HR, 12-01-1931, nr. 2293
ECLI:NL:PHR:1931:2
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-01-1931
- Zaaknummer
2293
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:1931:2, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑01‑1931
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1931:68
Conclusie 12‑01‑1931
Inhoudsindicatie
Uitgetypte versie van de HR-conclusie in de strafzaak met HR-zaaknummer 2293 en ECLI: NL:HR: 1931:68 aan de hand van de in NJ 1931, p. 1108 e.v. opgenomen tekst daarvan. De originele HR-conclusie is niet meer voorhanden.
De Procureur-Generaal,
O. dat de Hooge Raad der Nederlanden bij arrest van 1 December 1930 (N. J. 1931, blz. 1102, Red.) op het beroep van den Officier van Justitie te Groningen heeft vernietigd het vonnis der Arr .- Rechtbank aldaar op 5 Juni 1930 tegen requestrant gewezen en, recht doende ten principale, heeft bevestigd dat van het Kantongerecht terzelfder plaatse, waarbij hij werd schuldig verklaard aan: „Het door misbruik van gezag opzettelijk uitlokken van het als bestuurder van een motorrijtuig op meer dan twee wielen, welke langer dan 5 of breeder dan 2 meter zijn, daarmede rijden over een weg, welke in het belang van de vrijheid en de veiligheid van het verkeer daarover geheel of gedeeltelijk is gesloten verklaard voor die categorie van motorrijtuigen" en o. a. krachtens het Besluit van Burgemeester en Wethouders dier gemeente van 31 December 1929, Nº. 27740, is veroordeeld in eene geldboete van één gulden en vervangende hechtenis van één dag;
O. dat thans de revisie van dit arrest wordt gevraagd, omdat bij Koninklijk Besluit van 2 October 1930, Nº. 64, gemeld Besluit van Burgemeester en Wethouders is vernietigd;
O. dat verzoeker in zijn verzoek niet ontvangen kan worden;
O. dat toch volgens art. 457 aanhef en 2°. Sv. wel herziening eener in kracht van gewijsde gegeven einduitspraak kan worden gevraagd, wanneer eenige eerst nadien den rechter bekend geworden omstandigheid aanleiding zou hebben kunnen geven tot ontslag van rechtsvervolging wegens niet-strafbaarheid van den veroordeelde, doch dat zich dit geval hier niet voordoet;
O. immers dat de vernietiging uitgesproken bij gemeld Koninklijk Besluit enkel had kunnen leiden tot ontslag van rechtsvervolging ter zake van niet-strafbaarheid van het bewezenverklaarde, doch niet tot de niet-strafbaarheid van den veroordeelde als dader daarvan;
O. dat onderwerpelijk dus hoogstens sprake zou kunnen zijn van een dwaling in het recht en niet van dwaling in de feiten (Vgl. Simons, Strafvordering, 7e druk blz. 313 en noot 2);
Concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek.
De Procureur-Generaal voornoemd,
Tak. Parket 12 Januari 1931.