Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/2.2.5
2.2.5 Chicago-conventie
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS610625:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 21 december 2011, C-366/10 (Air Transport Association of America e.a.), r.o. 57-72.
Idem, r.o. 46-48.
Dit betreft de eerste eis voor de geldigheidtoets, zie hierboven subparagraaf 2.2.1.
Zie voor een uitgebreidere behandeling van dit artikel: Koutrakos 2006, p. 301-328, Kuijper e.a. 2013, p. 1041-1055 en Eeckhout 2011, p. 421-435.
Zie hierover ook: Van den Brink 2004, p. 53 en 54.
http://www.icao.int/publications/Pages/doc7300.aspx (geraadpleegd op 27 januari 2017).
Idem.
Zie naar analogie GvEA EG 12 juli 2001, T-2/99 (T.Port), r.o. 73-81 en GvEA EG 13 juli 2001, T-3/99 (Bananatrading), r.o. 68-72. Zie tevens: Eeckhout 2011, p. 423, waar hij tevens kritiek levert op de analyse van het Gerecht in deze arresten.
HvJ EG 5 november 2002, C-476/98 (Commissie t. Duitsland), r.o. 69.
HvJ EG 4 juli 2000, C-84/98 (Commissie t. Portugal), r.o. 58, HvJ EG 4 juli 2000, C-62/98 (Commissie t. Portugal), r.o. 49 en HvJ EG 18 november 2003, C-216/01 (Budjovick Budvar), r.o. 170. Zie tevens: Van den Brink 2004, p. 53 en 54.
HvJ EG 18 november 2003, C-216/01 (Budjovick Budvar), r.o. 172 en 173.
Dit volgt mijns inziens a contrario uit HvJ EG 1 februari 2005, C-203/03 (Commissie t. Oostenrijk), r.o. 57-65.
Artikel 95 Chica o-conventie.
HvJ EG 4 juli 2000, C-84/98 (Commissie t. Portugal), r.o. 59, HvJ EG 4 juli 2000 C-62/98 (Commissie t. Portugal), r.o. 50. Zie tevens: Eeckhout 2011, p. 433 en 434.
De Chicago-conventie is een verdrag inzake de burgerluchtvaart. Eventuele strijdigheden tussen de Richtlijn en dit verdrag zien dus ook op dat deel van de Richtlijn dat betrekking heeft op de luchtvaart. De EU is niet aan de Chicago-conventie gebonden, dit heeft het Hof reeds overwogen in Air Transport Association of America e.a.1 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat alleen het Hof bevoegd is de geldigheid van handelingen van de EU te toetsen.2 En dat daar waar de EU niet gebonden is aan een verdrag, een handeling van de EU niet aan dat verdrag kan worden getoetst.3 De vraag die derhalve overblijft, is of de Nederlandse implementatiewetgeving, over de band van artikel 93 en 94 Gw, kan worden getoetst aan de Chicago-conventie.
In dit verband moet worden gewezen op artikel 351 VwEU.4 Dit artikel bepaalt in het eerste lid dat rechten en verplichtingen die voortvloeien uit verdragen van lidstaten die zijn gesloten voor 1 januari 1958, niet door het VEU en VwEU kunnen worden aangetast. Echter, lidstaten staan, ingevolge artikel 351 lid 2 VwEU, wel onder een verplichting deze strijdigheden te verhelpen.5
De Chicago-conventie is op 7 december 1944 getekend, en trad op 4 april 1947 in werking.6 Het verdrag is echter meerdere keren geamendeerd.7 Derhalve dient te worden vastgesteld of, voor de toepasselijkheid van artikel 351 VwEU, uitgegaan moet worden van de datum van het laatste amendement, dan wel van datum van het oorspronkelijke verdrag.
Indien de Chicago-conventie naar aanleiding van de amendementen is te zien als een nieuw verdrag, dat de bepalingen uit de oorspronkelijke Chicago-conventie deels heeft overgenomen, kan worden verdedigd dat artikel 351 VwEU in het onderhavige geval niet van toepassing is.8 Mijns inziens is een dergelijk standpunt niet houdbaar. Weliswaar is de Chicago-conventie meerdere malen geamendeerd, maar uit geen van die amendementen blijkt dat de verdragsstaten de intentie hebben gehad een nieuw verdrag te sluiten, om een oud verdrag te vervangen. Het Gerecht noch het Hof heeft in haar jurisprudentie het standpunt ingenomen dat geamendeerde verdragen niet onder de werking van artikel 351 VwEU kunnen vallen. Echter, het Hof heeft wel duidelijk gemaakt dat de amendementen op een verdrag niet onder de werking van artikel 351 VwEU kunnen vallen, voor zover zij na 1 januari 1958 zijn vastgesteld.9
Het is dus verdedigbaar het standpunt in te nemen dat de Chicago-conventie, voor zover het de bepalingen uit het oorspronkelijke verdrag uit 1944 betreft, onder de werking van artikel 351 VwEU valt.
Zoals hierboven reeds is opgemerkt, geldt echter ingevolge artikel 351 lid 2 dat lidstaten in geval van strijd tussen de Richtlijn en Chicago-conventie, deze strijdigheden dienen te verhelpen. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt dat hier tevens de verplichting onder valt het verdrag zo nodig te beëindigen.10 De betreffende lidstaat is, totdat overeenkomstig lid 2 van artikel 351 VwEU eventuele strijdigheden met het verdrag door de lidstaat zijn opgelost, bevoegd het verdrag toe te passen, ondanks strijdigheden met het VEU of VwEU. 11Echter een beroep op artikel 351 VwEU is niet meer mogelijk wanneer een lidstaat op de hoogte had kunnen zijn van de strijdigheid en deze strijdigheid had kunnen oplossen (zo nodig via een opzegging van het verdrag) en dit heeft verzuimd.12
De Chicago-conventie biedt expliciet de mogelijkheid voor lidstaten om het verdrag eenzijdig op te zeggen, met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar.13 Aangezien de luchtvaart met Richtlijn 2008/101/EG van 19 november 2008 onder het ETS is gebracht, hadden lidstaten eventuele strijdigheden in de voorbije jaren reeds kunnen constateren. Mijns inziens is er daarom ook geen ruimte meer voor een beroep op artikel 351 lid 1 VwEU, nu, als er al strijd tussen de Richtlijn en Chicago-conventie zou bestaan, de lidstaat die zich hierop beroept zich niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen op grond van artikel 351 lid 2 VwEU. Immers, deze strijdigheden had de lidstaat dan kunnen verhelpen door desnoods het verdrag op te zeggen. Dat een dergelijke opzegging de belangen van de lidstaat onevenredig zou kunnen aantasten, wordt door het Hof niet als valide argument geaccepteerd.14
De Richtlijn noch de implementatiewetgeving kan dus aan de Chicago-conventie worden getoetst. Derhalve blijft een toetsing van de Richtlijn aan dit verdrag ook in dit onderzoek achterwege.