Procestaal: Italiaans.
HvJ EU, 18-12-2025, nr. C-320/24
ECLI:EU:C:2025:993
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
18-12-2025
- Magistraten
I. Jarukaitis, N. Jääskinen, R. Frendo
- Zaaknummer
C-320/24
- Conclusie
N. Emiliou
- Roepnaam
Soledil
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:993, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 18‑12‑2025
ECLI:EU:C:2025:469, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑06‑2025
Uitspraak 18‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van de consument — Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — Richtlijn 93/13/EEG — Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 — Toetsingsbevoegdheid en verplichtingen van de nationale rechter — Boetebeding — Geen ambtshalve toetsing van het oneerlijke karakter van dat beding — Gezag van gewijsde — Doeltreffendheidsbeginsel — Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Beroep op het oneerlijke karakter van een contractueel beding in het kader van een na cassatie terugverwezen zaak
I. Jarukaitis, N. Jääskinen, R. Frendo
Partij(en)
In zaak C-320/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij beslissing van 26 april 2024, ingekomen bij het Hof op 30 april 2024, in de procedure
CR,
TP
tegen
Soledil Srl, een vennootschap die met haar schuldeisers een preventief akkoord heeft gesloten,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, N. Jääskinen en R. Frendo (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: C. Di Bella, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 februari 2025,
gelet op de opmerkingen van:
- —
CR en TP, vertegenwoordigd door J.-S. F. Bartolomei, avvocato,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino en G. Palmieri als gemachtigden, bijgestaan door M. Cherubini en C. Colelli, avvocati dello Stato,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en D. Recchia als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 juni 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), alsmede van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen CR en TP, twee toekomstige kopers van een onroerend goed met de hoedanigheid van consument, enerzijds, en Soledil Srl, een vennootschap die met haar schuldeisers een preventief akkoord heeft gesloten, de toekomstige verkoper, anderzijds, over een vordering tot ontbinding van de wederzijds bindende voorlopige koopovereenkomst met betrekking tot dat onroerend goed en over de geldigheid van het boetebeding in die voorlopige koopovereenkomst.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
In de vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 staat te lezen:
‘[…] [D]e gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten [moeten] over passende en doeltreffende middelen […] beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten’.
4
Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
‘De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.’
5
Artikel 7, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt:
‘De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.’
Italiaans recht
Consumentenwetboek
6
Decreto legislativo n. 206, recante codice del consumo, a norma dell'articolo 7 della legge 29 luglio 2003, n. 229 (wetsbesluit nr. 206 tot vaststelling van het consumentenwetboek krachtens artikel 7 van wet nr. 229 van 29 juli 2003) van 6 september 2005 (gewoon supplement bij GURI nr. 235 van 8 oktober 2005), waarbij richtlijn 93/13 is omgezet in Italiaans recht, bepaalt in artikel 33, leden 1 en 2:
- ‘1.
In overeenkomsten tussen consumenten en verkopers worden bedingen die, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument, als oneerlijk beschouwd.
- 2.
Behoudens tegenbewijs worden bedingen als oneerlijk beschouwd indien zij tot doel of tot gevolg hebben dat:
[…]
- f)
de consument in geval van niet-nakoming of vertraging in de nakoming als schadevergoeding, op grond van een strafbeding of op een andere vergelijkbare grond, een kennelijk onevenredig hoog bedrag moet betalen;
[…]’
7
Artikel 36, leden 1 en 3, van dat wetboek bepaalt:
- ‘1.
Bedingen die overeenkomstig de artikelen 33 en 34 als oneerlijk worden aangemerkt zijn nietig, terwijl de overeenkomst voor het overige geldig blijft.
[…]
- 3.
De nietigheid werkt uitsluitend in het voordeel van de consument en kan ambtshalve door de rechter worden opgeworpen.’
Burgerlijk wetboek
8
Krachtens artikel 1384 van de Codice civile (burgerlijk wetboek) kan de rechter de boete op billijke wijze verlagen indien de hoofdverplichting gedeeltelijk is uitgevoerd of indien het bedrag van de boete, gelet op het belang van de schuldeiser bij de uitvoering, kennelijk buitensporig is.
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
9
Artikel 384 (‘Formulering van het rechtsprincipe en uitspraak over de gegrondheid’) van de Codice di procedura civile (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) bepaalt in de tweede alinea:
‘Wanneer de [Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië)] het cassatieberoep toewijst, vernietigt hij de beslissing en verwijst hij de zaak terug naar een andere rechter, die zich moet houden aan het uitgesproken rechtsprincipe en in ieder geval aan de uitspraak van deze rechter over die rechtsvraag, of doet hij zelf uitspraak ten gronde wanneer nieuwe feitelijke vaststellingen niet noodzakelijk zijn.’
10
Artikel 394 (‘Behandeling van de zaak na terugverwijzing’) van dit wetboek luidt:
‘[…]
In de terugverwezen zaak kan de beslissende eed worden opgelegd, maar partijen kunnen geen andere conclusies formuleren dan die welke zij hebben geformuleerd in het geding waarin het vernietigde arrest is gewezen, tenzij de noodzaak van de nieuwe conclusies voortvloeit uit het arrest in cassatie.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
11
In 1998 hebben CR en TP, toekomstige kopers, en Soledil, toekomstige verkoper, een wederzijds bindende voorlopige overeenkomst voor de koop van een onroerend goed gesloten. CR en TP hebben Soledil overeenkomstig die overeenkomst een voorschot van ongeveer 72 870 EUR betaald. In artikel 7 van die overeenkomst was een boetebeding opgenomen waarin was bepaald dat de toekomstige verkoper, ingeval de toekomstige kopers de verplichting niet nakomen om de definitieve overeenkomst te sluiten, de als voorschot betaalde bedragen als boete mocht inhouden.
12
Er is geen definitieve koopovereenkomst gesloten en het geding over de wederzijds bindende voorlopige koopovereenkomst is aan een scheidsgerecht voorgelegd. Dat gerecht heeft die overeenkomst bij scheidsrechterlijke beslissing van 29 juli 2002 ontbonden wegens niet-nakoming door de toekomstige kopers. Die laatsten werden veroordeeld tot teruggave van het betrokken onroerend goed. Daarnaast werd de toekomstige verkoper veroordeeld tot terugbetaling van alle als voorschot ontvangen bedragen.
13
Bij uitspraak van 2009 heeft de Corte d'appello di Ancona (rechter in tweede aanleg Ancona, Italië) de scheidsrechterlijke beslissing om procedurele redenen vernietigd en ten gronde uitspraak gedaan. Met name heeft die rechter de toekomstige kopers veroordeeld tot teruggave van het betrokken onroerend goed en de toekomstige verkoper veroordeeld tot terugbetaling van de als voorschot ontvangen bedragen. Voorts heeft die rechter de boete van artikel 7 van de overeenkomst, zoals vermeld in punt 11 van dit arrest, overeenkomstig artikel 1384 van het burgerlijk wetboek verlaagd tot enkel de rente die verschuldigd is over de als voorschot betaalde bedragen.
14
Bij een in 2015 in cassatie gewezen arrest heeft de Corte suprema di cassazione de uitspraak van de Corte d'appello di Ancona vernietigd omdat de beslissing om die boete te verlagen ontoereikend was gemotiveerd.
15
De zaak is daarop terugverwezen naar de Corte d'appello di Bologna (rechter in tweede aanleg Bologna, Italië).
16
Bij uitspraak van 2018 heeft die rechter geoordeeld dat het voorwerp van de terugverwezen zaak beperkt was tot de toepassing van het in artikel 7 van de wederzijds bindende voorlopige koopovereenkomst opgenomen boetebeding, de eventuele verlaging van de toepasselijke boete en de vaststelling van de eventuele hogere schade die door de toekomstige verkoper is geleden als gevolg van de onrechtmatige ingebruikneming van het betrokken onroerend goed. Die rechter heeft met name geoordeeld dat een boete van ongeveer 72 870 EUR buitensporig was en heeft het door de toekomstige kopers in dat verband verschuldigde bedrag bijgevolg verlaagd tot 61 600 EUR.
17
De toekomstige kopers hebben cassatieberoep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione, de verwijzende rechter, waarbij zij met name hebben aangevoerd dat dit boetebeding ongeldig is omdat hun daarbij een kennelijk buitensporige boete is opgelegd en het derhalve een oneerlijk beding in de zin van de nationale regeling inzake consumentenbescherming vormt. In die omstandigheden had de Corte d'appello di Bologna artikel 7 van de wederzijds bindende voorlopige koopovereenkomst huns inziens ambtshalve ongeldig moeten verklaren.
18
De verwijzende rechter merkt om te beginnen op dat het beginsel van het gezag van gewijsde zich er krachtens de nationale regeling tegen verzet dat een vraag over de nietigheid van een vermeend oneerlijk beding, die bij de eerste rechtmatigheidstoetsing niet is aangevoerd of aan de orde is gesteld en die noodzakelijkerwijs onverenigbaar is met de inhoud van het arrest in cassatie waarbij de uitspraak ten gronde is vernietigd, tijdens een tweede rechtmatigheidstoetsing wordt onderzocht.
19
Die rechter wijst er voorts op dat hij in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof over het doeltreffendheidsbeginsel met betrekking tot de aan consumenten bij richtlijn 93/13 verleende rechten reeds heeft geoordeeld dat het gezag van gewijsde niet van toepassing is in een summiere procedure tot verkrijging van een betalingsbevel wanneer tegen de aangevoerde titel geen verzet is aangetekend en die titel geen motivering bevat dat de betrokken contractuele bedingen niet oneerlijk zijn.
20
In die omstandigheden heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [93/13], alsmede artikel 47 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat
- a)
zij in de weg staan aan de toepassing van de beginselen van nationaal procesrecht op grond waarvan een preliminaire kwestie over de nietigheid van een [vermeend oneerlijk contractueel beding], dat bij de rechtmatigheidstoetsing niet is aangevoerd of aan de orde gesteld, en dat in logisch opzicht onverenigbaar is met de aard van het dictum van het arrest van de cassatierechter, niet kan worden onderzocht tijdens de behandeling van de terugverwezen zaak, noch tijdens de rechtmatigheidstoetsing waaraan de partijen het in de terugverwezen zaak gewezen arrest onderwerpen;
- b)
ook in het licht van de aan de consumenten toerekenbare volslagen passiviteit, in die zin dat zij de nietigheid/ongeldigheid van de oneerlijke bedingen pas voor het eerst hebben aangevoerd in het cassatieberoep tegen het in de terugverwezen zaak gewezen arrest;
- c)
en dit met name in verband met het aan de orde stellen van de oneerlijke aard van een kennelijk onredelijk boetebeding, met betrekking waartoe [door de Corte suprema di cassazione] is geoordeeld dat de hoogte daarvan op grond van passende criteria moet worden verlaagd, ook gezien het feit dat de consumenten pas na de uitspraak in de terugverwezen zaak hebben aangevoerd dat het beding oneerlijk is?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
21
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de toepassing van het beginsel van het gezag van gewijsde de nationale rechter, bij wie de na cassatie terugverwezen zaak aanhangig is, het niet toestaat om ambtshalve de nietigheid van een vermeend oneerlijk contractueel beding te onderzoeken wanneer, ten eerste, de consument in eerdere fasen van de gerechtelijke procedure niet heeft aangevoerd dat dit beding oneerlijk is en, ten tweede, de nationale rechters de nietigheid van een dergelijk beding niet ambtshalve hebben opgeworpen in de procedure die tot de uitspraak in cassatie heeft geleid.
22
Volgens vaste rechtspraak berust het beschermingsstelsel van richtlijn 93/13 op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt (arrest van 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a., C-693/19 en C-831/19, EU:C:2022:395, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23
Gelet op deze zwakke positie bepaalt artikel 6, lid 1, van die richtlijn dat oneerlijke bedingen de consument niet binden. Het gaat om een dwingende bepaling die beoogt het in de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt (arrest van 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a., C-693/19 en C-831/19, EU:C:2022:395, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24
In dit verband moet de nationale rechter ambtshalve toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, oneerlijk is en moet hij aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt (arresten van 14 maart 2013, Aziz, C-415/11, EU:C:2013:164, punt 46, en 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a., C-693/19 en C-831/19, EU:C:2022:395, punt 53).
25
Voorts verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten volgens artikel 7, lid 1, gelezen in het licht van de vierentwintigste overweging ervan, te voorzien in doeltreffende en geschikte middelen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers (arresten van 26 juni 2019, Addiko Bank, C-407/18, EU:C:2019:537, punt 44, en 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a., C-693/19 en C-831/19, EU:C:2022:395, punt 54).
26
Bij gebreke van een Unierechtelijke regeling zijn de procedures ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van hun interne rechtsorde. Deze regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco, C-869/19, EU:C:2022:397, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, beschikt het Hof niet over gegevens die twijfel doen ontstaan over de verenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling met dit beginsel.
28
Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procedureregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van die regel in de gehele procedure en van het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure, tezamen met, zo nodig, de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco, C-869/19, EU:C:2022:397, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29
Voorts heeft het Hof verduidelijkt dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen — met name voor de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13 —, impliceert dat moet worden gezorgd voor effectieve rechterlijke bescherming, welk vereiste is bevestigd in artikel 7, lid 1, van die richtlijn en tevens is verankerd in artikel 47 van het Handvest. Dat vereiste geldt onder meer voor de vaststelling van de procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd (arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco, C-869/19, EU:C:2022:397, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat bij gebreke van een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van de bedingen van de betrokken overeenkomst, de eerbiediging van de bij richtlijn 93/13 verleende rechten niet kan worden gewaarborgd (arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco, C-869/19, EU:C:2022:397, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Hieruit volgt dat de in het nationale recht geldende voorwaarden, waarnaar artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 verwijst, geen afbreuk mogen doen aan de essentie van het recht dat consumenten aan deze bepaling ontlenen om niet gebonden te zijn aan een beding dat geacht wordt oneerlijk te zijn (arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco, C-869/19, EU:C:2022:397, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Evenwel moet worden gewezen op het belang van het beginsel van het gezag van gewijsde, zowel in de rechtsorde van de Unie als in de nationale rechtsorden. Het Hof heeft immers reeds aangegeven dat het, om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, van belang is dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na het verstrijken van de voor het instellen van deze beroepen voorziene termijnen, niet meer opnieuw in geding kunnen worden gebracht [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C-582/21, EU:C:2024:282, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
33
Het Hof heeft ook geoordeeld dat wanneer de nationale rechter bij een eerder onderzoek van een omstreden overeenkomst, dat heeft geleid tot een beslissing die gezag van gewijsde heeft, slechts één beding of bepaalde bedingen van die overeenkomst ambtshalve heeft getoetst aan richtlijn 93/13, deze richtlijn een nationale rechter gebiedt om op verzoek van de partijen of ambtshalve te onderzoeken of de andere bedingen van de overeenkomst oneerlijk zijn, zodra hij over de daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens beschikt. Bij gebreke van een dergelijk onderzoek is de bescherming die de consument wordt geboden, immers onvolledig en ontoereikend en vormt zij geen geschikt en doeltreffend middel om een einde te maken aan het gebruik van dat soort bedingen, hetgeen in strijd is met artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 (arrest van 26 januari 2017, Banco Primus, C-421/14, EU:C:2017:60, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
Daarentegen wordt deze bescherming wel gewaarborgd indien de bevoegde rechter tijdens een eerste gerechtelijke procedure de toetsing van het eventueel oneerlijke karakter van de bedingen van de betrokken overeenkomst had verricht, die toetsing — die minstens summier was gemotiveerd — geen oneerlijke bedingen aan het licht had gebracht en de consument naar behoren ervan in kennis was gesteld dat hij zich later niet meer zal kunnen beroepen op het mogelijk oneerlijke karakter van die bedingen indien hij niet binnen de in het nationale recht gestelde termijn hoger beroep instelt (zie arrest van 7 november 2024, ERB New Europe Funding II, C-178/23, EU:C:2024:943, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
Uit het voorgaande volgt dat de toetsing door een rechter of contractuele bedingen in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper oneerlijk zijn, in overeenstemming is met het doeltreffendheidsbeginsel in het licht van richtlijn 93/13 indien, ten eerste, de consument op de hoogte wordt gebracht van het bestaan van die toetsing en van de gevolgen die zijn passiviteit heeft voor het verval van het recht om het oneerlijke karakter van contractuele bedingen aan te voeren en, ten tweede, de naar aanleiding van die toetsing genomen beslissing voldoende wordt gemotiveerd om te kunnen vaststellen welke bedingen daarbij zijn onderzocht en om welke redenen — zelfs al zijn ze summier weergegeven — de rechter heeft geoordeeld dat die bedingen niet oneerlijk zijn. Een rechterlijke beslissing die aan deze vereisten voldoet, kan tot gevolg hebben dat in een latere procedure niet opnieuw kan worden getoetst of de contractuele bedingen oneerlijk zijn (arrest van 29 februari 2024, Investcapital, C-724/22, EU:C:2024:182, punt 45).
36
In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat het beginsel van het gezag van gewijsde zich er volgens de toepasselijke nationale regeling tegen verzet dat een middel dat ambtshalve kan worden opgeworpen, zoals het vermeend oneerlijke karakter van een contractueel beding, in het kader van een terugverwezen zaak wordt onderzocht wanneer dit middel niet is aangevoerd of aan de orde gesteld in het kader van de procedure die tot het arrest in cassatie heeft geleid, en het aanvoeren van een dergelijk middel bijgevolg noodzakelijkerwijs onverenigbaar is met de inhoud van het dictum van dat arrest.
37
Tevens blijkt dat de rechterlijke beslissingen in verband met het hoofdgeding, die zijn genoemd in de punten 13, 14 en 16 van het onderhavige arrest, geen enkele toetsing bevatten — noch door de bodemrechters noch door de Corte suprema di cassazione — van het eventueel oneerlijke karakter van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde boetebeding.
38
Volgens de verwijzende rechter is er echter inderdaad een rechterlijke beslissing genomen waarin impliciet is erkend dat dit boetebeding geldig is, aangezien de door de nationale rechters genomen beslissing om het bedrag van de boete te verlagen logischerwijs veronderstelt dat dit beding geldig is en rechtsgevolgen heeft. Zo wordt een ambtshalve toetsing van het eventueel oneerlijke karakter van het betrokken boetebeding krachtens de nationale toepasselijke regeling geacht impliciet te hebben plaatsgevonden en gezag van gewijsde te hebben, ook al is er daarvoor geen motivering gegeven. Hierdoor wordt de toetsing die de in de punten 30 en 33 tot en met 35 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak vereist, onmogelijk gemaakt, ondanks het feit dat een gerechtelijke procedure over dat boetebeding nog steeds loopt.
39
Hieruit volgt dat die nationale regeling, die de consument de procedurele middelen ontneemt om zijn rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 te doen gelden, de bescherming van die rechten onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, waardoor dus afbreuk wordt gedaan aan het doeltreffendheidsbeginsel.
40
Bovendien merkt de verwijzende rechter op dat de toekomstige kopers blijk hebben gegeven van totale passiviteit en pas in het tweede cassatieberoep hebben aangevoerd dat het betrokken boetebeding oneerlijk was.
41
Het is juist dat de inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel niet zodanig ver kan worden doorgetrokken dat de totale passiviteit van de betrokken consument wordt verholpen (arrest van 24 juni 2025, GR REAL, C-351/23, EU:C:2025:474, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het onderhavige geval blijkt echter uit de verwijzingsbeslissing dat de toekomstige kopers aan de verschillende fasen van de gerechtelijke procedure hebben deelgenomen en — zij het alleen in het tweede cassatieberoep — hebben aangevoerd dat het betrokken boetebeding oneerlijk was. Hun gedrag kan derhalve niet als volledig passief worden aangemerkt.
42
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de toepassing van het beginsel van het gezag van gewijsde het de nationale rechter, bij wie de na cassatie terugverwezen zaak aanhangig is, niet toestaat om ambtshalve de nietigheid van een vermeend oneerlijk contractueel beding te onderzoeken wanneer, ten eerste, de consument in eerdere fasen van de gerechtelijke procedure niet heeft aangevoerd dat dit beding oneerlijk is en, ten tweede, de nationale rechters de nietigheid van een dergelijk beding niet ambtshalve hebben opgeworpen in de procedure die tot de uitspraak in cassatie heeft geleid.
Kosten
43
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de toepassing van het beginsel van het gezag van gewijsde het de nationale rechter, bij wie de na cassatie terugverwezen zaak aanhangig is, niet toestaat om ambtshalve de nietigheid van een vermeend oneerlijk contractueel beding te onderzoeken wanneer, ten eerste, de consument in eerdere fasen van de gerechtelijke procedure niet heeft aangevoerd dat dit beding oneerlijk is en, ten tweede, de nationale rechters de nietigheid van een dergelijk beding niet ambtshalve hebben opgeworpen in de procedure die tot de uitspraak in cassatie heeft geleid.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑12‑2025
Conclusie 19‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van de consument — Richtlijn 93/13/EEG — Oneerlijke bedingen — Bevoegdheid en verplichting van de nationale rechterlijke instantie — Boetebeding in een consumentenovereenkomst — Toetsing van het oneerlijke karakter van dat contractuele beding — Geldigheid van het contractuele beding die valt onder het (impliciete) gezag van gewijsde — Onmogelijkheid voor de nationale rechterlijke instantie die ten gronde oordeelt en voor de nationale rechterlijke instantie waarbij cassatieberoep is ingesteld om te toetsen of het contractuele beding oneerlijk is
N. Emiliou
Partij(en)
Zaak C-320/241.
CR,
TP
tegen
Soledil Srl, een vennootschap die met haar schuldeisers een akkoord heeft gesloten
[verzoek van de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
De prejudiciële vraag in deze zaak is afkomstig van de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) bij wie voor de tweede keer hetzelfde geding aanhangig is dat betrekking heeft op de nakoming van verplichtingen uit hoofde van een voorlopige overeenkomst waarbij twee natuurlijke personen (CR en TP) zich hebben verplicht tot aankoop van onroerend goed van Soledil Srl, een vennootschap die nadien met haar schuldeisers een akkoord heeft gesloten.
2.
Het geding had aanvankelijk betrekking op de vraag of was voldaan aan de voorwaarden om die aankoop definitief te maken en, toen die vraag ontkennend was beantwoord, tot welk bedrag de verkoper gerechtigd was op grond van het boetebeding in de overeenkomst. Soledil heeft de vaststelling van dat bedrag eerst (met succes) aangevochten bij de Corte suprema di cassazione. Voor diezelfde rechter, en na een andere fase van de procedure bij een rechter in hoger beroep, voeren CR en TP nu voor het eerst sinds het ontstaan van het geschil aan dat de relatie in kwestie een relatie tussen een consument en een verkoper is en dat het boetebeding oneerlijk is in de zin van richtlijn 93/13/EEG2. en derhalve ongeldig moet worden verklaard.
3.
De verwijzende rechter merkt op dat die kwestie op grond van het nationale procesrecht niet kan worden behandeld in een dergelijke late fase van de procedure, aangezien de geldigheid van dat beding niet tijdens de eerdere fasen van die procedure is onderzocht en zij derhalve (impliciet) gezag van gewijsde heeft verkregen. Tegelijkertijd is de Corte suprema di cassazione zich ervan bewust dat de nationale rechterlijke instanties op grond van de rechtspraak van het Hof verplicht zijn om het gezag van gewijsde van een rechterlijke beslissing in bepaalde omstandigheden buiten beschouwing te laten wanneer niet is getoetst of de contractuele bedingen oneerlijk zijn, teneinde het recht van de consument om niet te worden gebonden door oneerlijke bedingen in een consumentenovereenkomst daadwerkelijk te beschermen.3. Daarom vraagt de verwijzende rechter zich af of de uitkomst van die zaken ook van toepassing moet zijn op het hoofdgeding.
4.
Wat de onderhavige zaak nieuw maakt, is het feit dat de rechtspraak van het Hof vooral betrekking heeft op situaties in het kader van versnelde nationale procedures, zoals procedures tot tenuitvoerlegging van betalingsbevelen of de executie van een hypotheek, die in het hoofdgeding niet aan de orde zijn, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing. De onderhavige zaak biedt het Hof dus de gelegenheid om te verduidelijken wat de omvang is van de verplichting van de nationale rechterlijke instanties om ervoor te zorgen dat het gezag van gewijsde wijkt voor het vereiste van doeltreffende consumentenbescherming, en om de spanning te onderzoeken die die verplichting onvermijdelijk meebrengt wanneer zij wordt getoetst aan de vereisten van rechtszekerheid.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5.
Op grond van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 ‘bepalen [d]e lidstaten dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan’.
6.
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt: ‘De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.’
B. Italiaans recht
7.
Artikel 1469-bis, derde alinea, punt 6, van de Codice civile (burgerlijk wetboek), in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, behelsde een vermoeden dat bedingen oneerlijk zijn indien zij bepalen dat in geval van niet-nakoming een kennelijk buitensporig bedrag moet worden betaald.
8.
Artikel 1469-quinquies van de Codice civile, in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, bepaalde onder andere dat oneerlijke bedingen nietig zijn en geen rechtsgevolgen hebben. De verwijzende rechter merkt op dat een dergelijke kwestie ambtshalve door de betreffende rechterlijke instantie aan de orde kan worden gesteld.
9.
Op grond van artikel 394 van de Codice di procedura civile (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) leidt de behandeling van een naar een rechter in hoger beroep terugverwezen zaak tot een nieuwe uitspraak ter vervanging van de door de Corte suprema di cassazione vernietigde uitspraak en mogen de partijen het voorwerp van het geding niet uitbreiden door nieuwe vorderingen en excepties in te dienen. Dat geldt ook voor kwesties die ambtshalve door de rechter hadden kunnen worden onderzocht en niet door de Corte suprema di cassazione in aanmerking zijn genomen en die impliciet gezag van gewijsde hebben gekregen.
III. Feiten, nationale procedure en prejudiciële vraag
10.
In 1998 hebben CR en TP een voorlopige koopovereenkomst met Soledil gesloten voor de aankoop van onroerend goed. Zij hebben Soledil een voorschot van ongeveer 72 000 EUR betaald en hebben het pand in afwachting van de ondertekening van de definitieve overeenkomst in bezit genomen.
11.
In die voorlopige koopovereenkomst was een boetebeding opgenomen waarin was bepaald dat de verkoper, in geval van niet-nakoming door de koper, het totaalbedrag van de voorschotbetaling mocht inhouden, onverminderd zijn recht op verdere schadevergoeding.
12.
Tussen partijen is een geschil ontstaan omdat de definitieve overeenkomst niet is ondertekend. Dat geschil is voorgelegd aan een arbitragecommissie, die op 29 juli 2002 heeft bepaald dat de voorlopige koopovereenkomst was ontbonden, dat CR en TP het pand moesten teruggeven aan Soledil en dat Soledil het voorschot moest terugbetalen aan CR en TP.
13.
CR en TP zijn tegen dat arbitrale vonnis in beroep gekomen bij de Corte d'appello di Ancona (rechter in tweede aanleg Ancona, Italië), die het arbitrale vonnis bij vonnis van 28 maart 2009 om procedurele redenen heeft vernietigd. Ten gronde heeft die rechterlijke instantie de vordering van CR en TP dat de voorlopige koopovereenkomst moest worden nagekomen, afgewezen en hen veroordeeld tot teruggave van het pand. Soledil werd veroordeeld tot terugbetaling van het ontvangen voorschot, waarvan zij — bij wijze van boete — uitsluitend de over dat bedrag opgebouwde rente mocht inhouden. De vordering van Soledil tot vergoeding van verdere schade werd afgewezen.
14.
Soledil heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Corte suprema di cassazione en heeft onder andere aangevoerd dat de boete ten onrechte was verlaagd. CR en TP hebben daartegen verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld, waarbij zij met name de afwijzing van hun argument inzake de nakoming van de overeenkomst hebben betwist.
15.
Bij arrest van 14 november 2015 heeft de Corte suprema di cassazione het hoger beroep van Soledil gegrond verklaard en geoordeeld dat de Corte d'appello di Ancona de criteria die deze rechterlijke instantie had gehanteerd voor de vaststelling van de lagere boete ontoereikend had gemotiveerd. De Corte suprema di cassazione heeft het incidenteel hoger beroep eveneens verworpen en de zaak terugverwezen naar de Corte d'appello di Bologna (rechter in tweede aanleg Bologna, Italië) om de hoogte van de door Soledil gevorderde boete opnieuw te berekenen (hierna: ‘eerste arrest van de Corte suprema di cassazione’).
16.
Bij de Corte d'appello di Bologna heeft Soledil het volledige voorschotbedrag gevorderd op grond van het boetebeding evenals vergoeding van de verdere schade als gevolg van de onrechtmatige ingebruikneming van het pand. CR en TP hebben verzocht om afwijzing van die vorderingen, om bekrachtiging van het vonnis van de Corte d'appello di Ancona en, subsidiair, om verlaging van het boetebedrag naar billijkheid.
17.
Bij arrest van 12 oktober 2018 heeft de Corte d'appello di Ancona de door CR en TP verschuldigde boete vastgesteld op 61 600 EUR en de vordering van Soledil tot vergoeding van verdere schade afgewezen. Hij was onder andere van oordeel dat het boetebeding buitensporig was, zelfs indien in aanmerking werd genomen dat CR en TP het pand feitelijk jarenlang in gebruik hadden gehad.
18.
CR en TP hebben bij de Corte suprema di cassazione cassatieberoep ingesteld, waarbij zij een nieuw middel hebben aangevoerd, namelijk kort gezegd dat de voorlopige koopovereenkomst een overeenkomst tussen een consument en een verkoper was en dat het boetebeding oneerlijk was aangezien daarin was bepaald dat een kennelijk buitensporig bedrag aan schadevergoeding moest worden betaald. Zij hebben gesteld dat die overeenkomst door de rechter ambtshalve nietig had moeten worden verklaard, hetgeen de Corte d'appello di Bologna niet had gedaan.
19.
In die omstandigheden heeft de Corte suprema di cassazione de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13] en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: ‘Handvest’)] aldus worden uitgelegd:
- a)
dat zij in de weg staan aan de toepassing van de beginselen van nationaal procesrecht op grond waarvan preliminaire kwesties, ook over de nietigheid van de overeenkomst, die bij de [Corte suprema di cassazione] niet zijn aangevoerd of aan de orde [zijn] gesteld, en die in logisch opzicht onverenigbaar zijn met de aard van het dictum van het arrest van de cassatierechter, niet kunnen worden onderzocht tijdens de behandeling van de terugverwezen zaak, noch tijdens de rechtmatigheidstoetsing waaraan de partijen het in de terugverwezen zaak gewezen arrest onderwerpen;
- b)
ook in het licht van de aan de consumenten toerekenbare volslagen passiviteit, in die zin dat zij de nietigheid/ongeldigheid van de oneerlijke bedingen pas voor het eerst hebben aangevoerd in het cassatieberoep tegen het in de terugverwezen zaak gewezen arrest;
- c)
en dit met name in verband met het aan de orde stellen van de oneerlijke aard van een kennelijk onredelijk boetebeding, met betrekking waartoe [door de Corte suprema di cassazione] is geoordeeld dat de hoogte daarvan op grond van passende criteria moet worden verlaagd, ook gezien het feit dat de consumenten pas na de uitspraak in de terugverwezen zaak hebben aangevoerd dat het beding oneerlijk is?’
20.
CR en TP, de Italiaanse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Deze partijen hebben ter terechtzitting op 26 februari 2025 pleidooi gehouden.
IV. Beoordeling
21.
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 93/13, met name artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, ervan, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale procedureregel die de hoogste rechterlijke instantie van een lidstaat belet om te oordelen dat een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper ongeldig is, indien een dergelijke toetsing niet kan worden verricht omdat — bij gebreke van een door de consument daartoe opgeworpen middel in eerdere fasen van de procedure en gelet ook op het feit dat die kwestie in die eerdere fasen niet door de betreffende nationale rechterlijke instanties ambtshalve aan de orde is gesteld — moet worden aangenomen dat over de geldigheid van dat beding impliciet uitspraak is gedaan.
22.
Meer bepaald hebben CR en TP in het hoofdgeding pas in het tweede cassatieberoep bij de Corte suprema di cassazione de ongeldigheid van het boetebeding in de voorlopige overeenkomst opgeworpen. In de eerdere fasen van de procedure hebben de nationale rechterlijke instanties onderzocht of die overeenkomst moest worden uitgevoerd, en nadat die vraag ontkennend was beantwoord, hebben zij bepaald welke rechten Soledil op grond van het boetebeding had. Aangezien de geldigheid van het boetebeding de logische voorwaarde vormde voor het onderzoek naar de omvang van de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen, had de geldigheid van dat beding ten gevolge van het eerste arrest van de Corte suprema di cassazione impliciet gezag van gewijsde gekregen.
23.
In deze zaak moet de vraag worden behandeld of het gezag van gewijsde van een aspect van het (overigens nog aanhangige) geding in dergelijke omstandigheden (waarin in eerdere fasen van dezelfde procedure niet is getoetst of het boetebeding oneerlijk is) buiten beschouwing moet worden gelaten om te waarborgen dat het verbod van oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten doeltreffend is.
24.
Nadat ik enkele inleidende opmerkingen heb gemaakt over de juridische en feitelijke gegevens die relevant zijn voor mijn beoordeling van deze zaak (A) en ben ingegaan op de rechtspraak van het Hof ten aanzien waarvan de verwijzende rechter (terecht) heeft gesteld dat zij van bijzonder belang is voor de onderhavige rechtsvraag (B), zal ik uiteenzetten waarom het Unierecht mijns inziens geen verplichting oplegt om in de omstandigheden van het hoofdgeding het gezag van gewijsde buiten beschouwing te laten (C).
A. Inleidende opmerkingen
25.
Met het oog op de kwestie waarom in de onderhavige zaak de grenzen in aanmerking moeten worden genomen die het Unierecht aan het gezag van gewijsde in nationaal recht stelt, moet ik in herinnering brengen dat nationale rechterlijke instanties de mogelijkheid moeten hebben, en zelfs de verplichting hebben, om ambtshalve te toetsen of bedingen in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper (seller or supplier in de Engelse versie van richtlijn 93/13) oneerlijk zijn.4.
26.
Zoals de verwijzende rechter opmerkt, vloeit die verplichting voort uit de uitlegging door het Hof van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met het doeltreffendheidsbeginsel, op grond waarvan de lidstaten verplicht zijn ervoor te zorgen dat oneerlijke bedingen de consument niet binden (artikel 6, lid 1) en te voorzien in doeltreffende en geschikte middelen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (artikel 7, lid 1). Zij is geworteld in het aan die richtlijn ten grondslag liggende uitgangspunt dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en dat er tussen hen een kenniskloof bestaat.5. In dat licht wordt het actieve optreden van de nationale rechterlijke instanties6. om na te gaan of het betreffende beding oneerlijk is, opgevat als een instrument dat een reëel evenwicht tussen de partijen en derhalve hun gelijkheid herstelt7..
27.
In dat verband bevestigt de verwijzende rechter dat in het hoofdgeding sprake is van een relatie tussen twee consumenten en een verkoper. Uit de verwijzingsbeslissing volgt eveneens dat CR en TP, hoewel zij hebben deelgenomen aan verschillende fasen van het hoofdgeding (en enkele daarvan ook hebben ingeleid), de kwestie van de oneerlijkheid van het boetebeding niet aan de orde hebben gesteld (voordat de zaak voor de tweede keer aan de Corte suprema di cassazione werd voorgelegd). Daaruit volgt dat de betreffende nationale rechterlijke instantie(s) in die eerdere fasen van de procedure gehouden waren ambtshalve te toetsen of het boetebeding oneerlijk was (aangezien het geding onder andere betrekking had op de uit dat beding voortvloeiende rechten en verplichtingen).
28.
Die toetsing heeft echter niet plaatsgevonden. De Italiaanse regering heeft toegelicht dat die toetsing op grond van het nationale procesrecht had kunnen worden verricht tot en met het moment dat de zaak voor het eerst aan de Corte suprema di cassazione werd voorgelegd. Met andere woorden, het feit dat de betreffende nationale rechterlijke instantie(s) niet heeft/hebben voldaan aan de verplichting om ambtshalve te toetsen of het boetebeding oneerlijk is, lijkt niet te worden betwist.
29.
Wat wel wordt betwist is de vraag of de verplichting om te onderzoeken of dat beding oneerlijk is, op grond van het Unierecht ontstaat in de fase van de tweede rechtmatigheidstoetsing bij de Corte suprema di cassazione, waar die kwestie door de betreffende consumenten aan de orde is gesteld en het betreffende onderzoek is uitgesloten als gevolg van een (impliciet) gezag van gewijsde van het eerste arrest van de Corte suprema di cassazione. Dat arrest lijkt de omvang van het geschil te hebben ‘geblokkeerd’ en heeft de kwestie die moet worden onderzocht bij terugverwijzing naar de betreffende rechter in hoger beroep, beperkt tot de vraag tot welk bedrag Soledil op grond van het boetebeding gerechtigd is.
30.
Daarom wordt in de onderhavige zaak de kwestie aan de orde gesteld van de uitzonderingen op het beginsel van het gezag van gewijsde die het Hof eerder heeft vastgesteld en nationale rechterlijke instanties heeft verplicht toe te passen teneinde te waarborgen dat een mogelijk oneerlijk contractueel beding door een rechter wordt getoetst indien die kwestie in de eerdere fasen van de procedure niet (of niet naar behoren) is onderzocht. Aangezien de discussie in de onderhavige zaak begrijpelijkerwijs gericht is op de toepasselijkheid van die uitzonderingen op de situatie in het hoofdgeding, zal ik daar nu dieper op ingaan.
B. Jurisprudentiële grondslag van de discussie in de onderhavige zaak
31.
Het Hof heeft herhaaldelijk, ook op het door richtlijn 93/13 bestreken gebied, gewezen op het belang van het beginsel van het gezag van gewijsde, zowel in de rechtsorde van de Unie als in de nationale rechtsorden. Het heeft steeds geoordeeld dat het Unierecht niet verlangt dat het definitieve karakter van een rechterlijke beslissing terzijde wordt gesteld om de onverenigbaarheid van een nationale situatie met het Unierecht recht te zetten, tenzij het gelijkwaardigheidsbeginsel of het doeltreffendheidsbeginsel tot een tegenovergestelde conclusie noopt.8. Het ontbreken van specifieke regels in richtlijn 93/13 betreffende de handhaving van de op grond van die richtlijn geboden bescherming betekent dat die kwestie valt onder de procedurele autonomie van de lidstaten.9. De twee hierboven genoemde beginselen vormen de traditionele grenzen die bij die autonomie in acht moeten worden genomen.
32.
De rechtspraak die aanleiding is geweest voor de twijfels van de verwijzende rechter, heeft betrekking op de uitzonderingen op het gezag van gewijsde die zijn vastgesteld op basis van het doeltreffendheidsbeginsel (uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt daarentegen niet dat eerbiediging van het gelijkwaardigheidsbeginsel in casu aan de orde kan worden gesteld).
33.
Hoewel in de rechtspraak van het Hof meer voorbeelden van op EU-recht gebaseerde uitzonderingen op het gezag van gewijsde naar nationaal recht zijn opgenomen (gezien in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel), waarop ik later zal terugkomen, zijn de eerder genoemde drie arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde volgens de verwijzende rechter in casu van bijzonder belang.10.
34.
Ten eerste heeft het Hof in zijn arrest Ibercaja Banco de verplichting opgelegd om het gezag van gewijsde buiten beschouwing te laten na afloop van een hypothecaire executieprocedure waarin de executierechter de contractuele bedingen had onderzocht zonder dat evenwel uitdrukkelijk te vermelden. Het Hof was van oordeel dat de consument in dergelijke omstandigheden niet op de hoogte was gebracht van die toetsing of van de gronden waarop de executierechter had geoordeeld dat de betrokken bedingen niet oneerlijk waren, waardoor de consument niet met kennis van zaken had kunnen beslissen of hij die beslissing wilde aanvechten.11.
35.
Ten tweede heeft het Hof in het arrest SPV Project 1503 in wezen vastgesteld dat de executierechter bevoegd moet zijn om na te gaan of contractuele bedingen mogelijk oneerlijk zijn wanneer een consument geen verzet heeft aangetekend tegen een betalingsbevel en dat bevel (impliciet) gezag van gewijsde heeft verkregen.12. Het Hof heeft die vaststelling toegelicht door erop te wijzen dat een nationale regeling volgens welke de ambtshalve toetsing van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen wordt geacht (impliciet) te hebben plaatsgevonden en volgens welke een betalingsbevel gezag van gewijsde heeft gekregen, ook al is er geen motivering gegeven voor de toetsing van de bedingen, de bovenstaande verplichting om te toetsen of contractuele bedingen oneerlijk zijn, kan uithollen.13.
36.
Ten derde heeft het Hof in het arrest Unicaja Banco bevolen om met name het gezag van gewijsde van een deel van de in eerste aanleg gewezen beslissing buiten beschouwing te laten, voor zover daarbij werd verhinderd een deel van het bedrag terug te vorderen dat was betaald op grond van een als oneerlijk beschouwd ‘bodemrentebeding’ in een hypotheekovereenkomst.14. Hoewel die beslissing in eerste aanleg de terugbetaling gelastte van de bedragen die de consument op grond van dat beding had betaald, was die terugbetalingsverplichting beperkt in de tijd in overeenstemming met de (toenmalige) rechtspraak van de hoogste nationale rechterlijke instantie in kwestie. Die beslissing vereiste enkel dat de door de consument betaalde bedragen zouden worden terugbetaald na publicatie van de beslissing van die rechterlijke instantie waarin het oneerlijke karakter van het bodemrentebeding was vastgesteld. Nadien heeft het Hof in het kader van een andere zaak geoordeeld dat die temporele beperking in strijd was met richtlijn 93/13.15. Het Hof heeft deze vaststelling echter gedaan nadat de termijnen voor het instellen van hoger beroep in de procedure die heeft geleid tot het arrest Unicaja Banco waren verstreken, en alleen de betrokken bank hoger beroep had ingesteld tegen de beslissing om haar te verwijzen in de kosten. In dat verband was het Hof van oordeel dat de betreffende rechter in hoger beroep verplicht was om de kwestie van de oneerlijkheid van de temporele beperking aan de orde te stellen, hoewel dat deel van de beslissing in eerste aanleg (begrijpelijkerwijs) niet door de bank werd betwist en dus op grond van het betreffende nationale recht definitief was geworden.
37.
Wat de onderhavige zaak betreft, nemen CR, TP en de Commissie enerzijds en de Italiaanse regering anderzijds uiteenlopende standpunten in over de vraag wat de uitlegging van het doeltreffendheidsbeginsel in de bovengenoemde arresten betekent voor het hoofdgeding en voor het op de prejudiciële vraag te geven antwoord.
38.
De Italiaanse regering is van mening dat de omstandigheden die kenmerkend zijn voor het hoofdgeding, anders dan de omstandigheden die met name hebben geleid tot het arrest SPV Project 1503 en het arrest Ibercaja Banco, niet vereisen (noch toestaan) dat het gezag van gewijsde buiten beschouwing wordt gelaten. Zij is van mening dat de inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel moet worden beschouwd in het licht van de kenmerken van het stelsel van beroepswegen in de specifieke rechtsorde. Zij wijst erop dat de bovengenoemde arresten betrekking hadden op versnelde procedures die het voor de consumenten moeilijk maakten om hun recht om niet te worden gebonden door (mogelijk) oneerlijke bedingen te waarborgen. Dat is in het hoofdgeding evenwel niet aan de orde. Dat was een gewone procedure, volledig op tegenspraak, met kenmerken die het niet bijzonder moeilijk maakten om aan te voeren dat een contractueel beding oneerlijk was. Bovendien werden CR en TP in de (tamelijk lange) procedure vertegenwoordigd door een advocaat.16.
39.
Daarentegen zijn CR, TP en de Commissie in wezen van mening dat de uitkomst van de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde mutatis mutandis moet worden toegepast op de situatie in het hoofdgeding. Meer bepaald is de Commissie van mening dat de vereisten van het doeltreffendheidsbeginsel, in het kader van richtlijn 93/13, verder gaan dan hetgeen de Italiaanse regering heeft aangevoerd. Er kan immers niet worden aangenomen dat dat beginsel in acht is genomen wanneer de betreffende contractuele bedingen in de zaak in kwestie niet in enige fase van de procedure, zo nodig ambtshalve, door een rechterlijke instantie zijn getoetst. Aangezien het boetebeding in casu niet is getoetst, moet het (impliciete) gezag van gewijsde van het eerste arrest van de Corte suprema di cassazione buiten beschouwing worden gelaten.
40.
Die standpunten zal ik nader onderzoeken in het volgende onderdeel teneinde een antwoord op de prejudiciële vraag voor te stellen.
C. Antwoord op de prejudiciële vraag
41.
Ik zal in dit onderdeel allereerst ingaan op de rol van het doeltreffendheidsbeginsel als beperking van het gezag van gewijsde. In die context zal ik verduidelijken dat de uitlegging van het doeltreffendheidsbeginsel in de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde aldus moet worden opgevat dat de conclusie dat het gezag van gewijsde buiten beschouwing moet worden gelaten is gebaseerd op de bijzonder restrictieve procedurele context van de zaken die tot die arresten hebben geleid (1). Vervolgens zal ik uiteenzetten dat het in strijd zou zijn met het fundamentele belang van het beginsel van het gezag van gewijsde waarop herhaaldelijk in de rechtspraak van het Hof is gewezen (2) en de overige in het geding zijnde rechten en belangen onevenredig zou aantasten (3) om de uitkomst in die zaken buiten een dergelijke context door te trekken.
1. Beperkingen van het gezag van gewijsde op grond van het doeltreffendheidsbeginsel
42.
Ik heb al kort opgemerkt dat er op grond van het Unierecht geen algemene verplichting bestaat om het definitieve karakter van een rechterlijke beslissing buiten beschouwing te laten om een schending van het Unierecht recht te zetten.17. De hoofdregel waarop het Hof in zijn rechtspraak steeds heeft gewezen, blijft dat het recht van de Unie ‘een nationale rechter niet [gebiedt] om nationale procedureregels die een rechterlijke beslissing gezag van gewijsde verlenen buiten toepassing te laten, ook al zou daardoor een nationale situatie die onverenigbaar is met dat recht kunnen worden hersteld’18..Zoals ik ook eerder heb opgemerkt, blijft die hoofdregel onderworpen aan het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.
43.
Het doeltreffendheidsbeginsel vereist kort gezegd dat de door de lidstaten ingevoerde procedures waarbij partijen de door het Unierecht verleende rechten kunnen doen gelden, de uitoefening van die rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet dat vereiste worden beoordeeld ‘met inaanmerkingneming van de plaats van de betrokken regels in de gehele procedure’, ‘het verloop en de bijzondere kenmerken ervan voor de verschillende nationale instanties’, waarbij rekening wordt gehouden ‘[in] voorkomend geval […] met de beginselen die aan het betrokken nationale stelsel van rechtspraak ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure’.19.
44.
Zoals de Italiaanse regering ter terechtzitting in wezen heeft opgemerkt, betekent dat dat de vraag of het doeltreffendheidsbeginsel in acht is genomen moet worden onderzocht in het licht van de systeemkenmerken van de procedure in kwestie. De vraag moet worden beantwoord of die kenmerken een juridisch kader creëren waarin bij de handhaving van de door het Unierecht verleende rechten geen buitensporige moeilijkheden hoeven te worden overwonnen (zoals met name extreem korte termijnen waarbinnen een beroep in rechte moet worden ingesteld of bijzonder hoge kosten van de rechtsvordering ten opzichte van het bedrag van de betwiste schuld, en dergelijke).
45.
Met andere woorden, de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel vereist dat de betreffende rechtsorde beroepswegen biedt die het in de praktijk mogelijk maken om de onderliggende materiële normen van Unierecht te handhaven. Of die normen in een specifieke zaak inderdaad zijn nageleefd, is echter een andere vraag op grond van de in punt 42 hierboven in herinnering gebrachte regel en de in punt 43 hierboven in herinnering gebrachte criteria.
46.
Het is juist dat het Hof in enkele zaken heeft geoordeeld dat de vereisten van doeltreffendheid het gezag van gewijsde van nationale beslissingen terzijde schuiven om er in wezen voor te zorgen dat een specifieke regel van Unierecht wordt nageleefd. Die beslissingen waren echter gebaseerd op de specifieke kenmerken van het betreffende gebied (de noodzaak van instandhouding van de verticale bevoegdheidsverdeling op staatssteungebied)20. of waren gerechtvaardigd vanwege het strikte karakter van de nationale regeling inzake het gezag van gewijsde die in de weg stond aan naleving van het Unierecht in andere situaties (waar de gevolgen van een in strijd met het Unierecht gegeven definitieve beslissing bepalend waren voor de uitkomst in andere zaken)21.. Een dergelijke kwestie is hier niet aan de orde.
47.
In het licht van dat analytische kader wijzen de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde er op het eerste gezicht op dat de vereisten van het doeltreffendheidsbeginsel, in situaties die onder de werkingssfeer van richtlijn 93/13 vallen, verder gaan dan de hierboven beschreven traditionele benadering. Het lijkt er inderdaad op dat het Hof in die arresten van oordeel was dat de nationale gevolgen van het gezag van gewijsde buiten beschouwing moesten worden gelaten, aangezien de betreffende bedingen in een consumentenovereenkomst niet of niet naar behoren waren getoetst.
48.
In die geest voert de Commissie aan dat het gezag van gewijsde bijgevolg van kracht moet blijven indien (in de procedure die ertoe heeft geleid dat de rechterlijke beslissing gezag van gewijsde heeft verkregen) daadwerkelijk is getoetst of de betreffende contractuele bedingen oneerlijk zijn (en voldoende informatie over die toetsing en een motivering is gegeven).22. Indien niet is voldaan aan die voorwaarde, moet het gezag van gewijsde buiten beschouwing worden gelaten. De enige uitzondering op die conclusie is de inactiviteit van de consument tijdens de procedure (omdat de op grond van richtlijn 93/13 geboden bescherming niet zo ver gaat dat de volslagen passiviteit van de consument wordt gecompenseerd).23. Die uitzondering is in casu niet van toepassing en derhalve strekt de uitkomst van de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde zich, volgens de Commissie, uit tot de omstandigheden van het hoofdgeding.
49.
Wat nu die argumenten betreft, denk ik ten eerste niet dat het nodig is om hier in te gaan op de exacte betekenis of de implicatie van het scenario van de volslagen passiviteit van de consument. Ik ben het met de Commissie eens dat dat scenario in het hoofdgeding simpelweg niet van toepassing is.
50.
Hoewel de prejudiciële vraag is gebaseerd op de premisse dat de consumenten in het geheel niet in actie zijn gekomen, lijkt de verwijzende rechter onder dat scenario ook te verstaan dat de consumenten de oneerlijkheid van het boetebeding in geen van de eerdere fasen van het hoofdgeding (totdat de zaak voor de tweede keer bij de verwijzende rechter aanhangig was) aan de orde hebben gesteld. Zoals de Commissie toelicht, is dat niet het scenario van volslagen passiviteit in de zin van de rechtspraak waarbij de nationale rechterlijke instantie is ontslagen van de verplichting om het gezag van gewijsde buiten beschouwing te laten. Dat scenario verwijst eerder naar een consument die niet in de procedure aanwezig is en geen verweer voert. Dat gold niet voor CR en TP, die wel degelijk hebben deelgenomen aan alle fasen van het hoofdgeding (en enkele daarvan ook hebben ingeleid).
51.
Ten tweede ben ik echter niet overtuigd van het standpunt van de Commissie dat de uitkomst van de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde van toepassing moet zijn op de omstandigheden van het hoofdgeding die in de verwijzingsbeslissing zijn beschreven.
52.
In dat verband merk ik — met de Italiaanse regering — op dat de situatie van het hoofdgeding (zoals beschreven door de verwijzende rechter) sterk lijkt te verschillen van de situaties die hebben geleid tot die arresten.
53.
Om te beginnen waren de situaties in die zaken ingebed in een procedurele context die het voor de consumenten bijzonder moeilijk maakte om hun rechten te doen gelden. De betreffende verplichtingen van de consumenten waren uitsluitend financieel van aard en derhalve gemakkelijk aan te tonen door de verkoper in kwestie (net als het feit dat de consument deze niet was nagekomen), hetgeen er vermoedelijk toe heeft geleid dat de procedures waarin de verplichtingen van de consumenten zijn vastgesteld en/of gehandhaafd, een versneld karakter lijken te hebben gehad, zoals de Italiaanse regering opmerkt.
54.
Dat lijkt met name het geval te zijn geweest in de zaken die hebben geleid tot de arresten Ibercaja Banco en SPV Projects 1503, die betrekking hadden op de handhaving van de verplichtingen van consumenten in, kort gezegd, financieringsovereenkomsten, en waarbij de nakoming van die verplichtingen werd afgedwongen in een hypothecaire executieprocedure of een procedure voor de tenuitvoerlegging van een betalingsbevel.
55.
Anders dan in die twee arresten, leken de feiten in het arrest Unicaja Banco geen betrekking te hebben op het afdwingen van de nakoming van de verplichtingen van consumenten. Niettemin is die zaak gerezen in een bredere en specifieke context waarin de ten aanzien van de terugbetalingsplicht opgelegde temporele beperking (zoals in punt 36 hierboven beschreven) van invloed was op een aanzienlijk aantal consumenten24., terwijl de onverenigbaarheid van die beperking met het EU-recht [een beperking die was opgelegd door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), met name vanwege de macro-economische uitdagingen waarmee de Spaanse banksector anders zou worden geconfronteerd], pas door het Hof van Justitie is vastgesteld nadat de beslissing in eerste aanleg in Unicaja Banco was uitgesproken en die beslissing al gezag van gewijsde had gekregen.
56.
De context van het hoofdgeding is daarentegen anders. De omstandigheden en de kenmerken ervan verschillen ook sterk van die van de procedures die hebben geleid tot de arresten Ibercaja Banco en SPV Project 1503.
57.
Anders dan in punt 53 hierboven heeft (of had, tijdens de eerdere fasen van de procedure betrekking) het hoofdgeding betrekking op i) de vraag of de door CR en TP gesloten koopovereenkomst moest worden uitgevoerd (en de koop definitief moest worden), en ii) pas toen is vastgesteld dat dat niet het geval was, is de focus van het geding verschoven naar het boetebeding. Derhalve was het hoofdgeding, blijkens de verwijzingsbeslissing en de opmerkingen van de Italiaanse regering, een normale en volwaardige gerechtelijke procedure waarvan het procedurele kader (of andere omstandigheden) het voor de consumenten niet bijzonder moeilijk lijkt/lijken te maken om hun rechten te doen gelden of te verdedigen.
58.
In dat licht bezien betekent het voorstel van de Commissie — dat de specifieke uitkomst van de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde ook geldt voor de omstandigheden van de onderhavige zaak — dat de uitkomst die tot stand is gekomen in het licht van de specifieke en restrictieve procedurele context van die zaken, ook van toepassing is in situaties waarin een dergelijke restrictieve context ontbreekt.
59.
Ik kan zeker begrijpen dat een dergelijk voorstel de doelstelling van een doeltreffende bescherming van de consument in het kader van richtlijn 93/13 verder versterkt. Ik begrijp ook dat de neiging kan bestaan om een dergelijke algemene, resultaatgerichte benadering te hanteren voor het doeltreffendheidsbeginsel in de onderhavige rechtssituatie in het licht van de verschillende uitingsvormen van de hogere mate van bescherming die hier van toepassing is (waarvan de verplichting om ambtshalve te toetsen het beste voorbeeld is).25. Zoals ik hieronder zal toelichten, sluit een dergelijke vergaande uitkomst echter niet goed aan bij het herhaaldelijk in herinnering gebrachte belang, ook in het kader van richtlijn 93/13, van het beginsel van het gezag van gewijsde.
2. Fundamenteel belang van het beginsel van het gezag van gewijsde
60.
Hoewel het Hof in de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde heeft geoordeeld dat het beginsel van het gezag van gewijsde buiten beschouwing moest worden gelaten, heeft het ook herinnerd aan zijn vaste rechtspraak waarin steeds is benadrukt dat belang moet worden gehecht aan het gezag van gewijsde van rechterlijke beslissingen, ook wanneer die beslissingen leiden tot een onjuiste toepassing van het Unierecht.26.
61.
De nadruk daarop is geenszins verwonderlijk in het licht van de fundamentele rol die dat beginsel heeft voor ‘de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als [voor] een goede rechtspleging’.27. Dit beginsel beoogt namelijk te zorgen voor een doelmatig verloop van gerechtelijke procedures en, zodra die procedures zijn afgesloten met een definitieve beslissing, voor juridische stabiliteit voor de partijen. Meer in het algemeen draagt het bij aan de voorzienbaarheid van rechtssituaties en zorgt het ervoor dat de samenleving erop kan vertrouwen dat zaken waarop definitief is beslist niet ter discussie worden gesteld (of dat dit uitsluitend mogelijk is in de beperkte scenario's waarin de buitengewone rechtsmiddelen waarin een bepaalde rechtsorde voorziet, met succes kunnen worden ingesteld).28. Met andere woorden, het beginsel van het gezag van gewijsde vormt een belangrijk aspect van het rechtszekerheidsbeginsel29., een grondbeginsel van elk modern en op de rechtsstaat gebaseerd rechtsstelsel30., en een impliciet aspect van het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming.
62.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft dat tweede aspect in herinnering gebracht in het kader van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM)31. en heeft toegelicht dat de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van het gezag van gewijsde weliswaar niet absoluut zijn, maar ‘het slechts gerechtvaardigd is om daarvan af te wijken indien wezenlijke en dwingende omstandigheden, zoals correctie van fundamentele gebreken of gerechtelijke dwalingen, dat vereisen’.32.
63.
Dezelfde evenwichtige benadering van situaties waarin het gezag van gewijsde buiten beschouwing kan worden gelaten, moet derhalve ook worden gevolgd in het kader van artikel 47 van het Handvest, dat uiteraard van toepassing is op de omstandigheden van de onderhavige zaak.
64.
Wanneer wordt erkend, zoals de Commissie voorstelt, dat de uitkomst van de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde van toepassing is ongeacht enige restrictieve context, verschilt de hieruit voortvloeiende benadering van het beginsel van het gezag van gewijsde in situaties die onder de werkingssfeer van richtlijn 93/13 vallen helemaal van de in punt 60 hierboven genoemde benadering die het Hof steeds heeft toegepast.
65.
In plaats van uit te gaan van de gedachte dat definitieve rechterlijke beslissingen in beginsel in stand moeten blijven, zelfs wanneer zij leiden tot een onjuiste toepassing van het Unierecht, zou die benadering vereisen dat definitieve rechterlijke beslissingen, in situaties die onder de werkingssfeer van richtlijn 93/13 vallen, telkens wanneer er sprake is van een onjuiste toepassing van het Unierecht (in de onderhavige context, telkens wanneer de nationale rechterlijke instantie niet ambtshalve heeft getoetst of de contractuele bedingen oneerlijk zijn) nietig worden verklaard.
66.
Ik ben het niet alleen eens met de Italiaanse regering dat de bovengenoemde arresten zich niet lenen voor een dergelijke verstrekkende algemene conclusie, maar ik ben ook van mening dat een dergelijke uitlegging van het doeltreffendheidsbeginsel niet verenigbaar zou zijn met de noodzaak om afwijkingen van het rechtszekerheidsvereiste te koppelen aan de omstandigheden waarin dergelijke afwijkingen werkelijk gerechtvaardigd zijn. Derhalve vind ik het moeilijk om de uitlegging van het doeltreffendheidsbeginsel in de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde niet aldus op te vatten dat zij is ingegeven door de specifieke omstandigheden van die zaken (zoals ik hierboven al heb toegelicht).
67.
Wanneer uit de omstandigheden van een zaak niet een dergelijke specifieke noodzaak van compensatie blijkt, omdat het voor consumenten moeilijker is geworden om hun rechten te doen gelden, zou de verplichting om het gezag van gewijsde buiten beschouwing te laten erop neerkomen dat de betrokken rechten en belangen onevenredig worden aangetast, zoals ik nu zal toelichten.
3. Afweging van de betrokken rechten en belangen
68.
Ik heb al uiteengezet dat de versterkte bescherming die consumenten op grond van richtlijn 93/13 moet worden geboden, inhoudt dat de nationale rechterlijke instanties verplicht zijn om, waar nodig ambtshalve, te onderzoeken of de bedingen in een consumentenovereenkomst oneerlijk zijn in de zin van die richtlijn. Indien wordt geoordeeld dat die bedingen oneerlijk zijn, moeten zij worden geacht nooit te hebben bestaan (tenzij de consument met kennis van zaken beslist dat hij zich niet zal beroepen op het oneerlijke karakter ervan).33.
69.
Door de nadruk te leggen op die verplichting van de rechterlijke instanties (die ongeacht de omstandigheden van de zaak van toepassing is, met name ongeacht of de consument wordt vertegenwoordigd door een advocaat)34., heeft het Hof dus ook met behulp van specifieke procedurele middelen het gebrek aan evenwicht gecompenseerd dat inherent gevolgen heeft voor de relatie tussen de consument en de verkoper. Het spreekt immers voor zich dat het risico bestaat dat de materiële bescherming (tegen het gebruik van oneerlijke bedingen) zonder passende handhavingsmiddelen inhoudsloos wordt, omdat er geen reden is om aan te nemen dat de inherent zwakke positie van de consument ten opzichte van de verkoper ophoudt te bestaan wanneer met name die verkoper besluit om zijn rechten uit hoofde van een consumentenovereenkomst in rechte te doen gelden.
70.
Tegelijkertijd moet erop worden gewezen dat de bepaling op grond waarvan oneerlijke bedingen de consument niet binden, die is neergelegd in artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, weliswaar ‘moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden’35., maar de bescherming van de consument krachtens de bovengenoemde richtlijn niet absoluut is36.. De omvang van die bescherming moet dus de noodzaak weerspiegelen om het bovenstaande gebrek aan evenwicht te compenseren, maar de parameters ervan kunnen niet worden vastgesteld zonder rekening te houden met de omvang van die noodzaak en de rechtsgevolgen voor de andere betrokken partij die uit die bescherming voortvloeien.
71.
In dat licht moet mijns inziens een onderscheid worden gemaakt tussen het argument dat het doeltreffendheidsbeginsel vereist dat de nationale rechterlijke instantie in alle omstandigheden ambtshalve toetst of contractuele bedingen oneerlijk zijn, en de bewering dat het doeltreffendheidsbeginsel vereist dat het gezag van gewijsde, ongeacht de omstandigheden van de zaak, buiten beschouwing wordt gelaten wanneer niet aan die verplichting is voldaan.
72.
De ambtshalve toetsing enerzijds en het gezag van gewijsde anderzijds vertegenwoordigen waarden met een verschillend belang en we moeten de verleiding weerstaan om ze op gelijke voet te plaatsen (door te concluderen dat de schending van de eerste noodzakelijkerwijs ertoe leidt dat de tweede buiten beschouwing moet worden gelaten).
73.
Meer in het bijzonder draagt de verplichting om ambtshalve te toetsen bij tot het voorkomen van situaties waarin de rechterlijke instanties, meer dan op andere rechtsgebieden (gelet op het onderliggende gebrek aan evenwicht tussen de partijen), uiteindelijk aanspraken toekennen die op een onrechtmatige grondslag berusten.37. Hoewel die verplichting de werklast van de rechterlijke instanties duidelijk verzwaart, denk ik niet dat zij de verkoper als wederpartij onevenredig benadeelt, aangezien die partij simpelweg moet aanvaarden dat de rechtmatigheid van de grondslag van zijn vordering wordt getoetst (wanneer die rechtmatigheid niet door de consument wordt betwist). Om die reden kan worden aangevoerd dat het bestaande gebrek aan evenwicht tussen de partijen door die rechterlijke tussenkomst kan worden verholpen zonder dat dat leidt tot een nieuw (omgekeerd) gebrek aan evenwicht.
74.
Wat nu het beginsel van het gezag van gewijsde betreft, kan de noodzaak om de definitieve rechterlijke beslissing te herzien wanneer de nationale rechterlijke instanties hebben nagelaten om de betreffende contractuele bedingen (naar behoren) te toetsen, eveneens aldus worden verklaard dat het risico wordt voorkomen dat mogelijk onrechtmatige vorderingen worden toegewezen. In tegenstelling tot de tamelijk milde negatieve gevolgen voor de wederpartij (te weten de verkoper) van de ambtshalve toetsing van de contractuele bedingen die door de consument niet worden betwist, zou de verplichting om het definitieve karakter van een rechterlijke beslissing te herroepen telkens wanneer niet is voldaan aan een dergelijke verplichting tot ambtshalve toetsing, ongeacht de omstandigheden, ten minste de volgende twee buitensporige gevolgen hebben.
75.
Het eerste buitensporige gevolg is een onevenredige aantasting van het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht van de verkoper op daadwerkelijke rechtsbescherming; zoals ik al heb opgemerkt, impliceert dat dat het definitieve karakter van een rechterlijke beslissing wordt geëerbiedigd. Hoewel een inbreuk op de rechtszekerheid gerechtvaardigd kan zijn vanwege de specifieke omstandigheden die de mogelijkheid voor de consument om zijn rechten te verdedigen hebben beperkt, zie ik geen enkele reden voor een dergelijke inbreuk wanneer de situatie in kwestie niet tot een dergelijk probleem leidt (en wanneer het onderliggende gebrek aan evenwicht niet ‘overslaat’ naar de procesfase/handhavingsfase vanwege de toepasselijke procedureregels).
76.
Een dergelijke oplossing zou niet de processuele gelijkheid tussen partijen herstellen, maar leiden tot een omgekeerd gebrek aan evenwicht doordat de consument op enig moment tijdens de procedure de deur kan ‘ontgrendelen’ die de toegang tot de mogelijkheid van toetsing had afgesloten, hoewel die deur lang genoeg open had gestaan en de consument niet was belet om er zonder problemen doorheen te lopen, terwijl de wederpartij diezelfde mogelijkheid niet wordt geboden.
77.
Ik wil benadrukken dat het op zichzelf niet relevant is dat de rechterlijke beslissing in het hoofdgeding is gewezen in een procedure die nog aanhangig is. Het is algemeen bekend dat het begrip ‘definitieve beslissing’ (die gezag van gewijsde heeft) niet beperkt is tot de enige formele beslissing waarmee een bepaalde procedure feitelijk is beëindigd (omdat de partijen hebben besloten om die procedure niet voort te zetten of omdat alle beschikbare rechtsmiddelen zijn uitgeput). Er kan sprake zijn van gezag van gewijsde in een procedure die nog aanhangig is, in verschillende fasen ervan en ten aanzien van verschillende aspecten van het geschil, vanwege het feit dat de partijen de betreffende kwestie aanvankelijk niet aan de orde hebben gesteld of de beoordeling ervan later niet hebben betwist. Dat geldt niet alleen voor kwesties die expliciet zijn behandeld maar ook voor kwesties die de noodzakelijke juridische premissen van de aangevoerde argumenten vormen (zoals in casu de geldigheid van het boetebeding voor zover de argumenten van de partijen betrekking hadden op de omvang van hun daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen). Dat in een lopende procedure geleidelijk de mogelijkheid verdwijnt om bepaalde punten te behandelen (en de spreekwoordelijke deur voor die mogelijkheid dus dichtgaat) is een noodzakelijk middel om elke procedure vlot en, niet minder belangrijk, binnen een redelijke termijn te laten verlopen.
78.
Het tweede buitensporige gevolg dat ik in punt 74 hierboven heb aangekondigd, vloeit voort uit het oordeel van het EHRM dat de nietigverklaring van een definitieve beslissing op grond waarvan een recht van ‘eigendom’ in de zin van artikel 1 van het aanvullend protocol bij het EVRM is ontstaan38., ‘een inbreuk vormt op het recht van de in het gelijk gestelde partij op het ongestoord genot van dat eigendom’39., ook al zegt de terzijdestelling van het beginsel van het gezag van gewijsde niets over de uitkomst van de zaak waarvan het relevante aspect opnieuw moet worden onderzocht.40.
79.
Omgezet naar de rechtsorde van de Unie volgt hieruit dat artikel 17 van het Handvest (waarin het recht van eigendom is verankerd) een andere reden vormt waarom de toepassing van de uitkomst van de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde mijns inziens niet zonder meer kan worden uitgebreid tot elk geschil dat valt onder richtlijn 93/13, ongeacht de specifieke omstandigheden van de zaak.
80.
Deze beide aspecten van de onevenredige gevolgen worden nog verder versterkt wanneer zij worden beschouwd in het licht van andere dimensies van consumentenbescherming, met name in het licht van de regel betreffende termijnen waarbinnen een consument een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking (als gevolg van de toepassing van een oneerlijk beding) kan instellen. Het Hof heeft verduidelijkt dat die termijnen niet kunnen aanvangen op de dag waarop de ongerechtvaardigde verrijking is ontstaan, omdat de consument het oneerlijke karakter van een beding of de omvang van zijn uit richtlijn 93/13 voortvloeiende rechten mogelijk niet ten volle besefte.41.
81.
Het moment waarop de consument dat beseft, vormt dus het tijdstip waarvoor de toepasselijke termijnen voor het instellen van een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking niet kunnen verstrijken. In combinatie met het ontbreken van het gezag van gewijsde van een eventuele eerdere beslissing waarbij geen ambtshalve toetsing is verricht en de verkoper in het gelijk is gesteld, kan dat ertoe leiden dat de verkoper zich aanzienlijk langer in een situatie van rechtsonzekerheid bevindt.
82.
In dat verband hoeft nauwelijks te worden opgemerkt dat niet elk beroep op een oneerlijk karakter ten gronde zal slagen. Het kan immers niet worden uitgesloten dat het aanvoeren van een dergelijk middel in een bepaalde fase van de procedure een processtrategie of zelfs lichtzinnig kan zijn, waardoor niet met zekerheid kan worden voorspeld welke partij uiteindelijk in het gelijk zal worden gesteld. Uit de bovengenoemde rechtspraak van het EHRM volgt dat het enkele feit dat over definitief afgesloten zaken opnieuw moet worden geprocedeerd, een inbreuk vormt op het recht van eigendom en op het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht. Wanneer die inbreuk niet gerechtvaardigd is door de specifieke omstandigheden van de zaak, zou er niet opnieuw geprocedeerd moeten worden.
83.
In dat kader moet de benadeelde partij de mogelijkheid hebben om een vordering wegens staatsaansprakelijkheid in te stellen indien de handelwijze van een in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechterlijke instantie in een bepaalde procedure een schending van het Unierecht vormt.42. Hoewel aan die vordering specifieke voorwaarden zijn verbonden, voorkomt zij de ernst van de gevolgen die zich zouden voordoen indien het gezag van gewijsde bij gebreke van restrictieve voorwaarden buiten beschouwing moet worden gelaten.
84.
Voorts heb ik al toegelicht dat de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde betrekking hebben op een context die gekenmerkt was door een restrictief of anderszins specifiek procedureel kader dat consumenten belette hun rechten doeltreffend te doen gelden. Dat restrictieve nationale procedurele kader vormt mijns inziens het element dat nodig is om de strekking te begrijpen van de in die arresten in herhaling gebrachte opmerking van het Hof dat ‘bij gebreke van een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van de bedingen van de betrokken overeenkomst, de eerbiediging van de bij richtlijn 93/13 verleende rechten niet kan worden gewaarborgd’43.. Die opmerking volgt uit de eerdere rechtspraak van het Hof met betrekking tot de ambtshalve toetsing van contractuele bedingen44. en zij kan om de hierboven uiteengezette redenen niet simpelweg uit de kenmerkende omstandigheden van de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde worden gelicht om te onderbouwen dat telkens wanneer contractuele bedingen niet zijn getoetst, het gezag van gewijsde zonder inachtneming van de omstandigheden van de zaak buiten beschouwing moet worden gelaten.
85.
Daarnaast volgt ook uit de rechtspraak van het Hof van voor en na de arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde dat het gezag van gewijsde enkel in een dergelijke restrictieve context buiten beschouwing kan worden gelaten.
86.
Wat de oudere rechtspraak betreft, heeft het Hof — toen het in het arrest Asturcom Telecomunicaciones vaststelde dat er geen verplichting bestond om het definitieve karakter van een arbitraal vonnis buiten beschouwing te laten — tegelijkertijd bevestigd dat nationale regels waarbij een termijn van twee maanden werd gesteld waarbinnen dat vonnis kon worden betwist, in overeenstemming waren met het doeltreffendheidsbeginsel.45. Toen het Hof in het arrest Finanmadrid EFC tot de slotsom kwam dat het definitieve karakter van de beslissing inzake de verplichtingen van de consumenten buiten beschouwing moest worden gelaten, was die slotsom eveneens ingebed in de specifieke restrictieve omstandigheden die in de Spaanse regeling waren neergelegd en op grond waarvan gezag van gewijsde kon gelden.46. Tot slot heeft het Hof in zijn arrest Banco Primus geoordeeld dat het gezag van gewijsde van een eerdere beslissing (waarbij slechts enkele contractuele bedingen van een leningsovereenkomst waren getoetst) zich er niet tegen kan verzetten dat andere bedingen van dezelfde overeenkomst worden getoetst (wanneer de consument volgens de regels tegen de gedwongen executie verzet heeft aangetekend).47. Dat oordeel is uitgesproken in de procedurele context van een verzetsprocedure in verband met de uitzetting uit het verhypothekeerde goed, een context die uit de aard der zaak restrictief is.
87.
Meer recent heeft het Hof (Grote kamer) in zijn arrest Profi Credit Polska in wezen geoordeeld dat het doeltreffendheidsbeginsel niet zo ver gaat dat de lidstaten verplicht zijn te voorzien in buitengewone rechtsmiddelen om een procedure te heropenen die is afgesloten met een definitief geworden verstekvonnis (dat is gewezen op basis van een orderbriefje) zonder dat de contractuele bedingen zijn getoetst.
88.
Hoewel het Hof ten slotte vaststelde dat beroepswegen beschikbaar moeten zijn waarmee de consument kan verzoeken om vergoeding van het bedrag dat is betaald op grond van de vermeend oneerlijke contractuele bedingen, was die vaststelling gebaseerd op de restrictieve voorwaarden waaronder het verstekvonnis had kunnen worden betwist. Met andere woorden, de vaststelling met betrekking tot de verplichting om het definitieve karakter van de beslissing buiten beschouwing te laten hield verband met de beoordeling dat het procedurele kader waarbinnen de consument zijn rechten zou moeten verdedigen, ontoereikend was.48. Daarentegen had een dergelijke (standaard)voorwaarde inzake de niet-toepasselijkheid van het gezag van gewijsde niet van toepassing kunnen zijn indien het ontbreken van het gezag van gewijsde voortvloeide uit het loutere ontbreken van de toetsing van de contractuele bedingen in de procedure die tot het verstekvonnis in die zaak had geleid.
89.
In dezelfde geest heeft het Hof in zijn arrest Getin Noble Bank gewezen op de verplichting van de executierechter om ambtshalve te toetsen of de contractuele bedingen oneerlijk zijn wanneer het verzuim van de consument heeft geleid tot de uitvaardiging van een betalingsbevel dat gezag van gewijsde heeft gekregen en de bedingen bij de afgifte van dat betalingsbevel niet zijn getoetst. Het Hof heeft de bovengenoemde verplichting grotendeels gekoppeld aan de (eventuele) restrictieve voorwaarden waaronder het bevel had kunnen worden betwist, die op hun beurt tot een niet te onderschatten risico hadden kunnen leiden dat de consument de toetsing niet in gang zou zetten.49.
90.
Op grond daarvan heb ik geconcludeerd dat het, gelet op het ontbreken van gelijksoortige procedurele omstandigheden die de mogelijkheden van de consument om zijn rechten te beschermen beperken (hetgeen uiteraard door de verwijzende rechter moet worden nagegaan), voor de noodzaak om ervoor te zorgen dat de consument daadwerkelijk het recht geniet om niet te worden gebonden door een mogelijk oneerlijk contractueel beding in een consumentenovereenkomst, niet nodig is dat het gezag van gewijsde van een gerechtelijke beslissing in een bepaalde (nog niet afgesloten) gerechtelijke procedure terzijde wordt gesteld, ongeacht het feit dat in die procedure niet is onderzocht of het betrokken beding oneerlijk is.
V. Conclusie
91.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Corte suprema di cassazione te beantwoorden als volgt:
moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale procedureregel die een nationale cassatierechter belet om te oordelen dat een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper ongeldig is, indien een dergelijke toetsing niet kan worden verricht omdat — bij gebreke van een door de consument daartoe opgeworpen middel in eerdere fasen van de procedure en gelet ook op het feit dat die kwestie in die eerdere fasen niet ambtshalve door de betreffende nationale rechterlijke instanties aan de orde is gesteld — moet worden aangenomen dat over de geldigheid van dat beding impliciet definitief uitspraak is gedaan in een eerdere beslissing van de nationale cassatierechter, indien:
- —
de kwestie is gerezen in een context waarin de gedwongen tenuitvoerlegging van de verplichtingen van de consument, vanwege de specifieke bepalingen van de consumentenovereenkomst en/of de toepasselijke procedureregels, niet bijzonder wordt gefaciliteerd en het derhalve voor de consument niet bijzonder moeilijk is om zijn rechten te doen gelden, en
- —
de omstandigheden van de eerdere fasen van de procedure het voor de consument in de praktijk niet anderszins onmogelijk of uiterst moeilijk hebben gemaakt om zijn rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 te doen gelden.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑06‑2025
Oorspronkelijke taal: Engels.
Richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
Met name wordt verwezen naar de arresten van het Hof (Grote kamer) van 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a. (C-693/19 en C-831/19, EU:C:2022:395; hierna: ‘arrest SPV Project 1503’); Unicaja Banco (C-869/19, EU:C:2022:397; hierna: ‘arrest Unicaja Banco’), en Ibercaja Banco (C-600/19, EU:C:2022:394; hierna: ‘arrest Ibercaja Banco’) (hierna tezamen: ‘arresten van 17 mei 2022 inzake gezag van gewijsde’). De vierde zaak waarin op die datum arrest is gewezen, Impuls Leasing Romania (C-725/19, EU:C:2022:396), ging niet over de vraag of het gezag van gewijsde buiten beschouwing moest worden gelaten.
Zie bijvoorbeeld de recente arresten van 11 april 2024, Air Europa Líneas Aéreas (C-173/23, EU:C:2024:295, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) [C-582/21, EU:C:2024:282, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing)’].
Zie bijvoorbeeld het recente arrest van 13 maart 2025, APS Beta Bulgaria en Agentsia za kontrol na prosrocheni zadalzhenia (C-337/23, EU:C:2025:183, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Of zoals het Hof in herinnering brengt: ‘een positief ingrijpen buiten de partijen bij de betrokken overeenkomst om’. Zie bijvoorbeeld het arrest van 18 januari 2024, Getin Noble Bank e.a. (Ambtshalve toetsing van het oneerlijke karakter van bedingen) (C-531/22, EU:C:2024:58, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Getin Noble Bank’).
Zie bijvoorbeeld arrest Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie bijvoorbeeld arrest Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), punten 37–39.
Zie bijvoorbeeld arrest Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
De andere relevante verwijzingen zijn (wat betreft de oudere zaken) met name de arresten van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones (C-40/08, EU:C:2009:615; hierna: ‘arrest Asturcom Telecomunicaciones’); 18 februari 2016, Finanmadrid EFC (C-49/14, EU:C:2016:98), en 26 januari 2017, Banco Primus (C-421/14, EU:C:2017:60). Recentere voorbeelden zijn met name de arresten Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) en Getin Noble Bank, en arrest van 29 februari 2024, Investcapital (C-724/22, EU:C:2024:182).
Arrest Ibercaja Banco, punt 49.
Arrest SPV Project 1503, punt 68 (zie ook punt 22 voor de procedurele context).
Arrest SPV Project 1503, punt 65.
Arrest Unicaja Banco, punt 40.
Arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a. (C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980, punten 72–75).
Dat element moet door de verwijzende rechter worden geverifieerd.
Zie voetnoot 8 hierboven en, recenter (en in het algemeen), arrest van 16 januari 2025, BALTIC CONTAINER TERMINAL (C-376/23, EU:C:2025:20, punten 71 en 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest Târșia(C-69/14, EU:C:2015:662, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie bijvoorbeeld arresten van 6 oktober 2015, Târșia (C-69/14, EU:C:2015:662, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 16 januari 2025, BALTIC CONTAINER TERMINAL (C-376/23, EU:C:2025:20, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 18 juli 2007, Lucchini (C-119/05, EU:C:2007:434, punten 61–63). Zie voor de opmerking over de ‘zeer bijzondere’ context van die vaststelling arrest van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti (C-213/13, EU:C:2014:2067, punt 61).
Arresten van 3 september 2009, Fallimento Olimpiclub (C-2/08, EU:C:2009:506, punten 29–31); 11 november 2015, Klausner Holz Niedersachsen (C-505/14, EU:C:2015:742, punten 43–45 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 2 april 2020, CRPNPAC en Vueling Airlines (C-370/17 en C-37/18, EU:C:2020:260, punten 95 en 96); 16 juli 2020, UR (Btw-plichtigheid van advocaten)(C-424/19, EU:C:2020:581, punten 32 en 33), en 7 april 2022, Avio Lucos (C-116/20, EU:C:2022:273, punten 102–104).
Het Hof heeft geoordeeld dat de consument ook op de hoogte moet worden gebracht van de gevolgen die zijn passiviteit heeft voor het verval van het recht om het oneerlijke karakter van contractuele bedingen aan te voeren; zie arrest van 29 februari 2024, Investcapital (C-724/22, EU:C:2024:182, punt 45).
Zoals ook blijkt uit de rechtspraak van het Hof; zie de arresten Asturcom Telecomunicaciones, punt 47; Unicaja Banco, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Getin Noble Bank, punt 45.
Conclusies van advocaat-generaal Mengozzi in de gevoegde zaken Gutiérrez Naranjo e.a. (C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:552, punten 72 en 74), en van advocaat-generaal Tanchev in de zaak Unicaja Banco (C-869/19, EU:C:2021:617, punt 19).
Voor de nationale rechterlijke instanties bestaat geen algemene verplichting op grond van het Unierecht om ambtshalve een schending van het Unierecht, ongeacht het belang van de betreffende bepaling voor de rechtsorde van de Unie, te onderzoeken wanneer de partijen daadwerkelijk de mogelijkheid hadden om voor de nationale rechter een dergelijke grond aan te voeren. Zie met name arresten van 14 december 1995, van Schijndel en van Veen (C-430/93 en C-431/93, EU:C:1995:441, punten 16–22); 7 juni 2007, van der Weerd e.a. (C-222/05–C-225/05, EU:C:2007:318, punt 41). Zie ook recenter arrest van 22 juni 2023, K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken) (C-660/21, EU:C:2023:498, punt 53).
Zie bijvoorbeeld arrest Asturcom Telecomunicaciones, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest van 26 januari 2017, Banco Primus (C-421/14, EU:C:2017:60, punt 46); arrest Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), punten 36–38; arrest Getin Noble Bank, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 29 februari 2024, Investcapital (C-724/22, EU:C:2024:182, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld arrest van 24 oktober 2018, XC e.a. (C-234/17, EU:C:2018:853, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak), of arrest Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie mijn conclusie in de zaak Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) (C-582/21, EU:C:2023:674, punten 37 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss (C-126/97, EU:C:1999:269, punt 46). Zie ook EHRM, 13 juni 1979, Marckx tegen België (CE:ECHR:1979:0613JUD000683374, § 58), en 1 december 2020, Guðmundur Andri Ástráðsson tegen IJsland (CE:ECHR:2020:1201JUD002637418, § 238).
Het beginsel van gezag van gewijsde is opgenomen als een van de benchmarks voor de beoordeling van de rechtsstaat; Raad van Europa, Europese Commissie voor democratie middels het recht (Commissie van Venetië), Rule of Law Checklist, 2016, blz. 28.
EHRM, 19 mei 2020, Redquest Limited tegen Slowakije (CE:ECHR:2020:0519JUD000274917, § 29).
Zie bijvoorbeeld EHRM, 1 december 2020, Guðmundur Andri Ástráðsson tegen IJsland (CE:ECHR:2020:1201JUD002637418, § 238). Zie ook EHRM, 23 november 2023, Wałęsa tegen Polen (CE:ECHR:2023:1123JUD005084921, § 224).
Arrest van 9 juli 2020, Ibercaja Banco (C-452/18, EU:C:2020:536, punten 26 en 30).
Arrest van 11 maart 2020, Lintner (C-511/17, EU:C:2020:188, punt 40).
Zie bijvoorbeeld arrest Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie bijvoorbeeld arrest SPV Project 1503, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak. Dat de bovengenoemde bescherming niet absoluut is, blijkt duidelijk uit de mogelijkheid voor de consument om zich niet te beroepen op het oneerlijke karakter van een contractueel beding, zoals ik in punt 68 hierboven heb toegelicht.
Zie ook, meer in het algemeen, de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de gevoegde zaken van Schijndel en van Veen (C-430/93 en C-431/93, EU:C:1995:185, punt 35).
Dat artikel bepaalt dat ‘[i]edere natuurlijke of rechtspersoon […] recht [heeft] op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. […]’
EHRM, 19 mei 2020, Redquest Limited tegen Slowakije (CE:ECHR:2020:0519JUD000274917, § 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ibidem, § 51. Dat een rechtspersoon betrokken is bij een rechtszaak kan uiteraard van invloed zijn op de waarde van het ondernemingsvermogen.
Zie arrest van 22 april 2021, Profi Credit Slovakia (C-485/19, EU:C:2021:313, punten 59–66).
Arrest van 30 september 2003, Köbler (C-224/01, EU:C:2003:513, punten 50–53).
Arresten Ibercaja Banco, punt 46; Unicaja Banco, punt 30, en SPV Project 1503, punt 62.
Arrest van 4 juni 2020, Kancelaria Medius (C-495/19, EU:C:2020:431, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest Asturcom Telecomunicaciones, punten 42–46.
Arrest van 18 februari 2016 (C-49/14, EU:C:2016:98, met name punten 45, 46 en 52).
Arrest van 26 januari 2017 (C-421/14, EU:C:2017:60, punt 54 in fine).
Dat geldt ook voor de opmerking in punt 81 van dat arrest (die met name tijdens de terechtzitting is besproken) dat het voor de vaststelling dat het gezag van gewijsde buiten beschouwing moet worden gelaten, niet van belang is of het ontbreken van een voorafgaand onderzoek van contractuele bedingen het gevolg is van onbevoegdheid of van verzuim om dat onderzoek te verrichten. Die opmerking is gemaakt nadat het Hof had vastgesteld dat het gezag van gewijsde in casu buiten beschouwing moest worden gelaten vanwege de restrictieve procedurele context, zoals ik zojuist heb toegelicht. De opmerking in dat punt kan dus niet worden gelezen zonder die eerdere ruimere specificatie. Zie ook de punten 71 en 77–83 van dat arrest.
Arrest Getin Noble Bank, punten 53–61.