalingen die de overheid op grond van een publiekrechtelijke regeling, uitsluitend of mede ter verwerving van inkomsten door de in die regeling aangewezen lichamen, en anders dan op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst, dwangmatig en overeenkomstig algemene regelen vordert.’8 Deze definitie sluit aan bij het juridische begrip voor overheidsheffingen.9 De commissie stelt dat vanwege de – verruimde – definitie voor belastingen een onderverdeling van de overheidsheffingen niet langer zinvol is. Onder het – volledig ingeburgerde – begrip belastingen rekent zij ook alle overheidsheffingen. Ik volg de commissie hierin. Vanuit deze definitie destilleer ik de volgende drie kenmerken: het gaat om (1) betalingen aan de overheid, (2) voor collectieve doeleinden met (3) de mogelijkheid nakoming af te dwingen. Die vormen het fundament voor de taakuitoefening van de Belastingdienst.
Collectieve verantwoordelijkheid
Uiteraard is met het ontstaan van bovenstaande definitie niet het fenomeen van belastingen ontstaan. Dat dateert al van eeuwen tevoren. In het onderzoek naar het ontstaan van belastingen gaat het echter om de betalingen die bovengenoemde elementen in zich dragen.10 Er moet sprake zijn van (de verplichting tot) het voldoen van schulden. Dat is immers etymologisch de betekenis van ‘betalen’.11
De eerste vormen van belastingheffing zoals wij die heden ten dage kennen, doen zich pas voor in de tijd waarin stammen de gronden gaan bebouwen.12 Dan komt het individuele belang op.13 De (eerste) landbouwrevolutie (neolithische revolutie) vormt de overgang naar een samenleving van mensen die in nederzettingen wonen (sedentarisme) en aan landbouw en veeteelt doen.14 De eerste beginselen van belastingheffingen zijn dan terug te leiden naar deze nederzettingen, te weten zo’n 6.000 jaar geleden in het vruchtbare Twee-stromengebied van de Eufraat en de Tigris (Sumerië, het zuiden van het latere Mesopotamië).15 Dan begint de ontwikkeling van de belastingen, zoals wij die vandaag de dag kennen.
Met het ontstaan van de reguliere landbouw ontwikkelen zich grotere nederzettingen en uiteindelijk steden. Het is dan niet meer mogelijk dat een ieder zijn bijdrage levert aan de landbouw en/of jacht. Er komt een toenemende specialisatie van herders, landbouwers en pottenbakkers. Tijdens de ontwikkeling van een samenleving ontstaat de behoefte aan gemeenschappelijke taken voor bestuur en verdediging.16 De bestuurders en krijgslieden ontvangen in ruil daarvoor dagelijks levensonderhoud. De dorpelingen werken vrijwillig samen en dragen hun deel af aan de ‘overheid’. Niet dat het individuele belang daarmee verdwijnt, maar het gebeurt vanuit de (meerderheid)gedachte dat een grote mate van onderlinge samenwerking het eigen belang het meest dient.17 In deze collectieve bijdrage ligt de oervorm van de belastingen.18 Een collectiviteitsprincipe dat gepaard gaat met een eenzijdige ingreep in de bestedingsvrijheid van burgers en later ook bedrijven.19
De staatkundige ontwikkeling naar een belastingsysteem
Historisch gezien loopt de staatkundige vorming parallel met het tot stand komen van een algemeen belastingsysteem. De historische ontwikkeling van beide heeft geleid tot het belastingstelsel dat wij nu nog in Nederland hebben.
De eerste contouren vinden wij in het Oude Egypte (periode 3300-332 voor Christus). Met het onstaan van een wetgevende en uitvoerende macht, komt ook een zeker bewustzijn van de grenzen van gemeenschapstaken en – plichten en interne en externe machtsuitoefening.20 De burgers dragen – meestal letterlijk en in natura – hun belasting af aan de farao en diens centrale administratie met ambtenaren.21
De eerste beginselen van een democratisch (bestuurs)systeem vinden wij in het Oude Griekenland (de zogenaamde klassieke periode tussen circa 500-323 voor Christus). Er heerst een collectieve verantwoordelijkheid waarbij de koning als het ware de primus inter pares is.22 En hoewel er weinig bekend is over het functioneren van het belastingsysteem, concludeert Niessen dat het systeem een groot draagvlak kende: de belastingmoraal. Een moraal die hoger was dan elders werd aangetroffen.23 De solidariteitsgedachte is de grondslag voor de belastingheffing, wat zelfs in zekere mate – op basis van vrijwilligheid – onderscheid maakt naar draagkracht.24
Een soortgelijke staatsvorming, met uitzondering van de democratisering, treedt op in de gebieden van de Romeinse overheersing (750 voor Christus – 476 na Christus). In de tijd van keizer Augustus (27 voor Christus) ontstaat een systeem van heffing van belastingen naar draagkracht.25 Ook vindt in die tijd een geleidelijke opbouw plaats van een centrale belastingadministratie, de unificatie van de belastingheffing naar vaste grondslagen en afschaffing van belastingprivilegiën.
In de tijd van de vroege middeleeuwen (derde en vierde eeuw na Christus) ‘verviel’ de Griekse en Romeinse overheersing en daarmee tevens het centrale bestuur. Dat is het begin van een aanvankelijk neergaande en vervolgens weer opgaande evolutie in de centrale belastingheffing.26
De steden verkrijgen met het wegvallen van ‘overheersers’ soevereiniteit over onder andere het heffen (en innen) van belastingen. De heffing van directe belastingen zoals hoofd- en grondbelasting verdwijnt en de steden vallen terug op het heffen van allerlei tollen langs land- en waterwegen. Tussen de steden is weinig cohesie en zij worden met name beïnvloed door de afzonderlijke ridderschappen. De vorsten leven met name van hun eigen grondbezit. In geval van tekorten doen zij een beroep op de vrijgevigheid van ‘hun’ steden; de ‘mehr oder weniger freiwillige Deckung’.27 De wederkerigheid van het betalen voor bescherming komt duidelijk naar voren.
De volgende overheersing, en dan door Spanje, brengt weer ‘bestuurlijke eenheid’ tussen de steden en daarmee ook weer harmonisatie in de belastingheffing. De heffing van belastingen centraliseert zich.28 In die periode begint de geboorteklok te tikken van het Nederlandse belastingsysteem. De aanzet tot centralisatie van de Nederlandse belastingheffing vindt plaats bij het tot standkomen van de Unie van Utrecht.
Op 23 januari 1579 tekent een aantal Nederlandse gewesten een overeenkomst voor het verdedigen van de Zeven Provinciën (die later gestalte krijgt in de ‘Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden’, 1581-1795) tegen de Spaanse overheersing. Die overeenkomst regelt allerlei staatkundige zaken op het gebied van onder andere defensie en godsdienst. Zij komen ook een gezamenlijke belastingheffing overeen. De grondslag daarvoor is gelegen in het gedeelde belang: de verdediging van de konvooien te water gefinancierd door de heffing van de convooi- en licentiegelden (‘de middelen te water’). Voor het financieren van overige oorlogslasten zoals de onderhoudsuitgaven voor de troepen, vindt een jaarlijks omslag plaats aan de afzonderlijke provincies volgens een vaste verdeelsleutel: ‘eenpaerlick ende op eenen voet’.29 Kortom, het gelijkheidsbeginsel in zijn meest primitieve vorm.
Vanwege deze bepaling wordt de Unie van Utrecht weleens de geboorte van het Nederlands belastingstelsel genoemd.30 De Provinciën moeten zelf hun middelen daarvoor verkrijgen met hun eigen financiële bronnen en zijn soeverein in het heffen van directe belastingen zoals grond- en haardstedenbelasting.31
De provinciën weigeren echter hun soevereiniteit voor de heffingsrechten uit handen te geven en blijven fiscaal concurreren met allerlei vormen van vrijstellin gen. Vanwege het gebrek aan harmonisatie blijft de ontwikkeling naar een algemeen belastingstelsel voorlopig uit.32 Die vindt wel plaats wanneer de eenheidsstaat van de Bataafse Republiek ontstaat. Dan zijn de eerste grondbeginselen te herkennen van het moderne Nederland ten aanzien van onder andere de staatkundige eenheid, de soevereiniteit voor het volk en de rechten voor de mens.33 De wetgeving perkt het overheidsoptreden in. Het beginsel van wederkerigheid doet haar intrede.34 De macht van de overheid beperkt zich (strikt) tot de reikwijdte van de wet (zie par. 3.4 over uitbreiding verantwoordelijkheid van de inspecteur).35
De komst van een algemeen belastingstelsel in Nederland
Met het tot stand komen van de Staatsregeling is de eenheid van de Nederlandse belastingheffing – wettelijk – een feit. Van een unificatie van de belastingheffing is echter pas sprake in de tijd van Napoleontische overheersing.36 Het is met name de eerste minister van Financiën Isaac Jan Alexander Gogel (1765-1821) die hier zijn stempel op drukt. Hij weet in 1805 een eenheid te verwezenlijken in het financieel beleid van de Republiek.37 Die leidt tot een eerste stelsel van algemene belastingen in Nederland.38 De belastingheffing krijgt een eigen plaats in de Grondwet. Belastingen moeten worden vastgesteld bij wet in formele zin (‘legaliteitsbeginsel’).39 Bij het tot stand komen van de Grondwet wordt dit beginsel het scherpst gesteld door Van Hogendorp in zijn Schets van 1812 (art. 53, laatste zin): ‘(...) en er wordt geene penning geheven buiten eene wet.’40
In die periode worden de dan gangbare vijf categorieën van belastingen naar nationaal niveau getild.41 Dat vormt ook de periode waarin een centraal bestuur en een centrale belastingdienst worden ingesteld.42 Daarnaast begint het draagkrachtprincipe een dominantere plaats te krijgen in het leveren van bijdragen aan de samenleving. Het heffen van belastingen moet geschieden naar vermogen. De sterkste schouders moeten ook de zwaarste lasten dragen. Zij kunnen die zwaardere last dragen en hebben bovendien het meeste profijt van de eigendomsbescherming die de overheid biedt.43 Met de patentbelasting, een (directe) belasting naar veronderstelde winstgevendheid, dragen ook bedrijven bij aan de samenleving. De grondslagen voor de heffing waren echter te primitief om tot een zuivere belasting van de ‘winst’ te komen. Hoewel het heffen over de gerealiseerde opbrengsten veel rechtvaardiger is, is dat in die ‘primitieve’ maatschappij niet mogelijk.44 Voor de vermogensbelasting vertegenwoordigt de waarde van het vermogen de gekapitaliseerde opbrengsten van verpachte gronden en verhuurde huizen.45
Aan het einde van de negentiende eeuw (in de periode 1892-1896) vindt er een grote hervorming van het belastingstelsel plaats.46 Dan ontstaat de eerste belastingheffing naar inkomen.47 In het begin van de twintigste eeuw vindt een verdere uitwerking plaats tot een algemene Wet op de Inkomstenbelasting.48 Ook dan blijkt dat geen periodes zo vruchtbaar zijn voor fiscale stelselwijzigingen als tijden van crisis en oorlog.49
De eerste veranderingsgolf vindt plaats ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Met het in werking treden van de Wet op de Oorlogswinstbelasting verandert de heffingsgrondslag.50 Die wet heeft ten doel om de ‘meerinkomsten weg te belasten’ met buitengewoon hoge belastingpercentages.51 In die wet vindt de belastingheffing voor bedrijven voor het eerst in de fiscale geschiedenis plaats naar de werkelijk behaalde winst. De belasting op inkomsten uit rechtspersonen (toentertijd alleen nog NV’s) die tot dan toe is opgenomen in de patentwet en de latere Wet op de Inkomstenbelasting 1914, krijgt in 1917 een eigen plaats in een afzonderlijke wet.52 Ook voor andere belastingen die dan in allerlei vormen soms al vele eeuwen bestaan, vindt een hervorming plaats en komt er een eigen wet.53
De Tweede Wereldoorlog brengt wederom een golf aan fiscale hervorming teweeg, die nog groter is dan de eerste. In die periode vindt, naast andere besluiten – tijdens de bezetting kwamen er geen wetten (in formele zin) tot stand – naar Duits model,54 de invoering plaats van een winstbelasting van vennootschappen.55 Dat is, naar later blijkt, de voorloper van de huidige wet op het heffen van de belastingen van vennootschappen.56
Een belastingsysteem niet alleen gericht op overheidsfinanciering
In die periode vindt een eerste poging plaats om niet-fiscale doelen in het fiscale stelsel op te nemen. Illustratief noem ik de ‘foute’ doeleinden vanuit het toen dominerende nazi-Duitsland met zijn nationaalsocialistische gedachtengoed. De nazi’s zien het belastingrecht als een belangrijk middel om hun rassendoctrine uit te kunnen voeren. In het eerste jaar van de overheersing willen de Duitsers dat op een subtiele wijze ook in het Nederlandse stelsel doorvoeren. Een voorbeeld hiervan is het schrappen van de kinderaftrek in de inkomsten- en loonbelasting voor joodse kinderen. Ook willen zij de (joodse) kerkgenootschappen in de belasting betrekken.57 Dit stuit – uiteraard zou ik willen zeggen – om ethische redenen op te veel weerstand bij de top van de Nederlandse belastingdienst waardoor de Duitse overheersers deze plannen niet ten uitvoer kunnen brengen. Het fiscale stelsel blijft zuiver gericht op de overheidsfinanciering.58
In het latere proces van fiscale hervorming – eind twintigste eeuw – krijgt de belastingheffing naast de overheidsfinanciering toch andere niet-fiscale doelen. Met de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 krijgt de belastingheffing een concrete sturende functie binnen het algemene economische overheidsbeleid.59 Het belastingsysteem fungeert als middel voor het beïnvloeden van onder andere de arbeidsparticipatie in en de concurrentiekracht van de Nederlandse economie.60 Zo wordt bijvoorbeeld met een heffingskorting een fiscale stimulans gegeven voor deelname aan het arbeidsproces door tweeverdieners.
In de periode vanaf eind negentiende eeuw tot eind twintigste eeuw krijgt de overheid er in zijn algemeenheid veel taken en verantwoordelijkheden bij om zaken te reguleren dan wel te (doen) organiseren.61 In deze ontwikkeling van de verzorgingsstaat krijgt ook de Belastingdienst een extra rol: aanvankelijk met de aftrekbaarheid van premies volksverzekering voor de inkomstenbelasting en later door het innen van de premies volksverzekering62 en, van nog latere datum, de bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw).63 Sinds enkele jaren vindt met de Algemene wet inkomsensafhankelijke regelingen een verdere integratie plaats van allerlei voorzieningen vanuit de verzorgingsstaat zoals inkomensafhankelijke subsidies en toeslagen.64 Het dienstonderdeel Toeslagen (‘rode dienstonderdeel’ in onderscheid tot de ‘blauwe dienst’ dat zich richt op het heffen en innen van belastinggelden) gaat toeslagen uitbetalen aan huishoudens voor de kosten van kinderopvang, huur of zorg.65
Voorzover de uitvoering daarvan buiten de Belastingdienst ligt, vervult de dienst een rol in het verstrekken van relevante (inkomens)gegevens.66 Ook andere over heidsdiensten krijgen een rol waarbij ook de behoefte ontstaat tot samenwerking in het toezicht.67
En hiermee verkrijgt het fiscale stelsel een positie die in toenemende mate afhankelijk is van allerlei politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Het verwerven van de financiële middelen ter dekking van de collectieve lasten is en blijft echter het uitgangspunt van het algemene belastingstelsel. De rechtvaardige bijdrage aan de samenleving met gelijkheid van burgers en bedrijven en uitvoerbaarheid voor alle betrokkenen, blijft daarbij een grote rol spelen.68