Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/2.3.1
2.3.1 De strekking van de verrekeningsregels van de Fw
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS609622:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
In art. 307 Fw wordt overigens in mindere mate ten gunste van de schuldeiser afgeweken van de verrekeningsregels uit het BW dan in de verrekeningsartikelen bij faillissement of surseance. Zie Faber 2005, p. 454 en § 6.3.
Zie Van de Feltz I, p. 462.
Zie eveneens Faber 2005, p. 463 en B. Wessels 'Overname van vorderingen en verrekening bij faillissement', MvV 2010/4, p. 55.
Zie de arresten van de Hoge Raad van 11 juli 2003, NJ 2003, 539, PvS, JOR 2003/ 210 en 18 november 2005, NJ 2006, 190, JOR 2006/28, N.S.G.J. Vermunt, die in § 2.2.4.6, aan het slot, aan de orde zijn gekomen.
Wessels e.a. 1996, p. 7.
Zie Faber 2005, p. 521-522.
Vanuit de crediteur gezien is sprake van een boedelvordering, vanuit de positie van de failliet is sprake van een boedelschuld. Het begrip boedelschuld komt in hoofdstuk 6 nader aan de orde, met name in § 6.2.
Hetzelfde geldt bij surseance en schuldsanering natuurlijke personen: zie de § 62-6.4.
In de Fw zijn specifieke regels voor verrekening opgenomen. Zij zijn te vinden in de artikelen 53-55, 234, 235 en 307 Fw. In deze bepalingen wordt ten gunste van een schuldeiser van een gefailleerde, een sursiet of een saniet afgeweken van het bepaalde in artikel 6:127 e.v. BW.1 Volgens de Memorie van Toelichting bij artikel 53 Fw2 steunt de verruimde verrekeningsbevoegdheid uit de Fw op de gedachte:
"dat de billijkheid meebrengt, dat iedere schuldeischer van den boedel, dus ook de voorwaardelijke, zijn schuld aan den boedel, ook al is zij voorwaardelijk, als een onderpand mag beschouwen voor de richtige betaling zijner vordering; de schuldvergelijking is het middel dat hem wordt gegeven om zijn vordering op dit onderpand te verhalen."3
Ook volgens de Hoge Raad is artikel 53 lid 1 Fw gebaseerd op de redenering dat iedere schuldeiser van de boedel zijn schuld aan de boedel als 'onderpand' mag beschouwen voor de betaling van zijn vordering.4
Wessels merkt op:
"de in afd. 6.1.12 opgenomen regeling is niet geschreven voor het geval dat een der partijen in staat van faillissement verkeert. Onder welke voorwaarden verrekening dan moet worden toegelaten is aan een bijzondere regeling in de Faillissementwet overgelaten, art. 53 e.v. Fw."5
Deze beschrijving komt mij onvolledig voor. Het gaat om het geval dat de wederpartij van een failliet zich op verrekening beroept. In dat geval geldt artikel 53 Fw. Is degene die zich op verrekening wil beroepen zelf failliet maar de wederpartij niet, dan zal de verrekening zijn onderworpen aan de regels van het BW.6 Betreft een vordering op een gefailleerde een boedelvordering,7 dan missen de verrekeningsbepalingen van de Fw toepassing en gelden eveneens de verrekeningsregels van het BW.8
Bij verrekening door de fiscus in geval van faillissement kan in theorie ook artikel 54 Fw een rol spelen. Volgens artikel 54 lid 1 Fw is degene die een schuld aan de gefailleerde of een vordering op de gefailleerde vóór de faillietverklaring van een derde heeft overgenomen niet bevoegd tot verrekening, indien hij bij de overneming niet te goeder trouw heeft gehandeld. Uit het tweede lid van artikel 54 Fw volgt dat na de faillietverklaring overgenomen vorderingen of schulden niet kunnen worden verrekend.9 Het komt, voor zover bekend, niet voor dat de fiscus vorderingen of schulden van derden overneemt, om die vervolgens in verrekening te brengen jegens een belastingplichtige. Artikel 54 Fw zal om die reden geen onderdeel van dit onderzoek uitmaken.