Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/I.1
I.1 Het onderwerp
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373741:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 10 689, nr. 3 (MvT), p. 7. Zie het Advies d.d. 17 augustus 1970 van het Koninklijk Verbond van Ondernemers, de Ondememersfederatie, de Federatie van het Katholiek en Christelijk Ondememersverbond en de Raad voor het Midden- en Kleinbedrijf (Den Haag 1970). Zie ook AsserMaeijer 2-111 (2000), nr. 492; en Handboek (1992), nr. 353.
Zie ook Maeijer (1981), p. 165: 'Dit alles moge waar zijn, maar het is grauwe theorie wanneer men in de praktijk van het leven geen gegadigden vindt: noch mede-aandeelhouders noch derden aan wie men zijn aandelen kan vervreemden, terwijl de aantrekkelijkheid van het aandeel juist vanwege de conflictsituatie in de vennootschap voortdurend vermindert.'
Het Financieele Dagblad 19 augustus 2010.
De deskundigenbenoeming is sinds de uitspraak inzake Hoffmann van de Hoge Raad, HR 21 januari 2005, NJ 2005, 126 (Hoffmann) in bepaalde gevallen niet verplicht. Zie § V.2.2.b.
De aanbevelingen van de Commissie Vennootschapsrecht werden opgesteld aan de hand van een mede door mij opgestelde vraagpuntennotitie, zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 17. Ik verwijs naar § 11.2.3 voor een meer uitgebreide bespreking van de motieven voor wijziging van de geschillenregeling.
Zo lang als de vennootschap bestaat, zijn er conflicten tussen aandeelhouders in besloten verhoudingen. Al bij de indiening van het wetsvoorstel tot invoering van de BV in het Nederlandse vennootschaprecht in 1970, zag de Minister van Justitie dat er een regeling voor de oplossing van geschillen tussen aandeelhouders nodig was.1 Min of meer gelijktijdig kwam er de noodkreet van de gezamenlijke belangenorganisaties van de middenstand. Zij drongen aan op een wettelijke regeling voor de `problematiek van veelvuldig voorkomende en zich in velerlei vormen voordoende conflicten tussen aandeelhouders in besloten vennootschappen'.
De BV wordt in de praktijk veel gehanteerd als een rechtsvorm voor kleinere ondernemingen met een persoonsgebonden aandeelhouderschap. De kapitaalverschaffers zijn vaak tevens bestuurders en niet zelden familie. De samenwerking staat in zulke vennootschappen voorop. Aan de goede tijden kan een einde komen door (zakelijke) ruzies en meningsverschillen. De verhouding tussen de bij de vennootschap betrokkenen raakt dan verstoord en de samenwerking stokt. Een minnelijke oplossing tussen partijen zou de beste oplossing zijn, maar de partijen zetten vaak de hakken in het zand. Omdat de verhouding besloten is, is een eenvoudige verkoop van de aandelen geen mogelijkheid.2 Ik geef een voorbeeld ter illustratie:
`Na zeven jaar samenwerking is de chemie tussen de gebroeders Pezy totaal verdwenen. Pezy Group is in 2002 uitgegroeid tot twintig man personeel. Oudere broer Bert doet het management, terwijl Henco zich meer met de acquisitie bezighoudt. De eigenwijze broers komen er samen niet uit wie het bedrijf moet voortzetten. Daarom wordt er een groep wijze mannen verzameld. De commissie, waarin onder anderen vertrouweling en Philips-manager Louis Oosting zitting heeft, geeft het advies oudere broer Bert het bedrijf te laten voortzetten. Henco Pezy is daar niet blij mee en Bert twijfelt of hij het technische constructiebedrijf in zijn eentje wil voortzetten.'3Het Nederlandse vennootschapsrecht kent een instrument voor het oplossen van geschillen tussen aandeelhouders. Sinds 1 januari 1989 is de geschillenregeling opgenomen in afdeling 1 van titel 8 van boek 2 BW. Zij ziet op het beëindigen van geschillen met behulp van een door de rechter bevolen overdracht van aandelen.
De geschillenregeling is niet van toepassing op iedere kapitaalvennootschap. Het gaat om aandelen die worden gehouden in een 'besloten verhouding'. Naast de BV is dat de NV die aan de drie cumulatieve vereisten van lid 2 van art. 2:335 BW voldoet. Een open NV — zoals een beursgenoteerde vennootschap — valt dus niet onder het toepassingsbereik van de regeling. De geschillenregeling kent drie procedures.
De eerste procedure is de gedwongen overdracht van aandelen, ofwel de `uitstoting' (art. 2:336 lid 1 BW). De aandeelhouder die door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat in redelijkheid zijn aandeelhouderschap niet langer kan worden geduld, wordt gedagvaard teneinde zijn aandelen over te dragen. De eisende partij is in dit geval een aandeelhouder die (al dan niet gezamenlijk met een andere aandeelhouder) minimaal een derde van het geplaatste kapitaal verschaft.
De tweede procedure betreft de gedwongen overname van aandelen, ofwel de `uittreding' (art. 2:343 lid 1 BW). Iedere aandeelhouder die zodanig in zijn rechten en belangen wordt geschaad, dat van hem in redelijkheid niet langer gevergd kan worden aandeelhouder te blijven, kan van zijn medeaandeelhouder vorderen dat hij zijn aandelen overneemt.
Tot slot is er de vordering tegen de stemgerechtigde pandhouder of vruchtgebruiker van een aandeel (art. 2:342 lid 1 BW). Het stemrecht gaat gedwongen over op de blootaandeelhouder indien de beperkt gerechtigde met zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat in redelijkheid niet langer kan worden geduld dat hij dit stemrecht blijft uitoefenen. De vordering wordt ingesteld door een aandeelhouder die al dan niet gezamenlijk met een ander een derde van het geplaatste kapitaal verschaft. Deze procedure tot gedwongen overgang van stemrecht lijkt dus enigszins op de uitstoting van art. 2:336 BW.
Deze laatste procedure heeft zich nimmer in de praktijk voorgedaan. Ik schets daarom nu enkel de procedure van de uitstoting en de uittreding, waarbij ik er vanuit ga dat alle rechterlijke instanties eensgezind zijn.
De procedures lopen langs dezelfde lijnen en kennen twee fasen. De eerste fase ziet op de beoordeling of sprake is van een situatie die uitstoting of uittreding rechtvaardigt. Eerst speelt de vraag of de statuten of een overeenkomst een eigen regeling behelzen. De eisende aandeelhouder is niet ontvankelijk indien zo'n eigen oplossing van geschillen tussen aandeelhouders voorhanden is, tenzij die regeling niet kan worden toegepast (art. 2:337 (jo. 2:343 lid 1) BW). Is dit niet het geval en voldoet de casus aan de eisen van art. 2:336 lid 1 BW (uitstoting) of 2:343 lid 1 BW (uittreding), dan wijst de rechtbank de vordering toe. Zij benoemt dan tevens een of drie deskundigen die een bericht over de prijs zullen uitbrengen. Overigens geldt vanaf de betekening van de dagvaarding een vervreemdingsverbod (art. 2:338 (jo. 2:343 lid 1) BW).
De rechtbank kan haar vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren (art. 2:339 lid 1 (jo. art. 2:343) BW). Dit brengt mee dat hoger beroep schorsende werking heeft. De deskundigen kunnen dus nog niet aan de slag. Zij moeten wachten totdat er een definitieve uitspraak ligt. In hoger beroep oordeelt de OK over het uitstotingsof uittredingsvonnis (art. 2:336 lid 3 (jo. 2:343 lid 1) BW). Ook voor haar arrest geldt dat het rechtsmiddel (cassatie) schorsende werking heeft. Stelt uiteindelijk de Hoge Raad vast dat de gedaagde (in eerste aanleg) inderdaad mag worden uitgestoten of de eiser (in eerste aanleg) uiteindelijk kan uittreden, dan keert de procedure terug bij de rechtbank.
De tweede fase vangt aan. De deskundigen gaan aan het werk en brengen een schriftelijk bericht uit. Vervolgens bepaalt de rechtbank de prijs van de aandelen (art. 2:340 lid 1 (jo. art. 2:343 lid 1) BW). Zij veroordeelt de eiser tot contante betaling en de gedaagde tot levering in een uitstotingsprocedure (art. 2:340 lid 2 BW). Voor de uittreding geldt eveneens de dubbele veroordeling, maar dan `omgekeerd': de uittredende eiser behoort te leveren en de gedaagde aandeelhouders moeten overnemen en contant betalen (art. 2:343 lid 1 BW). Ook nu geldt dat hoger beroep bij de OK en cassatie schorsende werking hebben (art. 2:341 lid 1 resp. 2:343 lid 3 BW). Bovendien mag de OK in hoger beroep ook deskundigen benoemen om zich te laten informeren over de juiste prijs.4 Zo kan de levering en de betaling van de aandelen (de derde fase) dus tot na de cassatie op zich laten wachten.
Staat uiteindelijk de prijs van de over te dragen aandelen onomstotelijk vast, dan resteren de levering en de betaling. De uitgestoten of uitgetreden aandeelhouder moet binnen twee weken na betekening van het onherroepelijk vonnis leveren. Voor de uitstoting gelden de zeven leden van art. 2:341 BW, de uittreding volgt art. 2:343 lid 3 tot en met 9 BW. Diverse leveringsvarianten kunnen zich voordoen. Zo eist de wet het volgen van de statutaire blokkeringsregeling, indien die een aanbiedingsverplichting bevat. Resteren na de aanbieden nog aandelen, dan 'herleeft' de door de rechter vastgestelde verdeling. Ook geeft de geschillenregeling voorschriften voor de stagnering van de levering van de aandelen en de betaling van de prijs. Tot slot kunnen de partijen terug naar de rechter. De gerezen geschillen over de levering en betaling worden beslecht door de rechter die de vordering heeft toegewezen (art. 2:341 lid 7 en 2:343 lid 9 BW).
Inmiddels is in het kader van de wetgevingsoperatie tot flexibilisering en vereenvoudiging van het BV-recht een wijziging van de geschillenregeling voorgesteld. Mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Vennootschapsrecht uit 2004 worden diverse wetsartikelen veranderd.5 De aanpassingen zien op onder meer de positie van de vennootschap en enkele procedurele aspecten.
Het object van mijn onderzoek is de wettelijke geschillenregeling naar huidig en toekomstig recht.