Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/VIII.2.0
VIII.2.0
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS386582:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
COGD, II, 2, 1384, l. 1832.
COGD, II, 2, 1388, l. 1967.
J. Mansi, Sacrorum conciliorum, 32, 878 B. Zie nu: COGD, II, 2, 1381, l. 1717-1726.
Wij zien hier af van een uitgebreid overzicht van de buitenlandse literatuur: J. Wodka, Zur Geschichte der nationalen Protektorate der Kardinäle an der römischen Kurie, Innsbruck- Leipzig 1938.
Tot dusver vonden we de beste informatie in het ASV, in de inventarissen van Van Durme met betrekking tot de archieven van Simancas en in het ARABrussel.
W. Wilkie, The Cardinal Protectors of England. Rome and the Tudors before the Reformation, Cambridge 1974.
Extrav. Com. 3.2.5 Salvator.
Voor een alternatieve benadering, zie: H. Geldorpius, Totius Belgicae urbium, abbatiarum, collegiorum divisio, ad opprimendum per novos episcopos Evangelium Romae sub Paulo IIII. Pont. Max. Anno 1558 definita, authore Francisco Sonnio, Theologo Lovaniensi, [s.l.] Anno MDLXX, 7-14 en 194.
R. Tamalio, Il carteggio politico dell’Archivio Gonzaga di Mantova tra i Cardinali Ercole Gonzaga e Antoine de Granvelle (1545-1563), in: K. De Jonge en G. Janssens, red., Les Granvelle et les Anciens Pays-Bas, Leuven 2000, 89 en 102-103, voetnoot 29.
R. Tamalio, Il carteggio, ibidem, 83.
Haar broer Ippolito (1479-1520) was eveneens kardinaal vanaf 1493: R. Tamalio, Ferrante Gonzaga alla Corte Spagnola di Carlo V, Mantova 1991, 131. Naamgenoot Ippolito (1509-1572), die een neef was van de vorige, liet de villa d’Este bouwen, was kardinaalprotector van Frankrijk en werd op vraag van Frans I tot kardinaal verkozen op 20 december 1538.
G. Brunelli, Gonzaga, Ercole de, in: DBI 57 (2001) 711-722. Voor de uiteenlopende getallen, zie 711 en 712. Vermelden we nog met het oog op de toen heersende zeden dat hij vijf bastaardkinderen verwekte.
Voor een organigram van de pauselijke wereldorganisatie zie men: H. Diwald, Dokumentation. Die Behördenorganisation der Kurie, in: Propyläen Geschichte Europas, Frankfurt am Main 1975, I Anspruch auf Mündigkeit um 1400-1555, 421. Zie ill.4.
CT, XIII, 1, 201, 15-18.
CT, XIII, 1, 203, 28-34.
In de al vermelde tekst over de hervorming van de Curie, ‘Supernae dispositionis arbitrio’, opgesteld tijdens het Concilie van Lateranen V, werd een paragraaf over kardinalen weergegeven. Leo X vond het zeer ongepast dat kardinalen, die in de eerste plaats de paus van Rome en vader van alle christen gelovigen moesten bijstaan en die zich moesten inspannen in de opdrachten van de H. Stoel,1 opdrachten aanvaardden en advocaten werden van vorsten2 en particuliere personen.
Daarom besliste de paus dat ze zich niet partijdig mochten opstellen. Ze konden geen helpers en verdedigers worden van vorsten of gemeenschappen of van om het even wie anders. Alleen indien het recht en de billijkheid het vereisten en hun waardigheid en statuut het vroegen, dan kon het. Zij moesten zich afzonderen van elke private betrokkenheid en zich met alle oplettendheid inspannen om geschillen tussen enkelingen tot bedaren te brengen. Met respect en sympathie moesten ze de rechtvaardige problemen van vorsten en om het even welke anderen, en vooral van armen en geestelijken, ter harte te nemen en verdrukten en ten onrechte getroffenen volgens hun krachten en de plicht van hun functie helpen.3
Dezelfde reden, die meebracht dat de Nederlanden geen natio vormden in het concert van de oecumenische concilies, was er ook debet aan dat de kardinalen-protectoren voor onze gewesten een laattijdig fenomeen zijn geworden, zodat men in de bestaande literatuur veel aarzeling en onbekendheid moet vaststellen, wanneer de kardinaal-protector er wel toe doet. Dit betekent ook dat vorsers dit onderwerp slechts laat in hun agenda hebben geplaatst.4 Weliswaar ging het alweer om geheim overleg tussen de vorsten en de H. Stoel. De keuze van de kandidaten veronderstelde ruim overleg, correspondentie, vergelijking van curricula van kandidaten en een patentbrief, zodat er nog informatie beschikbaar moet zijn in de desbetreffende archieven en bibliotheken.5
Het Engelse voorbeeld geeft aan dat hun kardinalen-protectors in de vuurlinie stonden van alle geschillen omtrent de echtscheiding van Hendrik VIII en van het ontstaan van het Anglicanisme. Guilio de’ Medici (de latere paus Clemens VII) en Lorenzo Campeggio waren tussen 1514 tot 1534 het meest betrokken bij deze scheuring in de christenheid.6 De kardinalen-protectoren bewijzen dat het de vorst ernst was om zijn wensen over de Nederlanden scherper te laten horen bij de paus en in het consistorie bij de collegae-kardinalen. Uiteraard speelde in de eerste plaats het behoud van de Nederlanden voor het katholicisme mee. Wat enkele jaren daarvoor een verzoek was om de versleten bisdomorganisatie te reorganiseren, mondde nu uit in een schreeuw om de ketterij definitief uit te schakelen. Het feit dat ‘Salvator’ werd geciteerd,7 verwees in deze tijd naar de ramp met de Albigenzen en de drastische manier om ze uit te schakelen.8
Tegenover de idealistische gedachten uit de decreten van het Concilie van Lateranen V stond vaak gewone vriendjespolitiek of ook gebrek aan geld vanwege de paus. Zo bedankte kardinaal Granvelle zijn vriend Ercole Gonzaga, omdat hij in het consistorie zijn stem had uitgebracht voor de rode hoed van Antoine Perrenot. Van Granvelle weten we bovendien dat de Spaanse ambassadeur bij de H. Stoel, Francisco de Vargas, dit bevestigde.9 Ercole Gonzaga van zijn kant werd al veel vroeger kardinaal: op tweeëntwintigjarige leeftijd in het consistorie van 5 mei 1527. In dat jaar vond het Sacco di Roma plaats en plunderden de Duitse landsknechten de stad Rome. Paus Clemens VII zat in diepe geldnood en verkocht voor 40.000 dukaten het kardinalaat aan de moeder van Ercole.10 Ercole werd toen kardinaal-diaken, want in 1556 zou hij pas priester gewijd worden en dus toegang krijgen tot de functie van kardinaal-priester. Zijn moeder was Isabella d’Este.11 Haar zoon was de tweede zoon in het gezin en deze werd vaak voor de geestelijke staat voorbestemd. Isabella had zich al vroeger ingespannen om de rode hoed voor haar zoon te verwerven, maar de bul van 4 october 1526 werd niet gepubliceerd. Toen werd een jaar later een consistorie georganiseerd, waar de vijf kandidaten hetzij 20.000, hetzij 40.000 dukaten moesten neertellen.12 Ercole zou later kardinaal-protector van Castilië-Leon worden en nog later van Spanje.
Het zal niemand verwonderen dat de kardinalen, die naties of provincies of geestelijke orden beschermden, ook ter sprake kwamen tijdens het Oecumenisch Concilie van Trente. Bij de bespreking van de hervorming van het consistorie was men van oordeel dat het misbruik, dat geïntroduceerd was door de zeer eerwaarde beschermers van de koninkrijken en provincies, moest uitgeschakeld worden. Waarin bestond dat? Wie gepromoveerd werd, moest vijftien dukaten betalen voor elke honderdste op basis van de lijst van de Apostolische Kamer.13 Naar het oordeel van de protectoren echter moest men de kardinaal, die een voorstel deed in het consistorie, met een of ander geschenk erkennen of minstens moest men voor elke honderdste de prijs terugbrengen naar vijf dukaten.14
Een ander anoniem advies meende dat het goed was om de beschermfuncties van vorsten af te schaffen. Zoniet, kon men minimaal kerken en kloosters volgens orde en toerbeurt voorstellen, zodat om het even wie onder de kardinalen zonder passie en aanhankelijkheid de waarheid kon voorstellen en zijn aandeel bepalen. Voorstellen, die in het consistorie moesten gebeuren, zouden op voorhand bekend gemaakt worden tijdens één consistorie door hen, die het voorstel moesten doen. Bij geschiktheid van de kardinalen zouden de voorstellen in het volgende consistorie worden besproken, zoals in het Concilie van Lateranen was beslist.15
De correspondentie met de vorst geeft de beste inlichtingen voor het onderzoek naar de kardinaal-protector van de Nederlanden. Filips II was net in Spanje aangekomen, toen hij de landvoogdes Margareta van Parma een brief schreef met een stuk geschiedenis over de kardinaal-protector. Otto Truchsess von Waldburg, aartsbisschop van Augsburg en kardinaal, had Filips II een brief geschreven om hem te herinneren aan een belofte van Ferdinand I, oom van Filips II, en op dat ogenblik keizer van het Heilige Roomse Rijk.
In die brief solliciteerde de aartsbisschop van Augsburg naar de plaats van kardinaal-protector van de Nederlanden. Waarom? Toen keizer Ferdinand I von Waldburg kardinaal-protector van het Heilige Roomse Rijk maakte, had deze laatste graag gehad dat hij, zoals zijn voorganger, ook kardinaalprotector van de Nederlanden mocht worden. Deze voorganger was Juan Alvarez y Alva de Toledo. Op de sollicitatie van Von Waldburg gaan we hier niet verder in, omdat later bleek dat noch Filips II, noch Margareta van Parma het een goede zaak vond.
Hierna volgen de curricula van de kardinalen-protectoren van de Nederlanden tot aan het levenseinde van Filips II, zij het dat ondertussen de Opstand al zorgde voor een reductie van de vertegenwoordiging. Met het oog op de verhouding van Kerk en Staat is het op deze wijze na te trekken welke plannen de vorst had met deze adviseurs en tussenpersonen. De belangrijkste maatregel van het vorstelijk beleid tegenover staatsvorming is negatief: noch uit de Nederlanden noch uit het Vrijgraafschap werd iemand waardig bevonden om verbindingsdiplomaat en beschermer van de Kerk te zijn tussen vorst en paus. Het instituut van de kardinaal-protector bleek een aaneenschakeling van Spaanse vertegenwoordigers te zijn. De vorst dacht aan vertegenwoordigers van zijn samengestelde staat, niet aan een tussenstap naar een staat van de Nederlanden en van het Vrijgraafschap Bourgondië.