Rechtsgevolgen van stille cessie
Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.2.2.5:5.2.2.5 Nieuw pand- of hypotheekrecht
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.2.2.5
5.2.2.5 Nieuw pand- of hypotheekrecht
Documentgegevens:
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584847:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Faber & Vermunt 2010, p. 162-163. Anders, maar niet overtuigend: Wibier 2009b, p. 631, die contractsoverneming bepleit; en (kennelijk) Rb. Arnhem 29 september 2010, LJN BN9339 (Curator XI De IJsvogel Groep).
Anders: Wibier 2009b, p. 631.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
242. Door de pandgever bij voorbaat gevestigde pandrechten ontstaan na de overgang van de vordering in het vermogen van de nieuwe schuldeiser.1 De vestiging bij voorbaat van de zekerheidsrechten heeft als doel dat de geldvordering met voorrang op de verpande goederen kan worden verhaald (art. 3:227lid 1 BW). De pandrechten ontstaan door hun afhankelijkheid van de vordering na de overgang van de vordering in het vermogen van de nieuwe schuldeiser.
243. Bestond jegens de oude schuldeiser de contractuele verplichting tot het verstrekken van aanvullende zekerheden, maar zijn nog geen zekerheden (bij voorbaat) gevestigd, dan is goed verdedigbaar dat de hier tegenover staande vordering aan de kant van de oude schuldeiser op de nieuwe schuldeiser overgaat.2 Een verklaring is dat de oude schuldeiser bij de vordering tot het verstrekken van aanvullende zekerheden ten behoeve van de overgegane hoofdvordering geen belang meer heeft. De vordering is een kwalitatief recht (art. 6:251 BW); de hoofdvordering is het 'goed' als bedoeld in art. 6:251 BW. Een andere verklaring is dat de vordering tot het verstrekken van aanvullende zekerheden op de nieuwe schuldeiser overgaat, omdat deze vordering onlosmakelijk is verbonden met de hoofdvordering. De aanvullende zekerheidsrechten worden gevestigd tot zekerheid van de hoofdvordering. De vordering tot het verstrekken van aanvullende zekerheden dient om die reden als een nevenrecht (art. 6:142 BW) te worden beschouwd. Beide verklaringen komen in de kern op hetzelfde neer. De uitkomst is wenselijk, omdat in veel gevallen de waarde van een vordering grotendeels wordt bepaald door een dergelijke verplichting, met name als zekerheden zijn verstrekt in de vorm van een pandrecht op voorraden of op vorderingen jegens afnemers. Zou jegens de nieuwe schuldeiser geen verplichting bestaan om aanvullende zekerheden te verstrekken, dan zou de vordering na verloop van tijd zonder of met aanzienlijk minder pandrechten voortbestaan. De waarde van de hoofdvordering zou door de overgang geleidelijke afnemen; de schuldenaar zou daardoor onevenredig worden bevoordeeld.
Als na de openbare overgang van de vordering aanvullende zekerheden worden verstrekt, zullen de pand- en hypotheekrechten in naam van de nieuwe schuldeiser worden gevestigd. Allerlei variaties zijn daarbij denkbaar. In naam van de oude en de nieuwe schuldeiser kan bijvoorbeeld een gemeenschappelijk bankhypotheekrecht worden gevestigd dat strekt tot zekerheid voor de nakoming van de overgegane vordering van de nieuwe schuldeiser en tot zekerheid voor de nakoming van alle bestaande en toekomstige vorderingen die de oude schuldeiser nu heeft of in de toekomstig mocht verkrijgen op de schuldenaar.
244. Voor de stille cessie geldt het voorgaande ook. Zijn pandrechten bij voorbaat gevestigd, dan ontstaan zij na de stille cessie van rechtswege in het vermogen van de stille cessionaris. Na de stille cessie geldt in beginsel ook dat de pandgever of de hypotheekgever jegens de stille cessionaris gehouden zijn om nieuwe zekerheden te vestigen, als nieuwe schuldeiser van de stil gecedeerde vordering. Op de vraag of de stille cessionaris deze aanvullende zekerheden kan verkrijgen, en zo ja, op welke wijze, wordt hieronder in het kader van de uitoefening van andermans recht nader ingegaan.