Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/1.5:1.5 Opzet van het proefschrift
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/1.5
1.5 Opzet van het proefschrift
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS344850:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover: Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/9.
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 2 (Voorstel van Wet).
Wet van den 28sten Mei 1925, Stb. Nr. 204, houdende nieuwe wettelijke regeling van de Coöperatieve Vereeniging.
Wet van den 2 den Juli 1928, Stb. Nr. 216, tot wijziging en aanvulling van de bepalingen omtrent de naamlooze vennootschap en regeling van de aansprakelijkheid voor het prospectus, in werking getreden op 1 april 1929.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoofdstuk 2 gaat in op een aantal rechtswetenschappelijke uitgangspunten. Allereerst zal worden ingegaan op de verhouding tussen de wetgever en de rechterlijke macht en de leer van de scheiding der machten. In dat verband zal worden stilgestaan bij de termen ‘rechtsvorming’ (hetgeen primair een taak is van de wetgever) en ‘rechtsvinding’ (hetgeen de taak van de rechter is). Ook zal worden ingegaan op de betekenis van de taal voor het recht. Dit is van belang omdat het recht in eerste instantie wordt geuit door taal. Het gebruik van consequente formuleringen is in het kader van rechtszekerheid dus niet van ondergeschikt belang. Verder zal in dit hoofdstuk worden ingegaan op de in de rechtswetenschap gangbare tekstanalytische methoden en redeneerwijzen.1 Deze tekstanalytische methoden en redeneerwijzen worden in de hoofdstukken daarna gebruikt om de introductie en onderbouwing van de ernstigverwijtmaatstaf rechtstheoretisch te toetsen
Hoofdstuk 3 gaat in op interne bestuurdersaansprakelijkheid en de ontwikkeling, betekenis en ratio van art. 2:9 BW. Gelet op het belang van de wetsgeschiedenis van art. 2:138/248 BW voor art. 2:9 BW zal uitvoerig op die wetsgeschiedenis worden ingegaan. Er zal voorts worden ingegaan op de betekenis van de term ‘(kennelijke) onbehoorlijke taakvervulling’, de systematiek van stelplicht en bewijslastverdeling, de verhouding tussen enerzijds het collegialiteitsbeginsel, de daarmee samenhangende collectieve verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid en anderzijds de taakverdeling binnen het bestuur en de mogelijkheid van disculpatie. Daarnaast zal worden ingegaan op de uit de wetsgeschiedenis voortvloeiende toetsingsregels om te beoordelen wanneer sprake is van onbehoorlijke taakvervulling, waaronder begrepen de objectieve toets van de maatman-bestuurder.
In hoofdstuk 4 beschrijf ik de oorsprong van de ernstigverwijtmaatstaf die ligt in het arbeidsrecht en de wijze waarop de ernstigverwijtmaatstaf via de literatuur en het arrest Staleman/Van de Ven is overgewaaid naar het leerstuk van interne bestuurdersaansprakelijkheid. In dit hoofdstuk wordt ook een zogenoemde ‘rationele reconstructie’ gemaakt van het arrest Staleman/Van de Ven, met als doel het arrest aan een rechtswetenschappelijke toetsing te kunnen laten onderwerpen.
In hoofdstuk 5 wordt vervolgens onderzocht of de introductie en het gebruik van de ernstigverwijtmaatstaf in het leerstuk van interne bestuurdersaansprakelijkheid rechtstheoretisch te rechtvaardigen is. Daarbij wordt gebruikgemaakt van het merendeel van de in hoofdstuk 2 genoemde tekstanalytische methoden en redeneerwijzen en wordt tevens stilgestaan bij de in dat hoofdstuk genoemde rechtswetenschappelijke uitgangspunten, zoals de scheiding der machten en het belang van de taal voor het recht. In dit hoofdstuk komt onder meer de vraag aan de orde of de ernstigverwijtmaatstaf past bij de ratio en systematiek van art. 2:9 BW en bij het collegialiteitsbeginsel. In hoofdstuk 6 wordt vervolgens ingegaan op de jurisprudentie op het gebied van interne bestuurdersaansprakelijkheid en op de vraag of de ernstigverwijtmaatstaf in dit leerstuk rechtstheoretisch te rechtvaardigen is. Hoofdstuk 7 bevat een tussenconclusie.
In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de codificatie van de ernstigverwijtmaatstaf per 1 januari 2013 in art. 2:9 BW. Hierin wordt uiteengezet dat die codificatie is gebaseerd op de wens om aan te sluiten bij de in de literatuur en jurisprudentie gehanteerde terminologie en dat daar geen rechtspolitieke redenen voor lijken te bestaan. Voorts wordt stilgestaan bij het op 8 juni 2016 bij de Tweede Kamer ingediende Voorstel van Wet bestuur en toezicht rechtspersonen.2 De daarin opgenomen bepalingen, die betrekking hebben op interne bestuurdersaansprakelijkheid, zijn (nog steeds) terug te voeren op het in 1925 ingevoerde art. 31 Wet op de Coöperatieve Vereeniging3 en het in 1929 ingevoerde art. 47c WvK (oud).4 Ik doe in dit hoofdstuk een voorstel deze bepalingen aan te passen aan deze tijd. De door mij voorgestelde aanpassingen komen kort gezegd erop neer dat (i) de ernstigverwijtmaatstaf niet meer gehanteerd wordt, (ii) duidelijker wordt gemaakt wat de verhouding is tussen enerzijds het collegialiteitsbeginsel en de daarmee samenhangende collectieve verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid en anderzijds de taakverdeling binnen het bestuur en de mogelijkheid van disculpatie en (iii) de voor de beoordeling van interne bestuurdersaansprakelijkheid reeds lang bestaande objectieve toets, rekening houdend met hindsight bias, wordt gecodificeerd.
Hoofdstuk 9 behandelt de rechtspraak op het gebied van externe bestuurdersaansprakelijkheid en de introductie en onderbouwing van de ernstigverwijtmaatstaf in die rechtspraak. Dit hoofdstuk is uitsluitend beschrijvend van aard.
In hoofdstuk 10 wordt vervolgens onderzocht of de introductie, het gebruik en de onderbouwing van de ernstigverwijtmaatstaf in het leerstuk van externe bestuurdersaansprakelijkheid rechtstheoretisch te rechtvaardigen is. Daarbij wordt opnieuw gebruikgemaakt van een aantal van de in hoofdstuk 2 genoemde tekstanalytische methoden en redeneerwijzen en wordt tevens stilgestaan bij de in dat hoofdstuk genoemde rechtswetenschappelijke uitgangspunten, zoals de scheiding der machten en het belang van de taal voor het recht. In dit hoofdstuk wordt voorts uitvoerig ingegaan op het toerekeningsleerstuk. Vervolgens komt onder meer het onderscheid tussen een gewone onrechtmatige daad en externe bestuurdersaansprakelijkheid aan de orde. Daarbij wordt ingegaan op de beginselen van natuurlijke persoonlijkheid, rechtspersoonlijkheid en rechtssubjectiviteit. Daarna wordt ingegaan op de vraag of een (maatschappelijk) belang bestaat dat bestuurders moeten kunnen ondernemen en of dat een rechtvaardiging vormt voor het hanteren van de ernstigverwijtmaatstaf. Tot slot wordt ingegaan op de zogenoemde bewaarnemersrol van een bestuurder van een rechtspersoon in het maatschappelijk verkeer ten opzichte van een derde.
In hoofdstuk 11 wordt ingegaan op de doorbraak van aansprakelijkheid ex art. 2:11 BW, waarbij opnieuw wordt stilgestaan bij de beginselen van natuurlijke persoonlijkheid, rechtspersoonlijkheid en rechtssubjectiviteit.
In hoofdstuk 12 zijn de resultaten van het rechtsvergelijkend onderzoek weergegeven op het gebied van externe bestuurdersaansprakelijkheid.
Hoofdstuk 13 bevat een samenvattende eindconclusie.