Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.3.2.5
2.3.2.5 De eis van dauernde und nachhaltige Zweckerfüllung: de rol van het vermogen
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232438:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
MüKoBGB 2018 Weitemeyer BGB § 81 Rn. 3; Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010, § 83 Rn 3; Schewe 2004, p. 232. Vgl. ook Hof in v.Campenhausen/Richter § 6 Rn 20. Zie ook Karlheinz Muscheler, ‘Das vertraglichte Stichtfungsgeschäft’, ZEV 2003, p. 41-49.
Zie Karlheinz Muscheler, ‘Das vertraglichte Stichtfungsgeschäft’, ZEV 2003, p. 41-49. In hoofdstuk 3 ga ik in op de discussie hierover in Nederland (tussen vooral Besier en Van den Biesen).
MüKoBGB 2013/Reuter § 81 Rn 12 alwaar in noot 1 ook gewezen wordt op de afwijkende mening van Muscheler.
MüKoBGB 2013/Reuter Vorbemerkung Rn 63; zie ook Reinhard Nissel, Das neue Stiftungsrecht, Nomos Verlagsgesellschaft: Baden-Baden 2002, Rn 98 e.v. Instructief is Der Weg zur Stiftung, Ein Leitfaden durch das Gründungsverfahren, Regierungsbezirk Köln, mei 2018, p. 15: ‘Eine Mindesthöhe des Stiftungsvermögens ist weder vom BGB noch vom Stiftungsgesetz NRW vorgegeben. Eine Stiftung kann aber nur als rechtsfähig anerkannt werden, wenn sie über ein entsprechendes Anfangsvermögen verfügt. Grundsätzlich wird ein Mindestvermögen von 100.000 EURO als notwendig erachtet, damit eine Stiftung langfristig erfolgreich tätig sein kann.’ De voorlaatste uitgave vanwege het Regierungsbezirk Köln, Annette Enzmann & Günter Bernsdorf, Der Weg zur Stiftung, Ein Leitfaden durch das Gründungsverfahren, Regierungsbezirk Köln, december 2011, p. 18, vermeldde nog een bedrag van € 50.000 als voldoende.
MüKoBGB 2013/Reuter § 81 Rn 57.
Vgl. MüKoBGB 2013/Reuter § 83 Rn 4.
R. Kössinger, in: H. Nieder, R. Kösinger & W. Kössinger, Handbuch der Testamentsgestaltung, München: Verlag C.H. Beck 2011, Rn 293 en 284. Zie ook Heinrich Dörner in: Reiner Schulze (red.), Bürgerliches Gesetzbuch. Handkommentar (NomosKommentar), 7. Auflage, Baden-Baden: Nomos Verlagsgesellschaft 2012 § 80, Rn 4. De reden voor de eis dat het vermogen uit de nalatenschap afkomstig moet zijn, is dat de stichting niet afhankelijk mag zijn van de inzet van derden na het overlijden van de oprichter, MüKoBGB 2013/Reuter § 83 Rn 4.
Het niet op voorhand hebben van voldoende vermogen vormt naast het eerder behandelde Gemeinwohlvorbehalt het andere Anerkennungsvorbehalt. In 2.3.1.1 werd al opgemerkt dat de Duitse stichting tot aan de dag van vandaag wordt beschouwd als doelvermogen. Het vermogen speelt daardoor een centrale rol bij de Duitse stichting. Dit weerspiegelt zich ook in de rechtshandeling tot oprichting van een stichting. De oprichtingshandeling bestaat uit twee delen: een organisatorisch-rechtelijk deel (de creatie van een rechtspersoon) en een vermogensrechtelijk deel (het verschaffen van voldoende vermogen).1 In Duitsland wordt nog steeds gestreden over de vraag of sprake is van één rechtshandeling in twee delen of van twee afzonderlijke rechtshandelingen (Theorie der Einaktigkeit versus Theorie der Zweiaktigkeit). Inmiddels lijkt de Theorie der Einaktigkeit de overhand te hebben.2 Het gevolg van de onverbrekelijke koppeling tussen oprichting en vermogensafzondering is dat een stichting die voor de vervulling van haar doel geen vermogen nodig heeft ondenkbaar is: geen vermogen, geen stichting.3
Het vermogen van de stichting dient voldoende te zijn om haar voortbestaan in de voorzienbare toekomst met vertrouwen tegemoet te zien. Dit vloeit direct voort uit § 80 Abs. 2 BGB, die bepaalt dat het vermogen voldoende moet zijn zodat de ‘dauernde und nachhaltige Erfüllung des Stiftungszwecks gesichert erscheint’. Het vermogen mag dan bij de stichting een centrale rol spelen, de omvang van het vermogen is geen vast gegeven. Het vermogen dient in verhouding te staan tot het doel van de stichting. Bij de Anerkennung staat de ‘zweckadäquate Vermögensausstattung’ centraal.4 De ‘Geburt von Problemkindern’5 wordt hiermee bestreden.
De wet maakt geen onderscheid tussen de bij leven of de bij dode opgerichte stichting, toch bestaat in de praktijk verschil in de vereiste omvang van het aanvangsvermogen. De bij leven opgerichte stichting wordt Anerkennung verleend als de oprichter aannemelijk maakt dat het vermogen in de toekomst kan worden verworven. Voor de bij dode opgerichte stichting geldt, dat het voor het bereiken van het doel noodzakelijke vermogen direct vanaf het overlijden van de erflater beschikbaar moet zijn. Dit heeft tot gevolg dat het aanvangsvermogen moet komen uit de nalatenschap van de erflater.6 Dit vermogen kan de bij dode opgerichte stichting dus alleen verkrijgen op grond van makingen (Erbeinsetzung, § 1922 BGB en Vermächtnis, § 1939 BGB) of door een last (Auflage, § 1940 BGB).7 Het is dus onmogelijk bij dode een stichting op te richten die voor de verwezenlijking van haar doel afhankelijk is van toekomstige schenkingen of makingen.