Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.5.2.5.2
14.5.2.5.2 Uitvaardigen strafbeschikking door Bestuur van ‘s Rijksbelastingen
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499598:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de AWR wordt het begrip ‘bestuur van ’s Rijks belastingen’ alleen gebruikt in hoofdstuk IX. Daarin zijn de strafrechtelijke bepalingen vastgelegd. Gelet op art. 2, lid 4 AWR, wordt dit bestuur uitgeoefend door ambtenaren die (daartoe) door de minister van Financiën zijn aangewezen. Op grond van art. 8 Uitv.reg. Belastingdienst 2003 wordt het bestuur uitgeoefend door de directeuren van de organisatieonderdelen, bedoeld in art. 3, lid 1 van de uitvoeringsregeling.
Dit in afwijking van art. 257a, art. 257b en art. 257ba Sv. De fiscale strafbeschikking in art. 76 AWR vloeit voort uit de Wet OM-afdoening die op 1 juli 2011 in werking is getreden voor de fiscaliteit. Dit heeft geleid tot aanpassing van onder meer de Uitv.reg. Belastingdienst 2003 in verband met de aanwijzing van functionarissen die, naast het bestuur van ’s Rijks belastingen, fiscale strafbeschikkingen kunnen uitvaardigen. Zie ter zake art. 76, lid 1 AWR (slotzin).
Een verbijzondering voor de vervolging van fiscale delicten is de rol die het bestuur van de Belastingdienst daarbij speelt.1art. 80, lid 2 AWR kent het bestuur in een aantal gevallen een eerste opportuniteitsoordeel toe over al dan niet strafrechtelijke vervolging in zaken waarin geen inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden.
De OvJ is op grond van art. 80, lid 3 AWR op zijn beurt bevoegd een zaak ter afdoening weer in handen van het bestuur van de Belastingdienst te stellen, dat dan kan handelen in overeenstemming met art. 76 AWR. Daarin is onder meer vastgelegd dat ten aanzien van de bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten met betrekking tot welke het proces-verbaal niet in overeenstemming met art. 80, lid 2 AWR in handen van de OvJ is gesteld, uitsluitend het bestuur een zogenoemde strafbeschikking kan uitvaardigen.2 In die beschikking kan een geldboete worden opgelegd. Ook kan die aanwijzingen bevatten waaraan de verdachte moet voldoen, zoals het alsnog doen van belastingaangifte of het alsnog betalen van de verschuldigde belasting.
Wanneer de OvJ de zaak niet in handen van het bestuur van de Belastingdienst stelt, dan heeft hij de keuze tussen de zojuist genoemde afdoeningsmogelijkheden, te weten sepot, buitengerechtelijke afdoening of het aanbrengen van de zaak bij de strafrechter.