HR, 16-02-1931
ECLI:NL:HR:1931:68
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-02-1931
- Zaaknummer
[16021931/NJ_1931,_p._1108]
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1931:68, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑02‑1931; (Cassatie, Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1931:2
- Vindplaatsen
NJ 1931, p. 1108 met annotatie van W.P.J. Pompe
Uitspraak 16‑02‑1931
Inhoudsindicatie
Uitgetypte versie van het HR-arrest in de strafzaak met HR-zaaknummer 2293 aan de hand van de in NJ 1931 p. 1108 e.v. opgenomen tekst daarvan. Het originele HR-arrest is niet meer voorhanden.
De Hooge Raad, enz .;
Beschikkende in Raadkamer.
Op de aanvrage van [aanvrager] , wonende te [plaats] , om herziening van een arrest van den Hoogen Raad der Nederlanden van 1 December 1930 (N. J. 1931, blz. 1102, Red.), houdende na vernietiging van een vonnis der Arr .- Rechtbank te Groningen van 5 Juni 1930, bevestiging van een vonnis van het Kantongerecht te Groningen, van den 15den Maart 1930, waarbij hij ter zake van „het door misbruik van gezag opzettelijk uitlokken van het als bestuurder van een motorrijtuig op meer dan twee wielen, welke langer dan 5 of breeder dan twee Meter zijn, daarmede rijden over een weg, welke in het belang van de vrijheid en de veiligheid van het verkeer daarover geheel of gedeeltelijk is gesloten verklaard voor die categorie van motorrijtuigen", is veroordeeld tot eene geldboete van één gulden en vervangende hechtenis van één dag;
Gezien de stukken;
O. dat bij de aanvrage wordt gesteld, dat het arrest, waarvan herziening gevraagd wordt, onder meer steunt op een Besluit van Burgemeester en Wethouders der gemeente Groningen van 31 December 1929 Nº. 27740, waarbij een daarin nader omschreven gedeelte van de bebouwde kom dier gemeente voor het berijden met motorrijtuigen op meer dan twee wielen, welke langer dan 5 of breeder dan twee Meter zijn, gesloten is verklaard, en dat dit Besluit van B. en W., bij Koninklijk Besluit van 2 October 1930 nº. 64 als strijdig met het bepaalde bij de artt. 8 en 11, 3de en 4de lid van het Motor- en Rijwielreglement is vernietigd;
O. dat de aanvrager nu zijn aanvrage op herziening hierop doet steunen, dat het feit dier vernietiging tijdens het onderzoek van het cassatieberoep, waarop het arrest, waarvan herziening gevraagd wordt, is gewezen, niet aan den Hoogen Raad is medegedeeld;
en dat een ernstig vermoeden bestaat, dat, indien de Hooge Raad met het feit dier vernietiging bekend ware geweest, het onderzoek der zaak, met toepassing van de artt. 153 en 158 Gemeentewet en art. 1 Sr., zou hebben geleid tot niet-ontvankelijkverklaring, althans ongegrondverklaring van het cassatieberoep van den Heer Officier van Justitie bij de Arr .- Rechtbank te Groningen tegen voormeld vonnis van die Rechtbank althans tot vrijspraak van requestrant- veroordeelde, althans tot diens ontslag van rechtsvervolging;
O. te dien aanzien dat het feit dier vernietiging, zoo dit den Hoogen Raad bij het onderzoek op de terechtzitting ware gebleken, enkel had kunnen leiden tot ontslag van rechtsvervolging ter zake van niet-strafbaar-heid van het bewezen verklaarde feit;
O. dat echter een omstandigheid welke tot een dergelijk ontslag van rechtsvervolging zou hebben geleid, niet behoort tot de gronden, welke volgens art. 457 Sv. voor herziening van eene in kracht van gewijsde gegane einduitspraak in aanmerking kunnen komen;
Verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.