Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/7.2.2
7.2.2 Externe werking
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg
- JCDI
JCDI:ADS435904:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 9 november 2000, NJ 2005, 332, m.nt. Th.M. de Boer (Ingmar).
HvJ EG 9 november 2000, NJ 2005, 332, m.nt. Th.M. de Boer (Ingmar) r.o. 21 en 22.
HvJ EG 9 november 2000, NJ 2005, 332, m.nt. Th.M. de Boer (Ingmar) r.o. 24.
HvJ EG 9 november 2000, NJ 2005, 332, m.nt. Th.M. de Boer (Ingmar) r.o. 25.
HvJ EG 9 november 2000, NJ 2005, 332, m.nt. Th.M. de Boer (Ingmar) r.o. 26.
HvJ EG 9 november 2000, NJ 2005, 332, m.nt. Th.M. de Boer (Ingmar).
HvJ EG 10 februari 1988, NJ 1990, 423 (Daddy’s Dance Hall).
van Hoek 2014, p. 472.
Nu de richtlijn overgang van onderneming blijkens de territoriale-werkingssfeerbepaling van toepassing kan zijn op een grensoverschrijdende overgang van onderneming vanuit de EU is het zaak dat in een dergelijk internationaal geval het toepasselijke recht op de overgang van onderneming kan worden vastgesteld. Het is de vraag welke conflictenrechtelijke betekenis moet worden gehecht aan de territoriale-werkingssfeerbepaling van de richtlijn overgang van onderneming. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat daarbij een onderscheid moet worden gemaakt tussen de externe en interne werking van een richtlijn.
Over de externe werking van richtlijnen is door het Hof van Justitie geoordeeld in de zaak Ingmar/Eaton Leonard Technologies.1 In deze zaak fungeerde de vennootschap naar Engels recht Ingmar GB Ltd. (hierna: Ingmar) als handelsagent van Eaton Leonard Technologies Inc., een vennootschap naar Californisch recht (hierna: Eaton) voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Na de beëindiging van de agentuurovereenkomst maakte Ingmar in het Verenigd Koninkrijk een procedure tegen Eaton aanhangig waarin zij betaling van provisie vorderde alsmede herstel van het haar door de beëindiging van de betrekkingen tussen de beide vennootschappen berokkende nadeel. In antwoord op Ingmars vorderingen, die waren gebaseerd op de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk waarmee richtlijn 86/653/EEG (inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten) was geïmplementeerd, heeft Eaton aangevoerd dat het toepasselijke recht niet het door Ingmar ingeroepen recht kon zijn, omdat de overeenkomst tussen de beide vennootschappen een rechtskeuze voor het recht van de staat Californië (VS) bevatte.
Aldus werd het Hof van Justitie gevraagd of een in de EU werkzame agent zich op de bescherming van de Europese richtlijnbepalingen kon beroepen in het geval waarin de overeenkomst tussen de agent en zijn Amerikaanse principaal een rechtskeuze voor Amerikaans recht bevatte. Het Hof van Justitie beantwoordde deze vraag bevestigend. Daartoe redeneerde het Hof van Justitie als volgt: de beschermende bepalingen van artikel 17 en 18 van de agentuurrichtlijn zijn van dwingende aard, welke dwingende aard wordt bevestigd doordat artikel 19 van de agentuurrichtlijn bepaalt dat partijen niet ten nadele van de handelsagent mogen afwijken voordat de overeenkomst is beëindigd.2 De regeling van artikel 17 tot en met 19 van de agentuurrichtlijn beoogt dus via de categorie van handelsagenten de vrijheid van vestiging en de onvervalste mededinging binnen de interne markt te beschermen.3 Volgens het Hof van Justitie is voor de verwezenlijking van deze doelstellingen van het Verdrag noodzakelijk dat die bepalingen op het hele grondgebied van de gemeenschap worden nageleefd. De functie van de betrokken bepalingen vereist dat deze, ongeacht welk recht partijen op de overeenkomst van toepassing hebben verklaard, toepassing vinden zodra de situatie een nauwe band met de gemeenschap vertoont, met name omdat de handelsagent zijn activiteiten op het grondgebied van een lidstaat verricht.4 Het Hof van Justitie oordeelt dat de artikelen 17 en 18 van de agentuurrichtlijn moeten worden toegepast wanneer de handelsagent zijn activiteiten in een lidstaat heeft verricht, terwijl de principaal in een derde land is gevestigd en de overeenkomst volgens een daarin opgenomen clausule door het recht van dat land wordt beheerst.5
Analoog aan het Ingmar-arrest kan worden gesteld dat de richtlijn overgang van onderneming in de eerste plaats strekt tot bescherming van werknemers.6 Aangezien deze bescherming volgens het Hof van Justitie van ‘openbare orde’ is en de partijen bij de arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking er dus niet vrijelijk over kunnen beschikken, zijn de bepalingen van de richtlijn overgang van onderneming in zoverre als dwingend te beschouwen dat er niet in voor de werknemers ongunstige zin van mag worden afgeweken.7 Ten tweede hebben de harmonisatiemaatregelen van de richtlijn overgang van onderneming blijkens de considerans onder meer de onderlinge afstemming van de uit de beschermingsregels voortvloeiende verplichtingen voor de ondernemingen in de Gemeenschap tot doel (interne-marktdoelstelling). De richtlijn beoogt dus via de categorie van werknemers de interne markt te beschermen. Voor de verwezenlijking van deze doelstellingen is het noodzakelijk dat die bepalingen op het grondgebied van de gemeenschap worden nageleefd. De functie van de betrokken bepalingen vereist dat deze, ongeacht welk recht de partijen op de overeenkomst van toepassing hebben verklaard, toepassing vinden zodra de situatie een nauwe band met de gemeenschap vertoont, met name omdat de werknemer zijn werkzaamheden verricht voor een onderneming op het grondgebied van een lidstaat. Aldus kan worden geconcludeerd dat de territorialewerkingssfeer van de richtlijn overgang van onderneming extern een resultaatsverplichting bevat. Het Hof van Justitie heeft dergelijke bepalingen in feite de status van voorrangsregel in de zin van artikel 9 Rome I-Verordening gegeven.8