Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.3.1
3.4.3.1 Sleepboot Egbertha
1
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644852:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 maart 1936, NJ 1936, 757; ECLI:NL:NR:1936:158 (Sleepboot-Egbertha).
Art. 664 OBW: “Wanneer, in de gevallen bij de twee bovenstaande artikelen voorzien, de stoffen gevoegelijk kunnen worden gescheiden, zal een ieder kunnen terug vorderen hetgeen hem toebehoort.”
Gratama, Opmerkingen en Mededeelingen/1867, p. 5-22.
Land II (1901), p. 166.
Art. 309 WvK: “Schepen zijn alle vaartuigen, hoe ook genaamd van welken aard ook. Tenzij iets anders is bepaald of overeengekomen, wordt het schip geacht het scheepstoebehooren te omvatten. Onder scheepstoebehooren worden alle zaken verstaan, welke, niet een deel van het schip uitmakende, bestemd zijn blijvend met het schip te worden gebruikt. De voortbewegingswerktuigen maken deel uit van het schip.”
Art. 556 OBW: “Al hetgeen door regt van natrekking tot eene zaak behoort, daaronder begrepen de vruchten, zoo wel natuurlijke als die door nijverheid worden verkregen, zoo lang dezelve tak- of wortelvast, of aan den grond gehecht zijn, maakt een gedeelte der zaak uit.”
Art. 643 OBW: “Al hetgeen met eene zaak vereenigd is, of met dezelve één ligchaam uitmaakt, behoort aan den eigenaar volgens de regelen bij de volgende artikelen vastgesteld.”
Scholten stelde hierover in zijn noot: “Eigenaardig is, dat de H.R. dit nu ten aanzien der voortbewegingswerktuigen zelf onderzoekt, eigenaardig ook, dat hij zich daarbij op het K.B. en het Verdrag betreffende de scheepsboekhouding beroept. Toch is zoowel het een als het ander verantwoord; onderzoek naar verkeersopvatting is van denzelfden aard als vaststelling van het spraakgebruik, wat de H.R. bij taalkundige interpretatie geregeld doet. Het K.B. en de Geneefse regeling worden alleen aangehaald als uitingen van die verkeersopvatting; daartegen kan geen bezwaar zijn.”
Scholten stelde in zijn noot: “De uitspraak geeft den motor in een schip een andere positie dan naar algemeen aangenomen wordt de machine in een fabriek heeft (art. 563, 1 B.W.)” en “Wat aan het schip dienstbaar is kan zoo’n integreerend bestanddeel worden, dat het zelfstandig bestaan verliest. Niemand zal dunkt mij betwisten, dat de motor in een auto deel is van de wagen: de analogie met de motorboot ligt dan voor de hand.” Of inderdaad niemand dit zou betwisten, zoals Scholten hier zegt, is de vraag. In Duitsland zag en ziet men bijvoorbeeld de motor van een auto als een niet wezenlijk bestanddeel. Deze categorie was te vergelijken met de bijzaken die zelfstandige zaken bleven. Over de vraag of een motor een wezenlijk onderdeel van de auto was, viel dus wel degelijk te twisten.
Zie noot Scholten onder het arrest “Sleepboot Egbertha”, HR 26 maart 1936, NJ 1936, 757; ECLI:NL:NR:1936:158.
Noot Scholten bij HR 26 maart 1936, NJ 1936, 757; ECLI:NL:NR:1936:158.
In 1936 moest de Hoge Raad zich in het bekende Sleepboot Egbertha-arrest buigen over de vraag of een motor van een sleepboot een zelfstandige zaak was gebleven, nadat hij in de boot was geplaatst.
Machinefabriek Gebroeders Stork & Co. N.V. (hierna: Stork) verkocht onder eigendomsvoorbehoud op 26 mei 1930 een motor aan H.C. van Gelderen (hierna: Van Gelderen). Stork plaatste deze motor vervolgens in de sleepboot met de naam Egbertha, die toebehoorde aan Van Gelderen. Ruim een jaar later vestigde Van Gelderen een recht van hypotheek strekkende tot zekerheid van een lening op deze sleepboot, ten behoeve van geldlener de Maatschappij voor Administratie Geldermalsen N.V. (hierna: Geldermalsen). Toen Van Gelderen in gebreke was gebleven met de betaling van de aflossing, oefende Geldermalsen haar recht van hypotheek uit en legde beslag op de sleepboot. Een twistpunt was of de motor onder dit hypotheekrecht viel en of Geldermalsen ten onrechte beslag had gelegd op de motor, nu deze was geleverd onder eigendomsvoorbehoud en Van Gelderen de koopsom nooit had betaald. Geldermalsen voerde aan dat de motor na de vereniging met de sleepboot geen afzonderlijke zaak meer was.
De rechtbank en het hof
De rechtbank stelde onder meer dat de motor tot de samenstellende delen (lees: bestanddelen) van een schip moest worden gerekend, zonder welke het schip niet voltooid was. Dit zogenaamde perfectio-criterium hield in dat bestanddeelvorming moest worden aangenomen als een onderdeel een bijdrage leverde tot de voltooiing van de hoofdzaak. De motor viel volgens de rechtbank onder het begrip “schip” en dus onder het hypotheekrecht. Zij probeerde zo aan te sluiten bij het taalgebruik in overeenstemming met de verkeersopvatting. Het feit dat de motor zonder beschadiging kon worden afgescheiden van het schip speelde volgens de rechtbank geen rol. Overigens gebruikte de rechtbank (en later ook het hof) de woorden bestanddeel en bijzaak niet, terwijl in 1936 in de literatuur deze woorden wel werden gebruikt. Er werd steeds gesproken over samenstellende delen of (scheeps)toebehoren: een speciaal door de wet voor schepen in het leven geroepen categorie.
Het gerechtshof vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat de motor een zelfstandige zaak was gebleven. Op het ogenblik dat het hypotheekrecht was gevestigd en ook ten tijde van het proces was Stork volgens het hof eigenaar gebleven. Volgens het hof was het dus mogelijk dat een samenstellend onderdeel van een zaak aan iemand anders in eigendom toebehoorde. Het hof erkende de mogelijkheid van een bijzaak, die haar eigen zelfstandigheid behield.
De Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof, ondanks de conclusie van advocaat-generaal Van Lier, die tot verwerping van het beroep adviseerde.
Advocaat-Generaal (A-G) Van Lier
De A-G achtte de stelling van Geldermalsen, inhoudende dat Stork door plaatsing van de motor in de boot zijn eigendomsrecht had verloren, niet aanvaardbaar.
“Geen wettelijke bepaling belette, dat het eigendomsrecht van het schip en dat van den motor gescheiden bleven. (…). En het beginsel, neergelegd in art. 664 B.W., brengt juist mede, dat de plaatsing in het schip van den motor, die volgens de feitelijke beslissing van het Hof, gemakkelijk zonder beschadiging door het losschroeven van een paar bouten uit het schip verwijderd kon worden, het eigendomsrecht van Stork op den motor niet teniet heeft doen gaan.”
De A-G verwees naar het beginsel, neergelegd in art. 664 OBW, dat stelde dat als twee of meer stoffen die aan minimaal twee eigenaren toebehoorden met elkaar waren verbonden en vervolgens “gevoeglijk” van elkaar konden worden gescheiden, deze afscheiding door degene van wie de stoffen waren kon worden gevorderd.2 Een onderdeel gevoeglijk afscheiden wilde zeggen dat de afscheiding geen waardevernietiging met zich bracht.3Art. 664 OBW was van toepassing op de gevallen waarin sprake was van zaaksvorming of van vermenging, maar aangenomen werd dat het ook gold voor gevallen waarin sprake was van vereniging van roerende zaken.4
De rechtbank had gesteld, zo zagen we hierboven, dat het schip zonder motor nog niet af was. Als de motor het schip voltooide, dan was het theoretisch mogelijk dat er geen sprake was van natrekking, maar van zaaksvorming. Door de voltooiing was een nieuwe zaak ontstaan. De A-G ging echter op deze vraag niet in, maar legde de nadruk op de hechtheid van de verbinding. Aangezien de motor met het losschroeven van een paar bouten van het schip kon worden verwijderd bleef de motor volgens A-G een zelfstandige zaak.
Ook ging de A-G niet mee in het betoog van Geldermalsen dat, zelfs als de Hoge Raad niet wilde erkennen dat de motor tot de samenstellende delen behoorde, hij in ieder geval in de groep van scheepstoebehoren viel. De scheepstoebehoren behoorden niet tot de samenstellende delen van het schip, maar deelden wel het juridische lot van het schip. Art. 309 Wetboek van Koophandel (WvK) bepaalde dat ook de scheepstoebehoren onder het hypotheekrecht van het schip vielen, tenzij een afwijkende bepaling in de overeenkomst bij de hypotheekverlening was opgenomen. Van Lier stelde dat de motor niet de bestemming had om blijvend dienstbaar te zijn aan het schip. Dat was volgens hem pas het geval op het ogenblik dat de koopsom volledig was voldaan, aangezien dan immers het eigendomsvoorbehoud verviel. Bovendien bepaalde art. 309 WvK dat de scheepstoebehoren bij het schip hoorden, tenzij iets anders was overeengekomen.5 Volgens de A-G was “iets anders overeengekomen”, namelijk het eigendomsvoorbehoud. Hij ging helaas niet in op het argument van Geldermalsen, dat deze overeenkomst niet ten nadele van haar kon strekken nu zij daarvan niet op de hoogte was. Zoals hierboven in het deel over het Duitse recht is besproken, zou namelijk naar Duits recht een beroep op bescherming tegen de beschikkingsonbevoegdheid van Van Gelderen wél werken. Het hypotheekrecht werd immers pas op de boot gevestigd, nadat de motor in de boot was geplaatst. Als Geldermalsen te goeder trouw was dan zou hij volgens het Duitse recht beschermd zijn tegen de beschikkingsonbevoegdheid van Van Gelderen. Zou dit onder het OBW niet ook het geval zijn?
De Hoge Raad was van mening dat het hof de natrekkingsartikelen 5566 en 6437 verkeerd had toegepast. Het hof had verzuimd rekening te houden met de opvattingen in het maatschappelijk verkeer. De Hoge Raad introduceerde in zijn uitspraak belangrijke begrippen in de Nederlandse rechtspraak. Allereerst het begrip “verkeersopvatting” dat na 1936 nog veelvuldig zou worden gebruikt. Daarnaast gebruikte hij in de toelichting, anders dan rechtbank en hof, de woorden “bestanddeel” en “bijzaak”.
“(…) dat voorts de omstandigheid, dat de bijzaak zonder beschadiging van de hoofdzaak kan worden gescheiden, niet meebrengt, dat zij tijdens de verbinding niet een wezenlijk bestanddeel van de zaak in haar geheel zal kunnen uitmaken, integendeel bij het voortschrijden der techniek steeds toeneemt het aantal voorwerpen, die wat betreft de wezenlijke bestanddeelen zelfs door niet vaklieden zonder beschadiging uit elkander kunnen worden genomen.”
Aan de hand van wettelijke bepalingen over de scheepsboekhouding (een Internationaal Verdrag en een Koninklijk Besluit) bepaalde de Hoge Raad dat een motor van een schip een bestanddeel was geworden. Uit deze bepalingen was op te maken dat uit de officiële documenten waarin het type motor en de kracht van de motor werden vermeld, de identificatie van het schip kon worden vastgesteld. Vandaar dat de motor en het schip volgens de Hoge Raad één zaak vormden.8
Scholten stelde in zijn noot bij het arrest vast dat hij zich tegen de uitkomst niet wilde verzetten, maar dat de grens tussen wat een bestanddeel was en wat geen bestanddeel was vaag bleef. Een machine in een fabriek was volgens hem geen bestanddeel van het gebouw, de motor in het schip wel.9
De Hoge Raad sprak in dit arrest over een bijzaak van een hoofdzaak, waarmee het begrip officieel door de hoogste rechterlijke instantie van ons land werd gebezigd, hoewel de precieze betekenis niet vaststond. Hij stelde dat een bijzaak een wezenlijk bestanddeel van een hoofdzaak zou “kunnen uitmaken”. A contrario geredeneerd zou dit kunnen betekenen dat er ook een bijzaak kon bestaan, die niet een bestanddeel van de hoofdzaak was. Scholten legde het arrest anders uit.10 Volgens hem schafte de Hoge Raad de categorie “bijzaken” voor wat betreft schepen af. Een zaak was na de verbinding ofwel een bestanddeel ofwel een hulpzaak (scheepstoebehoor) van het schip en de verkeersopvatting bepaalde welke van deze twee soorten in het concrete geval van toepassing was.
Of de Hoge Raad inderdaad de rubriek bijzaken bij schepen niet wilde erkennen, bleef onduidelijk. In ieder geval vermeldde hij expliciet dat het niet van belang was of de afscheiding van het onderdeel zonder beschadiging kon geschieden. “Integendeel”, zo stelde de Hoge Raad, want door de technologische ontwikkelingen konden zelfs “niet vaklieden” zonder beschadiging zaken uit elkaar halen.
Het woord “integendeel” is hier vreemd gekozen. De Hoge Raad suggereerde daarmee dat bestanddelen van een zaak die door de ontwikkeling van de techniek steeds gemakkelijk konden worden afgescheiden, desalniettemin bestanddelen bleven. Maar het feit dat een onderdeel van een zaak zonder waardeverlies kon worden afgescheiden was toch geen onbelangrijk gegeven? Het zou een rol kunnen spelen bij de invulling van de verkeersopvatting. Misschien wilde de Hoge Raad waken voor het te gemakkelijk aannemen van een zelfstandige zaak. Een overweging zou kunnen zijn dat, wat betreft de financieringspraktijk in de scheepvaart, de kredietverleners niet gebaat waren bij het bestaan van zelfstandige bijzaken.11