Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/3.5.3
3.5.3 Contractuele uitsluiting van de uitlegfunctie van de redelijkheid en billijkheid
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS587302:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Drion 2004, p. 17, Schelhaas 2008, p. 153, Tjittes 2005, p. 26 en Tjittes 2007, p. 421 e.v. alsmede Temme 2008, p. 17 en 18.
Zie onder meer Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 380, Wissink 2001, p. 305-306, Valk 2002, p. 6 en Kornet 2006, p. 56. Dit wordt voor wat betreft aanvulling en uitleg onder meer geïllustreerd in het al eerder genoemde arrest Vodafone/ETC (HR 19 oktober 2007, NI 2007, 565). Zie nader over dit arrest Tjittes in zijn JOR noot bij dit arrest OOR 2008, 23) alsmede F.W. Grosheide (die het arrest in het teken van de aanvullende redelijkheid en billijkheid plaatst) en C.E. Drion (die in het arrest daarentegen een toepassing ziet van de leer van de normatieve uitleg); Grosheide/Drion 2008, p. 30-32. Zie ook Drion/Van Wechem 2008, p. 937-939. Voor voorbeelden in de jurisprudentie van het in elkaar overlopen van uitleg en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zij verwezen naar Snijders 2007, p. 11.
Zie in deze zin ook HR 13 maart 1981, NI 1981, 635 (m. nt. C.J.H. Brunner).
Zie in deze zin ook A-G Wissink in zijn conclusie voor HR 19 november 2010, NI 2010, 623.
Zie in deze zin bijv. Maeijer 1984, p. 36-37 en Snijders 2007a, p. 11. Zie ook het arrest Rederij Koppe, HR 20 mei 1949, NI 1950, 72 (m. nt. Ph.A.N.H.). Zie voorts Mollema 2012.
Zie uitgebreid Snijders 2007a, t.a.p.
Zie bijv. Tjittes 2009, alwaar op p. 88 de mogelijkheid wordt geopperd van een getrapte uitlegclausule, 'waarin uitleg primair taalkundig, subsidiair contextueel en meer subsidiair naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient plaats te vinden.' Een dergelijke gedachtegang stuit echter af op het feit dat het dwingende gedragsnormkarakter van de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat uitleg steeds met inachtneming van deze norm dient plaats te vinden. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de door Tjittes opgevoerde subsidiaire uitleg-variant: vanwege hun intrinsieke vaagheid of meerduidigheid behoeven woorden steeds opheldering aan de hand van de context waarin die woorden worden gebruikt. Zie daarover bijv. Brunner' s noot bij het Haviltex-arrest (HR 13 maart 1981, NI 1981, 635) en Noordegraaf 2006, p. 205-216.
In deze zin ook Schoordijk 2007, p. 1233.
Drion 2004, p. 17.
Deze clausule wordt ook wel integration clause of merger clause genoemd en dient ertoe om zeker te stellen dat het door partijen overeengekomene is beperkt tot de afspraken die in het contract zijn neergelegd. Zie te dezen o.m. de noot van Wissink onder HR 29 juni 2007, NI 2007, 576 (Derksen/Homburg) en Tjittes' JOR noot bij HR 19 januari 2007, JOR 2007, 166 (PontMeyer). Een dergelijke clausule zou kunnen luiden als volgt: 'This Agreement (together with all Schedules and the documents executed at Completion) constitutes the entire agreement and understanding of the Parties with respect to its subject matter and replaces and supersedes all prior agreements, arrangements, undertakings or statements regarding such subject matter.'
Als geopperd door Drion 2004, t.a.p.
Zie o.m. Losbl. Rv., artikel 153 Rv, aant. 3 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 33.
Drion, t.a.p.
Zie Van Zijst 2001, p. 59-61 en 80-81 en Van Rossum 2001, p. 21 e.v. Zie ook BroekemaEngelen, T&C aant. 2 sub a bij art. 7:902 BW.
Zie Van Zijst 2001, t.a.p. en Broekema-Engelen, T&C aant. 2 sub b bij art. 7:902 BW. Zie in dezelfde zin Asser-Van Schaick 5-1V, nr. 275: 'De reikwijdte van art. 7:902 BW is ook op andere wijze beperkt. Uit de vaststellingsovereenkomst kunnen alleen dan afdwingbare verbintenissen ontstaan die partijen verplichten een rechtstoestand tot stand te brengen die in strijd is met dwingend recht maar niet met de openbare orde of goede zeden, als krachtens de vaststellingsovereenkomst een beslissing wordt genomen die een reeds bestaande onzekerheid of een reeds bestaand geschil beëindigt. De beslissing die strekt ter voorkoming van een onzekerheid of geschil kan niet leiden tot verbintenissen die partijen verplichten een rechtstoestand tot stand te brengen die in strijd is met dwingend recht.' .
Om vergelijkbare redenen als hiervoor genoemd moet de door sommige auteurs1 geopperde gedachte worden afgewezen dat partijen middels een daartoe strekkend beding redelijkheid en billijkheid bij de uitleg van hun contract zouden kunnen wegcontracteren. Daaraan staat om te beginnen in de weg dat uitleg in theorie weliswaar van de overige functies van de redelijkheid en billijkheid (aanvulling, beperking) te onderscheiden valt, maar feitelijk nauw met deze andere functies samenhangt.2 Voor wat betreft aanvulling en uitleg heeft dit mede van doen met het feit dat, hoewel het overeengekomene in geval van een ontstane (en niet door wet of gewoonte aan te vullen) leemte van rechtswege door redelijkheid en billijkheid wordt aangevuld, zulks onverlet laat dat voor het kunnen constateren van deze aanvulling telkens uitleg van de overeenkomst vereist is, waarin het ontstaan zijn — preciezer: het bestaan hebben — van zo'n leemte wordt onderkend.3 Uitleg en aanvulling liggen daarmee in elkaars verlengde en zijn aldus steeds met elkaar verbonden.4 Hetzelfde geldt, naar algemeen wordt aangenomen voor uitleg en beperking.5 Ook uitleg en beperking liggen in elkaars verlengde, in die zin dat gezegd kan worden dat beperking begint, waar (een redelijke) uitleg ophoudt.6 Gegeven deze verbondenheid en de hiervoor besproken samenhang tussen aanvulling en uitleg kan niet worden volgehouden dat de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid wel van dwingend recht zouden zijn, maar de sterk met beide samenhangende uitlegfunctie van de redelijkheid en billijkheid naar believen zou kunnen worden weggecontracteerd: alle drie de functies zijn uitingsvormen van één en dezelfde fundamentele gedragsnorm, die steeds tussen partijen toepassing vindt. Daarmee valt niet te rijmen de gedachte dat partijen niettemin naar willekeur7 zouden kunnen besluiten de uitlegfunctie van deze norm contractueel uit te sluiten.8 Dit brengt met zich dat de wel gehoorde gedachte9 dat een dergelijke uitsluiting mogelijk zou zijn door opname in het contract van een zogenaamde entire agreement clause10 moet worden verworpen. Dit geldt mijns inziens ook indien een dergelijke bepaling in de vorm van een bewijsovereenkomst (art. 153 Rv.) zou worden gegoten.11 Art. 153 Rv. verbiedt namelijk om bewijsovereenkomsten te sluiten die strijdig zijn met regels, die dwingendrechtelijk van aard zijn.12 Dit verbod kan mijns inziens niet worden omzeild door, conform een suggestie van Drion,13 de bewijsovereenkomst zo te construeren dat deze krachtens lid 3 van art. 7:900 BW gelijk staat met een vaststellingsovereenkomst. Nog daargelaten dat een vaststellingsovereenkomst zelf niet in strijd mag komen met dwingend recht,14 volgt uit art. 7:902 BW dat afwijking van dwingend recht enkel is toegestaan bij een vaststelling of beslissing ter beëindiging van onzekerheid of geschil en niet ter voorkoming daarvan.15 Een commercieel contract pleegt echter te worden gesloten aan het begin van een contractuele relatie en vormt van dit begin veelal het gebruikelijke markeerpunt. Van beëindiging van onzekerheid of geschil kan op het moment van redigeren c.q. sluiten van zo'n contract in de regel bezwaarlijk worden gesproken, zodat ook langs deze weg de redelijkheid en billijkheid niet kunnen worden uitgesloten.