Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/2.2.2
2.2.2 Hof van justitie
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS608206:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 21 december 2011, C-366/10 (Air Transport Association of America e.a.).
Idem, r.o. 46.
HvJ EU 21 december 2011, C-366/10 (Air Transport Association of America e.a.), r.o. 45. Daarnaast werd in de prejudiciële vraag ook gewezen op het beginsel dat luchtvaartuigen die over volle zee vliegen, uitsluitend onder de jurisdictie vallen van het land waar zij zijn ingeschreven, tenzij bij internationaal verdrag uitdrukkelijk anders is bepaald. De gewoonterechtelijke status van dit beginsel werd door het Hof echter niet erkend (r.o. 106). Verder is interessant om op te merken dat dit arrest is gewezen na de inwerkingtreding van het verdrag van Lissabon, en dus als startpunt voor de toepassing van gewoonterecht artikel 3 lid 5 VEU gebruikte (r.o. 101). Het Hof oordeelde verder dat een EU-handeling aan gewoonterecht kan worden getoetst indien, en voor zover, aan twee voorwaarden is voldaan: 1) het gewoonterecht kan de handeling van de EU op losse schroeven zetten en 2) de betrokken handeling kan de rechten aantasten die de justitiabele ontleent aan het EU-recht, of voor zover de handeling verplichtingen naar EU-recht voor de justitiabele kan doen ontstaan (zie r.o. 107 en Kuijper e.a. 2013, p. 1034-1036). Deze vereisten voor de toetsing van de geldigheid van EU-handelingen aan internationaal gewoonterecht moeten echter worden onderscheiden van de eisen die aan internationale verdragen inzake de geldigheidstoets van verdragen worden gesteld (Kuijper e.a. 2013, p. 1034).
HvJ EU 21 december 2011, C-366/10 (Air Transport Association of America e.a.), r.o. 57-72.
Idem, r.o. 73-78.
Idem, r.o. 101-109.
Idem, r.o. 110. Deze beperking legt het Hof op, omdat gewoonterechtelijke regels niet even nauwkeurig zijn als bepalingen in internationale overeenkomsten (r.o. 110).
Idem, r.o. 112-130.
Idem, r.o. 122.
Idem, r.o. 124.
Idem, r.o. 125-130. Overigens bestaat op dit onderdeel van het arrest de nodige kritiek. Zie bijvoorbeeld Voigt 2012, waarin de auteur betoogt dat Richtlijn 2008/101/EG, dat de luchtvaart onder het ETS bracht, extraterritoriale werking had, al verbindt zij daaraan niet de consequentie dat die richtlijn daarmee in strijd is met het internationale recht. Zie daarentegen ook Scott &; Rajamani 2012, waarin de auteurs betogen dat Richtlijn 2008/101/EG een territoriale werking heeft, gebaseerd op het recht op markttoegang.
In haar arrest van 21 december 2011 heeft het Hof van Justitie de Richtlijn ETS, voor zover deze betrekking heeft op de luchtvaart, aan het internationale recht getoetst en heeft het geconcludeerd dat de Richtlijn hier niet mee in strijd komt.1 Het arrest betrof een prejudiciële vraag die gesteld werd door de High Court of Justice of England and Wales in een zaak die was aangespannen door onder meer de Air Transport Association of America. Daarbij werd door het Hof de eerste vraag van de High Court als volgt samengevat:
‘Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de door hem genoemde beginselen en bepalingen van het internationale recht in het kader van de onderhavige prejudiciële verwijzing kunnen worden ingeroepen ter beoordeling van de geldigheid van richtlijn 2008/101 voor zover deze de luchtvaart opneemt in de in richtlijn 2003/87 neergelegde regeling voor de handel in emissierechten.’2
De beginselen en bepalingen van internationaal recht betroffen, met betrekking tot mondiale regelgeving, verschillende bepalingen uit de Chicago-conventie en het Kyotoprotocol, alsmede verschillende bepalingen van gewoonterecht, zijnde:
Het beginsel dat elke staat de volledige en uitsluitende soevereiniteit heeft over zijn luchtruim;
Het beginsel dat geen enkele staat rechtsgeldig enig deel van de volle zee aan zijn soevereiniteit kan onderwerpen;
Het beginsel inzake de vrijheid om over volle zee te mogen vliegen.3
Echter, in het betreffende arrest kwam de UNFCCC niet aan de orde, oordeelde het Hof dat de EU niet gebonden was aan Chicago-conventie, zodat de Richtlijn hier niet aan hoefde te worden getoetst,4 en oordeelde het Hof eveneens dat, in ieder geval voor zover het de voor de voor de procedure relevante bepaling betrof, het Kyotoprotocol te onnauwkeurig en onvoorwaardelijk was, zodat de geldigheid van de Richtlijn hier ook niet aan kon worden getoetst. Het Hof liet zich niet expliciet uit over een mogelijkheid tot toetsing aan de overige bepalingen van het Kyotoprotocol.5 De rechtsgeldigheid van de Richtlijn in het kader van de UNFCCC, Chicago-conventie en het Kyotoprotocol blijft dus een onbeantwoorde rechtsvraag.
Wat betreft de gewoonterechtelijke regels oordeelde het Hof dat deze de Unie-instellingen binden en dat de Richtlijn aan de beginselen kan worden getoetst.6 Echter, naar het oordeel van het Hof moet een toetsing aan gewoonterechtelijke beginselen:
‘beperkt blijven tot de vraag of de instellingen van de Unie door vaststelling van de betrokken handeling blijk hebben gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling van de voorwaarden voor toepassing van die beginselen.’7
Het Hof oordeelde vervolgens dat de Richtlijn niet in strijd kwam met de betreffende gewoonterechtelijke regels.8 Het Hof erkende daarbij dat het recht van de EU niet als zodanig toepasselijk kan worden verklaard op in derde staten geregistreerde luchtvaartuigen die over die derde staten of over de volle zee vliegen.9 Echter, het Hof erkende ook dat het recht van de EU wel kan worden toegepast op een vliegtuigexploitant wanneer diens luchtvaartuig zich op het grondgebied van een van de lidstaten bevindt.10 Aangezien de Richtlijn slechts van toepassing is op vluchten die vertrekken vanuit, of aankomen in een EU-lidstaat, staat het internationaal gewoonterecht, aldus het Hof, niet in de weg aan de totstandkoming van de Richtlijn. Ook niet wanneer bepaalde elementen die bijdragen tot vervuiling van de lucht, de zee of het landterritorium van de lidstaten, hun oorsprong vinden in een gebeurtenis die zich ten dele buiten het grondgebied van de lidstaten afspeelt.11