Rechtbank Limburg 9 juni 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:4766.
HR, 05-04-2024, nr. 23/00271
ECLI:NL:HR:2024:521
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-04-2024
- Zaaknummer
23/00271
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:521, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑04‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1072
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:3696
ECLI:NL:PHR:2023:1072, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑11‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:521
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑01‑2023
- Vindplaatsen
Jurisprudentie Grondzaken 2024/124 met annotatie van mr. F.M.A. van der Loo
TvPP 2024/35, p. 127
BR 2024/55 met annotatie van M. Fokkema
TvAR 2024/8184 met annotatie van J.J. Dammingh
Uitspraak 05‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Koopovereenkomst. Art. 7:15 lid 1 BW, bijzondere last of beperking, bestemmingsplan specifiek met betrekking tot verkochte zaak ('postzegelplan'), HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159 (Portsight).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/00271
Datum 5 april 2024
ARREST
In de zaak van
[Groep A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [Groep A],
advocaat: D. Rijpma,
tegen
1. [verkoper 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verkoper 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: [de verkopers],
advocaat: K. Aantjes.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/03/267890 / HA ZA 19-434 van de rechtbank Limburg van 4 december 2019 en 9 juni 2021;
b. het arrest in de zaak 200.302.827/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2022.
[Groep A] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[de verkopers] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [de verkopers] toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [Groep A] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Deze zaak gaat over non-conformiteit bij de verkoop van een paardenhouderij. In cassatie is in het bijzonder aan de orde of een bestemmingsplan in de vorm van een ‘postzegelplan’ een bijzondere last of beperking kan opleveren in de zin van art. 7:15 lid 1 BW.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [de verkopers] hebben begin 2019 aan de [familie A] verkocht en geleverd – kort gezegd – stukken grond met daarop een woning en een paardenhouderij.
(ii) Op de verkochte percelen is van toepassing het bestemmingsplan ‘Paardenhouderij [adres]’.
(iii) In de koopovereenkomst staat onder meer:
“artikel 6 Staat van de onroerende zaak/ Gebruik
6.1.
De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich hij het tot stand komen van de koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen ‘bijzondere lasten’ zijn.
(…)
artikel 25 Bouwvergunning.
Voor het object is een bouwvergunning voor uitbreiding van de paardenhouderij afgegeven in de vorm van een bouwblok ter grootte van 10.000 m2. (...)”
(iv) De [familie A] heeft in het midden van 2019 de paardenhouderij aan [Groep A] verkocht en geleverd. In de akte van koop en levering staat onder meer dat alle aanspraken die de verkoper ten aanzien van het verkochte kan doen gelden tegenover voormalige eigenaren overgaan op de koper.
2.3
[Groep A] vordert in deze procedure – voor zover in cassatie van belang – een verklaring voor recht dat [de verkopers] wanprestatie hebben gepleegd ten aanzien van het bouwblok bedoeld in art. 25 van de koopovereenkomst. Aan het bouwvlak zijn volgens [Groep A] allerlei voorwaarden verbonden die de kopers niet behoefden te verwachten en waarover [de verkopers] hen hadden moeten informeren. [Groep A] vordert daarnaast schadevergoeding op te maken bij staat.
2.4
De rechtbank1.heeft de vorderingen afgewezen; het hof2.heeft dit vonnis bekrachtigd. Daaraan heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd.
Een bouwblok en de voorwaarden voor eventuele bebouwing daarvan liggen vast in voor eenieder kenbare publiekrechtelijke gegevens, zoals in dit geval het bestemmingsplan en het daarbij behorende landschapsplan. Hierin is tot in detail vastgelegd onder welke randvoorwaarden er op die plaats in het bouwblok kan en mag worden gebouwd. Niet goed valt in te zien waarom [de verkopers] met recht kan worden verweten dat zij deze eventuele randvoorwaarden (die ook nog afhankelijk zijn van de op te richten bebouwing en die niet exceptioneel zijn, namelijk landschappelijke inpassing, dus in een bestaande situatie) niet aan de [familie A] hebben medegedeeld. Evenmin valt in te zien waarom in dit verband geen betekenis zou kunnen worden toegekend aan hetgeen bepaald staat in art. 6 lid 1 van de koopovereenkomst tussen [de verkopers] en de [familie A], te weten: “de onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van de koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen ‘bijzondere lasten’ zijn.” Bijzondere omstandigheden die maken dat in afwijking hiervan niettemin toch een mededelingsplicht zou moeten worden aangenomen zijn verder niet aangevoerd of zijn onvoldoende onderbouwd. (rov. 3.16.3)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 7:15 BW. Volgens het onderdeel houdt het relevante bestemmingsplan – anders dan over het algemeen het geval is bij bestemmingsplannen – een ‘bijzondere publiekrechtelijke last of beperking’ in als bedoeld in HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159 (Portsight). Het gaat hier immers om een publiekrechtelijke last of beperking die de verkochte zaak in het bijzonder betreft en die speciaal voor het verkochte is geschreven, aldus het onderdeel.
3.2
Deze klacht faalt. Zoals is overwogen in HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159 (Portsight)3.bestaat er geen goede grond om art. 7:15 lid 1 BW van toepassing te achten indien de lasten of beperkingen voortvloeien uit publiekrechtelijke besluiten van algemene strekking, zoals beleidsregels, verordeningen of bestemmingsplannen. Mede met het oog op de rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van art. 7:15 lid 1 BW moet aangenomen worden dat slechts sprake is van een bijzondere publiekrechtelijke last of beperking, indien deze haar grondslag vindt in een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit. Anders dan het middel verdedigt, bestaat er onvoldoende reden in dit verband een uitzondering te maken voor een bestemmingsplan dat de verkochte zaak in het bijzonder betreft. Ook een dergelijk bestemmingsplan is immers geen tot de rechthebbende van de zaak gericht besluit en is door publicatie eenvoudig kenbaar voor derden. Een uitzondering zou bovendien al snel kunnen leiden tot afbakeningsproblemen. De belangen van de koper kunnen in voorkomend geval worden beschermd door de mogelijkheid de verkoper aan te spreken op grond van dwaling (art. 6:228 BW) of non-conformiteit (art. 7:17 BW).
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [Groep A] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de verkopers] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 5 april 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑04‑2024
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3696.
Zie ook HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2885 (Woonboerderij), rov. 3.3 en 3.4.
Conclusie 24‑11‑2023
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00271
Zitting 24 november 2023
CONCLUSIE
S.D. Lindenbergh
In de zaak
[eiseres] B.V.
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerster 2]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de [eiseres], respectievelijk [verweerder] (in mannelijk enkelvoud).
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak gaat over de koop van een onroerende zaak, bestaande uit onder meer een vrijstaande woning en een hippische accommodatie. De koopovereenkomst vermeldt onder meer dat een bouwvergunning voor uitbreiding van de paardenhouderij is afgegeven in de vorm van een bouwblok van 10.000 m2. De kopers verkopen de onroerende zaak enkele maanden later door aan een aan hen gelieerde vennootschap. Deze vennootschap spreekt vervolgens de oorspronkelijke verkopers aan omdat er gebreken aan de onroerende zaak zouden kleven: (i) het zou onvoldoende duidelijk zijn gemaakt dat er randvoorwaarden gelden voor de bebouwing op het bouwblok, (ii) het bouwblok zou kleiner zijn dan 10.000 m2 en (iii) de bodem zou verontreinigd zijn. In eerste aanleg en in hoger beroep zijn de vorderingen van de vennootschap afgewezen.
1.2
In cassatie komen nog slechts onderwerpen (i) en (ii) aan de orde. De vennootschap stelt wat betreft (i) dat het hof heeft verzuimd art. 7:15 BW toe te passen en art. 7:17 BW onjuist heeft toegepast, gelet op de mededelingsplicht die op grond van (een van) die artikelen op de oorspronkelijke verkopers zou hebben gerust, althans dat zijn oordelen in dat verband onbegrijpelijk zijn. Wat betreft (ii) stelt de vennootschap dat het oordeel van het hof dat zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht onbegrijpelijk is.
2. Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in r.o. 3.1 t/m 3.10 van het arrest van 25 oktober 2022 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, hierna met dezelfde subnummering overgenomen.
2.1
[verweerder] heeft aan [de familie] (hierna: [de familie] ) op 18 februari 2019 verkocht voor € 1.050.000,-- en voorts op 15 maart 2019 geleverd een vrijstaande woning (bedrijfswoning) met garage en tuin en hippische accommodatie, bestaande uit negen paardenboxen, overdekte stapmolen en weiland in de [gemeente] , bekend als [gemeente] , [sectie] nummer [001] en nummer [002] .
2.2
De accommodatie was al sinds 1972 eigendom van [verweerder]
2.3
Op de verkochte percelen is het [bestemmingsplan] van de [gemeente] van toepassing, dat laatstelijk op 11 december 2013 is vastgesteld.
2.4
In de koopovereenkomst van 18 februari 2019 staat, geciteerd voor zover hier van belang:
“artikel 6 Staat van de onroerende zaak/ Gebruik
6.1.
De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van de koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen 'bijzondere lasten' zijn. (...)
6.3.
De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als: het agrarisch bedrijf bestaande uit een vrijstaand woonhuis (bedrijfswoning met tuin en een hippische accommodatie bestaande uit 9 paardenboxen, overdekte stapmolen en weiland (...). Verkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. (...) Gebreken die het normale gebruik belemmeren en die aan koper bekend of kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst komen voor rekening en risico van koper. Voor gebreken die het normale gebruik belemmeren en die niet aan koper bekend of kenbaar waren op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst is verkoper uitsluitend aansprakelijk voor de herstelkosten. (...) Verkoper is niet aansprakelijk voor overige (aanvullende) schade, tenzij verkoper een verwijt treft.
6.4.1.
Aan verkoper is niet bekend of de onroerende zaak verontreiniging bevat die ten nadele strekt van het in artikel 6.3 omschreven gebruik of die heeft geleid of zou kunnen leiden tot een verplichting tot schoning van de onroerende zaak, dan wel het nemen van andere maatregelen. 6.4.3. Aan verkoper is niet bekend of in de onroerende zaak asbest is verwerkt.
artikel 22. Bodemonderzoek
Koper ziet af van het (laten) verrichten van een bodemonderzoek. Koper verklaart op de hoogte te zijn van de risico's en gevolgen van het niet (laten) verrichten van dit onderzoek. Koper vrijwaart verkoper van alle aansprakelijkheid voor eventuele verontreiniging en zal nimmer aanleiding vormen tot ontbinding van onderhavige overeenkomst, vermindering van de koopsom of schadeloosstelling door verkoper.
artikel 25. Bouwvergunning
Voor het object is een bouwvergunning voor uitbreiding van de paardenhouderij afgegeven in de vorm van een bouwblok ter grootte van 10.000 m2. (...)”
2.5
In de akte van levering van 15 maart 2019 staat, geciteerd voor zover hier van belang:
“Artikel 5
De bepalingen van de koopovereenkomst en met name de in de koopovereenkomst door partijen verstrekte garanties casu quo afgegeven verklaringen blijven onverkort van kracht, voorzover daarvan thans niet uitdrukkelijk is afgeweken en voorzover deze nog van kracht kunnen zijn. (...)”
2.6
[de familie] heeft op 9 mei 2019 een omgevingsvergunning aangevraagd en verder heeft [de familie] door [A] B.V. (hierna: [A]) een bodemonderzoek laten uitvoeren binnen de locatie van de paardenhouderij. In het rapport van [A] van 5 juli 2019 staat, geciteerd voor zover hier van belang:1.
“2.2. Vooronderzoek
De locatie [a-straat 1] is sinds 2013 een officieel paardenbedrijf met alle vergunningen voor het houden van [001] paarden. De bebouwing dateert uit 1960-1970. Inmiddels is een Agrarisch Bouwblok toegewezen van circa 10.000 m2, hetgeen mogelijkheden biedt voor het bouwen van een rijhal en stageverblijven. (...)”
2.7
[de familie] heeft vervolgens de paardenhouderij aan de [eiseres] verkocht voor € 1.050.000,--. De paardenhouderij is op 11 juli 2019 aan de [eiseres] geleverd. Er is geen afzonderlijke koopovereenkomst gesloten. De akte van koop en levering van 11 juli 2019 bevat, geciteerd voor zover hier van belang, de volgende bepalingen en artikelen:
“Ten aanzien van dit gebruik van het verkochte, hetgeen partijen zien als het normale gebruik, deelt verkoper het volgende mede: Het verkochte bezit thans de eigenschappen die voor een normaal gebruik als bovenbedoeld nodig zijn. Verkoper zijn geen feiten of omstandigheden bekend die aan een normaal gebruik door koper als bovenbedoeld in de weg staan. Verkoper is niet bekend dat dit gebruik op publieke- dan wel privaatrechtelijke gronden niet is toegestaan, met dien verstande dat de bestemming op het verkochte "Paardenhouderij" betreft. Koper verklaart volledig op de hoogte te zijn van het vorenstaande en alle eventueel daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. Voor andere eigenschappen dan die voor normaal gebruik nodig zijn en voor aan koper kenbare gebreken staat verkoper niet in.
titelbewiizen en bescheiden, aanspraken
Artikel 4
(...)
Alle aanspraken die verkoper ten aanzien van het verkochte kan of zal kunnen doen gelden tegenover derden, waaronder begrepen (... ) voormalige eigenaren (...) gaan hierbij over op koper, zonder dat verkoper terzake enige vrijwaring verleent. (...)
milieu
Artikel 7
1. Aan verkoper is niet bekend of het verkochte enige andere verontreiniging bevat die ten nadele strekt van het normale gebruik door koper of die heeft geleid of naar redelijke verwachting zou kunnen leiden tot een verplichting tot schoning van de onroerende zaak, dan wel het nemen van andere maatregelen dan de aan partijen genoegzaam bekende grondwaterverontreiniging en de verontreiniging met zinkassen.
(...)
4. Aan koper is bekend dat in de onroerende zaak asbest is verwerkt. (...)”
2.8
Bij brief van 24 juli 2019 heeft de advocaat van de [eiseres] aan [verweerder] het volgende medegedeeld (geciteerd voor zover hier van belang):
“Ik informeer u dat mijn cliënte van [de familie] het bedoelde perceel heeft gekocht, waarbij aan cliënte mede werd overgedragen de aanspraken die [de familie] heeft op (onder andere) oud-eigenaren. Door cliënte en [de familie] is vastgesteld dat [de familie] een aanspraak op u heeft uit hoofde van de met u gesloten koopovereenkomst. Die aanspraak vloeit voort uit het feit dat door u is toegezegd dat er een omgevingsvergunning/bouwvergunning zou zijn. Die blijkt er niet te zijn. Die aanspraak heeft voorts te maken met de aangetroffen bodemverontreiniging. Door middel van deze brief deel ik u mede dat [de familie] de hierboven bedoelde aanspraken heeft overgedragen aan cliënte. Hiermee (cessie) is cliënte eigenaar van de bovenbedoelde rechtsvorderingen jegens u. (...)”
2.9
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 februari 2020 staat, geciteerd voor zover hier van belang:
“mr. Hundscheid.
Ik laat het ontbreken van een bouwvergunning los. Het gaat er om dat sprake is van wanprestatie in de vorm van non-conformiteit, omdat er 10.000 m2 bouwblok zonder voorwaarden zou worden geleverd en dat is niet gebeurd. Er is geadverteerd dat er uitgebreid kon worden à 10.000 m2. Op basis van de koopovereenkomst was 10.000 m2 de gerechtvaardigde verwachting. Het aantal vierkante meter is leidend. Het bouwvlak blijkt kleiner te zijn, nog geen 7.000 m2 en er zijn allerlei voorwaarden aan verbonden. Er is geen kant en klaar bouwvlak. En er is minder dan 25% geleverd aan bouwblok. Op grond van de koopovereenkomst mocht men uitgaan van een onvoorwaardelijk bouwblok. Er moet worden gehaviltext. Er is sprake van wanprestatie, omdat gezwegen is waar gesproken had moeten worden. [de familie] is bewust misleid. Familie [verweerder 1] wist dat het bouwblok niet onvoorwaardelijk was.
mr. Pfeil:
(...). Aan het bouwblok zijn geen voorwaarden verbonden. Bij een omgevingsvergunning moet natuurlijk wel aan allerlei voorwaarden worden voldaan. Het bouwvlak is de totale oppervlakte die je mag bebouwen. (....)”
2.10
[verweerder] heeft [B] B.V. in 2012 aangezocht ten behoeve van een voorgenomen vergunningaanvraag voor mogelijke uitbreiding van de paardenhouderij. [verweerder] heeft besloten af te zien van het aanvragen van een bouwvergunning en heeft in plaats daarvan een bouwblok aangevraagd en verkregen. In het kader van die opdracht aan [B] heeft [B] Tritium Advies B.V. (hierna: Tritium) opdracht gegeven een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. In het rapport van Tritium van 18 juni 2012 staat, geciteerd voor zover hier van belang:
“Samenvatting
In opdracht van [B] heeft Tritium Advies B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie [a-straat 1] te [plaats] . Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging voor de betreffende locatie, waarbij de functie “agrarisch gebied met burgerwoning” wordt gewijzigd naar agrarisch bouwblok. Doel van het onderzoek is het vastleggen van de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem van de onderzoekslocatie. Na vergelijking van de analyseresultaten met de geldende achtergrond-, streef- en interventiewaarden blijkt dat zowel de bovengrond als de ondergrond niet verontreinigd is met de onderzochte stoffen. Het grondwater is licht verontreinigd met cadmium, nikkel en zink. De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het voorgenomen gebruik van de locatie. (...)”
3. Procesverloop
In eerste aanleg
3.1
Bij dagvaardingen van 13 augustus 2019 heeft de [eiseres] [verweerder] in rechte betrokken bij de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank). De [eiseres] vorderde, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (i) een verklaring voor recht dat [verweerder] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis(sen) uit hoofde van de koopovereenkomst en/of dat [verweerder] hoofdelijk aansprakelijk is voor het ontbreken van de in art. 25 van de koopovereenkomst bedoelde vergunning en voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging en dat [verweerder] uit dien hoofde verplicht is tot schadevergoeding, althans te verklaren voor recht op een in goede justitie te bepalen wijze, (ii) [verweerder] , zo mogelijk hoofdelijk, te veroordelen tot betaling aan de [eiseres] van de door de [eiseres] en [de familie] geleden schade naar aanleiding van de toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van zijn verbintenis(sen) uit hoofde van de koopovereenkomst en/of het ontbreken van de in artikel 25 koopovereenkomst bedoelde vergunning en/of de aanwezigheid van bodemverontreiniging, althans hetgeen in goede justitie zal worden bepaald, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, althans vanaf een in goede justitie vast te stellen datum of data, een en ander tot aan de dag van algehele voldoening, (iii) [verweerder] , zo mogelijk hoofdelijk, te veroordelen in de beslag-, proces-, en nakosten, onder bepaling dat [verweerder] de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd wordt wanneer deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, althans na de dag van betekening van het vonnis, zijn betaald.
3.2
[verweerder] heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd. Op 10 februari 2020 vond een comparitie van partijen plaats. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is voortgeprocedeerd door indiening van conclusies van repliek en dupliek. Op 5 maart 2021 vond opnieuw een comparitie plaats. Ook hiervan is proces-verbaal opgemaakt.
3.3
Bij vonnis van 9 juni 20212.(hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van de [eiseres] afgewezen en de [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proces- en nakosten. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
3.4
Het verweer van [verweerder] dat geen sprake is van een rechtsgeldige cessie van de (beweerdelijke) vorderingen van [de familie] op [verweerder] aan de [eiseres] is, op straffe van verval van verweer, te laat gevoerd, waardoor de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van dit verweer (r.o. 4.1). Los daarvan is overigens sprake van een rechtsgeldige cessie (r.o. 4.2.1 t/m 4.2.3). Het ontbreken van een bouwvergunning heeft de [eiseres] bij de mondelinge behandeling van 5 maart 2021 losgelaten, waardoor de vorderingen voor zover die zien op het ontbreken van een bouwvergunning voor afwijzing gereed liggen (r.o. 4.3.4). De [eiseres] is herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om helderheid te verschaffen met betrekking tot de begrippen bouwblok (als gebezigd in de koopovereenkomst) en bouwvlak (als gebezigd in de conclusie van repliek), maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt, waardoor voor de rechtbank onduidelijk is of volgens de [eiseres] sprake is van wanprestatie dan wel non-conformiteit ten aanzien van het bouwblok of bouwvlak (r.o. 4.3.5). Hierdoor is ook voor [verweerder] onduidelijk waartegen hij (al dan niet) verweer moet voeren. Duidelijkheid is voorts nodig om te kunnen oordelen over de betreffende feitelijke grondslag van de vorderingen. Bij gebrek hieraan liggen de vorderingen voor zover die zien op de beweerdelijke tekortkomingen met betrekking tot het bouwblok dan wel bouwvlak voor afwijzing gereed (r.o. 4.3.6). Wat betreft de vorderingen gerelateerd aan de gestelde bodemverontreiniging overweegt de rechtbank dat de [eiseres] geen duidelijkheid verschaft over de vraag waarin nu exact de non-conformiteit met betrekking tot de beweerdelijke bodemverontreiniging zit: staat de bodemverontreiniging in de weg aan normaal gebruik van het verkochte of beroept de [eiseres] zich op schending van de mededelingsplicht? Daarom liggen de vorderingen voor zover zij zien op de beweerdelijke bodemverontreiniging voor afwijzing gereed (r.o. 4.7).
In hoger beroep
3.5
Bij appeldagvaardingen van 7 september 2021 is de [eiseres] bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen van het vonnis. Nadat [verweerder] de eerstdienende dag bij anticipatie-exploot heeft vervroegd, heeft de [eiseres] een memorie van grieven ingediend in waarin zij haar vorderingen in vergelijking met eerste aanleg enigszins aanpast, in die zin dat zij in appel vordert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat het hof (i) het vonnis vernietigt, en, (ii) opnieuw rechtdoende, (a) voor recht verklaart dat [verweerder] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis(sen) uit hoofde van de door hem gesloten koopovereenkomst en/of dat [verweerder] hoofdelijk aansprakelijk is voor het ontbreken van de in art. 25 van de koopovereenkomst bedoelde vergunning en/of bouwblok (de overeengekomen en in de memorie uitgelegde “bouwvergunning in de vorm van een bouwblok”) en/of voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging en/of voor het niet voldoen aan zijn mededelingsplicht te dier zake en (b) [verweerder] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding naar aanleiding van de onder (a) weergegeven tekortkomingen, nader op te maken bij staat, (iii) [verweerder] veroordeelt om al hetgeen de [eiseres] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [verweerder] heeft voldaan terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, met (iv) veroordeling van [verweerder] in de beslag-, proces-, en nakosten.
3.6
[verweerder] bestrijdt de grieven, maakt bezwaar tegen de eiswijziging en stelt voorwaardelijk incidenteel appel in voor zover de devolutieve werking van het appel zich niet ook uitstrekt tot het oordeel van de rechtbank over de geldigheid van de cessie. De [eiseres] voert tegen het laatstgenoemde verweer bij memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel.
3.7
Op 25 oktober 2022 wijst het hof arrest3.(hierna: het arrest), waarin het hof het vonnis bekrachtigt en de [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt in de proceskosten. De wijziging van eis staat het hof toe (r.o. 3.15.1-3.15.2). Verder overweegt het hof, voor zover van belang in cassatie, als volgt.
“Het bouwblok
3.16.1
De eerste grief richt zich op twee aspecten van het in artikel 25 van de koopovereenkomst van 18 februari 2019 genoemde bouwblok ter grootte van ongeveer 10.000 m2. Het betreft allereerst de vraag of [verweerder] hun mededelingsplicht hebben geschonden met betrekking tot de voorwaarden waaraan voldaan moest worden bij een (aan te vragen) omgevingsvergunning (ook wel bouwvergunning genoemd). En op de tweede plaats of de door [verweerder] [opgegeven] oppervlakte van het bouwblok van ongeveer 10.000 m2 wel juist is.
3.16.2
Ter toelichting heeft de [eiseres] erop gewezen dat om een omgevingsvergunning te kunnen verkrijgen aan een groot aantal randvoorwaarden voldaan moest worden. Deze voorwaarden kwamen er in de praktijk kort gezegd op neer dat de nieuw te bouwen/uit te breiden accommodatie landschappelijk diende te worden ingepast. Hieromtrent hadden [verweerder] , mede gezien de uitgebreidheid van de nadere regelgeving op dit punt een mededelingsplicht jegens [de familie] , te meer nu [verweerder] als geen ander op de hoogte waren van die voorwaarden, omdat zij zelf destijds in 2013 betrokken waren geweest bij de wijziging van het bestemmingsplan, waarbij een bouwblok was ‘verkregen’.
3.16.3
De grief faalt. Het hof stelt voorop dat in het petitum kennelijk opnieuw de aansprakelijkheid voor het ontbreken van een bouwvergunning en/of een bouwblok aan de orde wordt gesteld, maar zo gelezen kan die vordering niet worden toegewezen, al was het maar omdat het ontbreken van een bouwvergunning in de eigenlijke zin, niet meer aan de vorderingen als zodanig ten grondslag is gelegd.
Duidelijk is dat [de familie] zich destijds bij de aankoop van de accommodatie sterk hebben laten leiden door het woord ‘bouwvergunning’ (e.e.a. blijkt in voldoende mate uit het proces-verbaal van eerste comparitie bij de rechtbank), dit naar het oordeel van het hof in weerwil van het feit dat in artikel 25 van de koopovereenkomst het woord bouwvergunning direct is gekoppeld aan het woord bouwblok (‘bouwvergunning in de vorm van een bouwblok’). Evenzeer is duidelijk dat de [eiseres] haar oorspronkelijke vordering gericht op de aanwezigheid van een bestaande omgevingsvergunning (terecht) heeft laten vallen, zodat het gegeven van het bestaan van een bouwblok (en niet meer dan dat) uitgangspunt is voor de verdere beoordeling van de daartoe thans gewijzigde vordering. Een bouwblok en de voorwaarden voor een eventuele bebouwing daarvan liggen vast in voor eenieder kenbare publiekrechtelijke gegevens, zoals in dit geval het in 2013 gewijzigde [bestemmingsplan] en het daarbij behorende Landschapsplan. Hierin is tot in detail vastgelegd onder welke randvoorwaarden er op die plaats in het bouwblok kan en mag worden gebouwd. Niet goed valt in te zien waarom [verweerder] met recht kan worden verweten dat zij deze eventuele randvoorwaarden (die ook nog afhankelijk zijn van de op te richten bebouwing en die naar het oordeel van het hof ook niet exceptioneel zijn namelijk landschappelijke inpassing, dus in een bestaande situatie) niet aan [de familie] hebben medegedeeld. Evenmin valt in te zien waarom in dit verband geen betekenis zou kunnen [worden] toegekend aan hetgeen bepaald staat in art. 6 lid 1 van de oorspronkelijke koopovereenkomst tussen [verweerder] en [de familie] te weten […] ‘de onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van de koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen 'bijzondere lasten' zijn. (...).’ Bijzondere omstandigheden die maken dat in afwijking hiervan niettemin toch een mededelingsplicht zou moeten worden aangenomen zijn verder niet aangevoerd of zijn onvoldoende onderbouwd.
De omvang van het bouwblok
3.16.4
Door de [eiseres] is verder betoogd dat in werkelijkheid de omvang van het bouwblok veel geringer was (7.000 m2) dan hetgeen in de overeenkomst was toegezegd. Dat leidt dan tot een toerekenbare tekortkoming.
3.16.5
Ook dit onderdeel van de grief faalt. De stelling van de [eiseres] is door [verweerder] niet alleen uitdrukkelijk betwist, maar [eiseres] is ter onderbouwing van haar stelling ook niet verder gekomen dan een verwijzing naar een enkel en weinig duidelijk kaartje, waaruit volgens de [eiseres] zou moeten blijken dat de werkelijke oppervlakte van het bouwblok niet meer dan 7.575 m2 zou bedragen (zie met name ook productie 21 bij de conclusie van repliek) maar zonder dat daaruit duidelijk kan worden of haar betoog op dit punt daadwerkelijk hout snijdt, laat staan dat het bewijs is geleverd zoals zij betoogt. Het zou alleszins voor de hand hebben gelegen om in het licht van het verweer van [verweerder] in ieder geval in hoger beroep haar stellingen op dit punt meer gespecificeerd met andere feiten en/of een geverifieerde meting te onderbouwen, maar dat heeft de [eiseres] nagelaten, waarmee zij dus niet aan haar stelplicht heeft voldaan.”
3.8
Het hof verwerpt de grieven ten aanzien van de bodemverontreiniging (r.o. 3.17.2) en de proceskosten (r.o. 3.18) en komt niet toe aan het incidentele appel, aangezien de daaraan verbonden voorwaarde van vernietiging van het vonnis in principaal appel niet is ingetreden (r.o. 3.19).
In cassatie
3.9
Bij procesinleiding van 25 januari 2023 heeft de [eiseres] (tijdig) bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld van het arrest. [verweerder] heeft bij verweerschrift geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. [verweerder] heeft zijn stellingen schriftelijk toegelicht. De [eiseres] heeft gerepliceerd.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 formuleert rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel in r.o. 3.16.3 dat – kort gezegd – op [verweerder] geen mededelingsplicht rustte wat betreft het bouwblok en de randvoorwaarden die gelden voor eventuele bebouwing daarvan. Onderdeel 2 formuleert een motiveringsklacht tegen het oordeel in r.o. 3.16.5 dat de [eiseres] , mede gelet op het verweer van [verweerder] , niet heeft voldaan aan de stelplicht wat betreft haar stelling dat het bouwblok in werkelijkheid niet meer dan 7.575 m2 zou bedragen.
Onderdeel 1
4.2
Onderdeel I richt zich, zoals gezegd, tegen r.o. 3.16.3, althans voor zover het hof het volgende overweegt:
“Een bouwblok en de voorwaarden voor een eventuele bebouwing daarvan liggen vast in voor eenieder kenbare publiekrechtelijke gegevens, zoals in dit geval het in 2013 gewijzigde [bestemmingsplan] en het daarbij behorende Landschapsplan. Hierin is tot in detail vastgelegd onder welke randvoorwaarden er op die plaats in het bouwblok kan en mag worden gebouwd. Niet goed valt in te zien waarom [verweerder] met recht kan worden verweten dat zij deze eventuele randvoorwaarden (die ook nog afhankelijk zijn van de op te richten bebouwing en die naar het oordeel van het hof ook niet exceptioneel zijn namelijk landschappelijke inpassing, dus in een bestaande situatie) niet aan [de familie] hebben medegedeeld. Evenmin valt in te zien waarom in dit verband geen betekenis zou kunnen [worden] toegekend aan hetgeen bepaald staat in art. 6 lid 1 van de oorspronkelijke koopovereenkomst tussen [verweerder] en [de familie] te weten […] ‘de onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van de koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen 'bijzondere lasten’ zijn. (...). Bijzondere omstandigheden die maken dat in afwijking hiervan niettemin toch een mededelingsplicht zou moeten worden aangenomen zijn verder niet aangevoerd of zijn onvoldoende onderbouwd.”
4.3
Het onderdeel stelt, blijkens de inleiding op de subonderdelen, dat het voorgaande blijkt geeft van een verkeerde rechtsopvatting en/of niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd, nu het hof heeft verzuimd art. 7:15 BW toe te passen, althans (kenbaar) in zijn oordeel te betrekken. Het onderdeel valt uiteen in vier subonderdelen, waarvan de subonderdelen 1.1 t/m 1.3 (kennelijk) strekken ter nadere onderbouwing van deze stelling, terwijl subonderdeel 1.4 een rechts- en motiveringsklacht bevat over de toepassing door het hof van art. 7:17 BW. Subonderdeel 1.4 zal ik hierna meer uitgebreid uiteenzetten en bespreken. Ik vang aan met de subonderdelen 1.1 t/m 1.3, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
4.4
Subonderdeel 1.1 stelt dat het bestreden oordeel van het hof blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting aangaande art. 7:15 BW omdat het [bestemmingsplan] – anders dan over het algemeen het geval is bij bestemmingsplannen – een ‘bijzondere’ publiekrechtelijke last of beperking oplevert als bedoeld in HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159, NJ 2016/76, m.nt. J. Hijma (Portsight). Het gaat hier immers om een publiekrechtelijke last of beperking die de verkochte zaak ( [a-straat 1] ) in het bijzonder betreft. Voor zover van belang moet er voorts (althans in cassatie) van worden uitgegaan dat [verweerder] van die last of beperking op de hoogte was, zo stelt het onderdeel onder verwijzing naar de gedingstukken in feitelijk instanties. Heeft het hof het voorgaande niet miskend, dan is zijn oordeel zonder nadere motivering niet (voldoende) begrijpelijk, gelet op de stellingen van de [eiseres] in feitelijke instanties waarnaar het subonderdeel verwijst, namelijk – samengevat – dat: (i) [de familie] een bouwblok kreeg met een loodzware last, namelijk de verplichtingen die voortvloeien uit het landschapsplan ‘ [landschapsplans] ’, (ii) [verweerder] wist van deze loodzware verplichtingen, die (iii) uitzonderlijk en onvoorzienbaar waren. Gelet op art. 7:15 BW is met name/in ieder geval onjuist of onbegrijpelijk dat het hof niet heeft vastgesteld dat, en evenmin heeft onderzocht of deze door de [eiseres] gestelde omstandigheden, al dan niet kwalificeren als ‘bijzondere lasten’ in de zin van art. 6 lid 1 van de oorspronkelijke koopovereenkomst, of als bijzondere omstandigheden die maken dat een mededelingsplicht van [verweerder] zou moeten worden aangenomen.
4.5
Subonderdeel 1.2 stelt dat het hof, door te verzuimen art. 7:15 BW toe te passen, althans (kenbaar) in zijn oordeel te betrekken, blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting omtrent de rechtsstrijd van partijen in hoger beroep en/of zijn oordeel niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd. Gelet op de stellingen van de [eiseres] , waarnaar in subonderdeel 1.1 wordt verwezen, is het onbegrijpelijk dat het hof grief I niet heeft opgevat als mede betreffende een beroep op art. 7:15 BW en/of het hof heeft miskend dat de rechtsstrijd van partijen mede betrekking had op art. 7:15 BW.
4.6
Subonderdeel 1.3 stelt dat, indien zou moeten worden aangenomen dat grief I niet mede een beroep op art. 7:15 BW betrof, het bestreden oordeel niettemin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof in dat geval, gelet op de feitelijke grondslag van grief I, de rechtsgronden ambtshalve diende aan te vullen (art. 25 Rv) en dus art. 7:15 BW diende toe te passen, althans diende te onderzoeken of art. 7:15 BW voor toepassing in aanmerking kwam. In ieder geval heeft het hof miskend dat de (vraag naar de) toepasselijkheid van art. 7:15 BW binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep viel. Heeft het hof het voorgaande niet miskend, dan is zijn oordeel zonder nadere motivering op dit punt niet voldoende begrijpelijk.
4.7
Het onderdeel bevat voorts een ‘uitbreiding & toelichting’.4.Deze passage bevat geen zelfstandige klachten, maar behelst een nadere argumentatie ter ondersteuning van de subonderdelen 1.1 t/m 1.3. Hierop kom ik hierna voor zover nodig terug.
4.8
Ik zie, zoals gezegd, aanleiding subonderdelen 1.1 t/m 1.3 gezamenlijk te bespreken. Deze subonderdelen gaan immers – kort gezegd – uit van de toepasselijkheid van art. 7:15 BW op onderhavige zaak. Ik meen dat het onderdeel in zoverre dient te falen. Ik licht dit hierna toe.
4.9
Art. 7:15 lid 1 BW luidt:
“De verkoper is verplicht de verkochte zaak in eigendom over te dragen vrij van alle bijzondere lasten en beperkingen, met uitzondering van die welke de koper uitdrukkelijk heeft aanvaard.”
4.10
Aan dit artikel ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de koper ervan mag uitgaan dat de verkochte zaak wordt geleverd vrij van alle bijzondere lasten en beperkingen.5.Deze bepaling ziet op rechtsgebreken, niet op feitelijke gebreken.6.Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat hierbij onder meer gedacht moet worden aan zakelijke rechten van derden, auteursrechten, octrooien en merken, en zuiver uit overeenkomst vloeiende lasten, zoals huur.7.Het artikel ziet slechts op lasten en beperkingen die de verkochte zaak in het bijzonder betreffen, en niet die drukken op alle zaken van dezelfde soort, zoals belastingen en retributies.8.
4.11
In de literatuur is de vraag opgekomen wanneer precies sprake is van toepasselijkheid van de zinsnede “met uitzondering van die welke de koper uitdrukkelijk heeft aanvaard”.9.Wat hier verder ook van zij, algemeen wordt aangenomen dat uit art. 7:15 lid 1 BW een mededelingsplicht voor de verkoper kan volgen met betrekking tot de bijzondere lasten en beperkingen die op de te verkopen zaak rusten.10.Mededeling van de last of beperking door de verkoper aan de (beoogd) koper leidt ertoe dat de aanwezigheid van de last of beperking geen toerekenbare tekortkoming zijdens de verkoper oplevert.11.
4.12
Uit het arrest […] / […]12.volgt dat art. 7:15 lid 1 BW niet alleen ziet op privaatrechtelijke, maar ook op publiekrechtelijke lasten. In die zaak kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat ruilverkavelingslasten die rusten op een verkocht agrarisch perceel gelden als een bijzondere last of beperking in de zin van art. 7:15 BW. Hierbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat dergelijke lasten niet rusten op alle agrarische percelen in Nederland, zodat sprake is van een bijzondere last of beperking. De omstandigheid dat de ruilverkavelingslasten mede rusten op andere percelen die in één en dezelfde ruilverkaveling zijn begrepen, brengt niet mee dat die lasten niet als bijzonder zijn aan te merken, aldus de Hoge Raad. Voor het antwoord op de vraag of art. 7:15 van toepassing is, is bepalend of de lasten op het desbetreffende goed in het bijzonder rusten.13.
4.13
In het arrest Portsight14.kwam de Hoge Raad, mede gelet op de in de literatuur geuite kritiek op het bepaalde in […] / […] (waarover hierna meer), tot een heroverweging van de maatstaf uit / […] wanneer sprake is van een publiekrechtelijke last of beperking die geldt als ‘bijzonder’ in de zin van art. 7:15 lid 1 BW. In Portsight lag de vraag voor of ook de Beleidsregels grote rivieren gelden als een bijzondere last of beperking in de zin van art. 7:15 lid 1 BW. In deze kwestie overwoog de Uw Raad:
“3.6.1 Art. 7:15 lid 1 BW bepaalt, voor zover thans van belang, dat de verkoper verplicht is de verkochte zaak in eigendom over te dragen vrij van alle bijzondere lasten en beperkingen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het alleen om “de lasten en beperkingen die de verkochte zaak in het bijzonder betreffen, en niet die welke drukken op alle zaken van dezelfde soort, zoals belastingen en retributies” (T.M., Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 113). Zoals is beslist in HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9072, NJ 2004/635 ( […] / […] ), staat aan toepassing van art. 7:15 BW niet in de weg dat het gaat om een last of beperking met een publiekrechtelijk karakter, en is voor het antwoord op de vraag of deze bepaling van toepassing is, slechts bepalend of de lasten op de desbetreffende zaak in het bijzonder rusten.
3.6.2
In zojuist genoemd arrest is voor de bevestigende beantwoording van de vraag of de daarin aan de orde zijnde ruilverkavelingslasten een ‘bijzondere’ last of beperking vormen als bedoeld in art. 7:15 lid 1 BW, in aanmerking genomen “dat niet op alle agrarische percelen in Nederland ruilverkavelingslasten rusten”, en is voorts overwogen: “De omstandigheid dat de ruilverkavelingslasten mede rusten op andere percelen die in één en dezelfde ruilverkaveling zijn begrepen, brengt niet mee dat die lasten niet als bijzonder zijn aan te merken.” In de literatuur is kritiek geuit op de aldus geformuleerde maatstaf om te bepalen of sprake is van een ‘bijzondere’ last of beperking, omdat deze formulering te ruim en onbepaald zou zijn en onwenselijke gevolgen kan hebben (zie de literatuur vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 12 en 13, alsmede de rechtspraak aldaar weergegeven onder 15).De Hoge Raad ziet mede hierin aanleiding tot heroverweging van de in genoemd arrest gegeven invulling van het vereiste dat het moet gaan om een ‘bijzondere’ last of beperking.
3.6.3
Bij deze heroverweging wordt in aanmerking genomen dat het bij lasten en beperkingen die privaatrechtelijk van karakter zijn (bijvoorbeeld een beperkt recht, een beslag of een kwalitatief recht), steeds gaat om een last of beperking die specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Er bestaat geen goede grond om bij lasten en beperkingen van publiekrechtelijke aard van een wezenlijk ruimere invulling uit te gaan. Dat stemt ook overeen met de hiervoor in 3.6.1 geciteerde zinsnede uit de T.M. (“lasten en beperkingen die de verkochte zaak in het bijzonder betreffen”). Kennelijk bestaat naar het oordeel van de wetgever slechts voldoende rechtvaardiging om de verkoper te belasten met de in art. 7:15 BW bedoelde verplichtingen, indien de lasten of beperkingen de verkochte zaak in het bijzonder betreffen. In de regel kan immers ervan worden uitgegaan dat de verkoper (beter dan de koper) op de hoogte is van specifiek op de door hem verkochte zaak betrekking hebbende lasten en beperkingen. Publiekrechtelijke lasten of beperkingen die niet specifiek op de verkochte zaak betrekking hebben, zullen daarentegen niet in de regel beter kenbaar zijn voor de verkoper dan voor de koper.
Om deze redenen bestaat geen goede grond art. 7:15 lid 1 BW ook van toepassing te achten indien de lasten of beperkingen voortvloeien uit publiekrechtelijke besluiten van algemene strekking, zoals beleidsregels, verordeningen of bestemmingsplannen.
3.6.4
Gelet op het voorgaande, en voorts met het oog op de rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van art. 7:15 lid 1 BW, moet daarom aangenomen worden dat slechts sprake is van een ‘bijzondere’ publiekrechtelijke last of beperking, indien deze haar grondslag vindt in een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit. In zoverre wordt derhalve teruggekomen van de in het arrest […] / […] geformuleerde maatstaf. Het is redelijk de verkoper te belasten met de in verband hiermee door art. 7:15 BW op hem gelegde risico’s, nu dergelijke besluiten ingevolge art. 3:41 Awb in beginsel door toezending of uitreiking aan de belanghebbende zelf (de rechthebbende van de desbetreffende zaak) bekendgemaakt dienen te worden; deze kan dus bij verkoop van de zaak geacht worden op de hoogte te zijn van de uit dat besluit voortvloeiende lasten en beperkingen, terwijl de koper daarmee doorgaans niet (zonder meer) bekend zal zijn.
Overigens verdient opmerking dat ook de in het arrest […] / […] aan de orde zijnde ruilverkavelingslasten onder deze specifieke maatstaf zouden zijn gevallen. Ingevolge de destijds geldende Landinrichtingswet werd immers, naar gelang het nut dat het desbetreffende kavel van de ruilverkaveling heeft gehad, per kavel vastgesteld of en tot welk bedrag de desbetreffende rechthebbende diende bij te dragen in de ruilverkavelingslasten. Zulks werd (mede) aan de rechthebbende zelf bekendgemaakt door individuele kennisgeving van de terinzagelegging van de lijst der geldelijke regelingen.
3.6.5
Opmerking verdient nog dat de koper met betrekking tot voor de zaak geldende publiekrechtelijke lasten en beperkingen die niet binnen de aldus getrokken grenzen van art. 7:15 lid 1 BW vallen, in voorkomend geval wel de mogelijkheid ten dienste staat om de verkoper op grond van dwaling (art. 6:228 BW) of non-conformiteit (art. 7:17 BW) aan te spreken.
3.6.6
Tot slot verdient opmerking dat het bepaalde in lid 2 van art. 7:15 BW (een verscherpte aansprakelijkheid van de verkoper voor lasten en beperkingen die voortvloeien uit feiten die vatbaar zijn voor inschrijving in de openbare registers) slechts geldt voor de in lid 1 bedoelde bijzondere lasten en beperkingen.”
4.14
In het arrest Woonboerderij15.speelde de vraag of de agrarische bestemming van de verkochte onroerende zaak had te gelden als een bijzondere last of beperking. De Hoge Raad overweegt onder verwijzing naar Portsight dat een bestemmingsplan niet geldt als een bijzondere last of beperking omdat het geen specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit betreft.16.
4.15
Terug naar de onderhavige kwestie. De last of beperking die hier aan de orde is – het [bestemmingsplan] – geldt conform de zojuist geschetste rechtspraak naar de letter niet als een bijzondere last of beperking in de zin van art. 7:15 lid 1 BW, omdat het geen specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit betreft. Ten aanzien van bestemmingsplannen is dit, zoals ik zojuist schetste, uitdrukkelijk bepaald in de arresten Portsight en Woonboerderij. Dit stelt het middel met zoveel woorden ook zelf.17.
4.16
Niettemin stelt het onderdeel, gelet op de aanvullende motivering onder het kopje ‘uitbreiding en toelichting’, dat dit onjuist zou zijn, omdat het hier gaat om een bestemmingsplan met een bijbehorend integratie- en inrichtingsplan dat specifiek op verzoek van [verweerder] en specifiek voor het verkochte is opgesteld. Daardoor geldt voor [verweerder] dus evengoed dat ervan kan worden uitgegaan dat [verweerder] als verkoper (beter dan de [eiseres] als koper) op de hoogte was van deze specifiek op de door hem verkochte zaak betrekking hebbende lasten en beperkingen. Er is dus materieel sprake van een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit, dat ingevolge art. 3:41 Awb (in beginsel) door toezending of uitreiking aan de belanghebbende zelf (de rechthebbende van de desbetreffende zaak) bekendgemaakt diende te worden. Dat art. 7:15 lid 1 BW ook in een geval als het onderhavige, althans in dit geval, van toepassing is stemt ook overeen met de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling: het gaat ook hier om “lasten en beperkingen die de verkochte zaak in het bijzonder betreffen”,18.aldus nog steeds het onderdeel.19.
4.17
Het onderdeel beoogt aldus het toepassingsbereik van art. 7:15 lid 1 BW (althans de maatstaf uit het arrest Portsight om te bepalen wanneer sprake is van een bijzondere publiekrechtelijke last of beperking) zodanig op te rekken dat een bepaalde categorie besluiten (althans, het onderhavige bestemmingsplan) erbinnen valt.
4.18
Ik onderschrijf de door het onderdeel bepleite ruimere toepassing van de maatstaf in Portsight niet. Ter onderbouwing wijs ik op het volgende.
4.19
Uw Raad heeft met de maatstaf als geformuleerd in Portsight onder meer de rechtszekerheid en hanteerbaarheid van art. 7:15 lid 1 BW op het oog gehad.20.De door het onderdeel bepleite verruiming zou hieraan mijns inziens afbreuk doen. De toets of een besluit materieel neerkomt op een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit is immers aanmerkelijk minder eenduidig dan de maatstaf in Portsight. De door het onderdeel bepleite materiële toets vergt immers steeds een bijzondere (feitelijke) beoordeling die (mogelijk) van geval tot geval anders kan uitpakken.
4.20
In het verlengde hiervan wijs ik erop dat de situatie in deze zaak – een bestemmingsplan dat geldt voor slechts één perceel – niet uitzonderlijk is in de Nederlandse ruimtelijke-ordeningspraktijk. Het is in Nederland betrekkelijk gangbaar dat een bestemmingsplan wordt vastgesteld voor een beperkt gebied of voor slechts één perceel.21.Dit worden ook wel postzegelbestemmingsplannen genoemd.22.Dit geldt naast, bijvoorbeeld, de mogelijkheid voor de gemeente om een bestemmingsplan vast te stellen voor haar gehele grondgebied. Daarnaast zijn ook mengvormen mogelijk.23.
4.21
Deze praktijk van postzegelbestemmingsplannen illustreert mijns inziens dat, indien de door het onderdeel bepleite verruiming van de maatstaf in Portsight zou worden gevolgd, in ieder geval onduidelijkheid en onzekerheid volgt over het antwoord op de vraag of dergelijke bestemmingsplannen materieel hebben te gelden als een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit. Dit zal immers steeds getoetst moeten worden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Is hiervoor steeds voldoende, zoals het onderdeel bepleit, dat het bestemmingsplan is opgesteld op verzoek van de (voormalige) eigenaar en geldt voor een specifiek perceel? Hierover kan ik in abstracto weinig zeggen en het middel biedt in dit kader ook geen nadere handvatten. Dat geldt eens te meer voor eventuele toepasselijkheid van een dergelijke materiële toets voor andere besluiten van algemene strekking. De door het onderdeel bepleite toets verdraagt zich dus niet met de door Uw Raad aan Portsight mede ten grondslag gelegde rechtszekerheid en hanteerbaarheid van art. 7:15 lid 1 BW.
4.22
Verder wijs ik erop dat in de literatuur de in Portsight geformuleerde maatstaf, anders dan destijds bij […] / […] het geval was,24.niet kritisch is ontvangen. Voor de door het middel bepleite materiële toets heb ik althans nergens steun kunnen vinden.25.De door het middel aangehaalde annotatie van Hijma onder Portsight in NJ 2016/79 maakt dit niet anders, omdat de door Hijma gesignaleerde onduidelijkheid ziet op bepaalde categorieën beschikkingen en niet op besluiten van algemene strekking, zoals bestemmingsplannen.
4.23
In dit verband lijkt mij verder relevant dat Uw Raad in zijn heroverweging in Portsight uitdrukkelijk het oog heeft gehad op de door A-G De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie voor dit arrest uiteengezette kritiek in de literatuur op de maatstaf van […] / […], namelijk dat die maatstaf te ruim en onbepaald zou zijn en onwenselijke gevolgen kan hebben.26.Deze door de A-G besproken literatuur zag onder meer op de onduidelijkheid van de toepasselijkheid van die maatstaf op bestemmingsplannen. Meer in het bijzonder meenden sommige auteurs dat uit een strikte toepassing van die maatstaf volgt dat bestemmingsplannen weliswaar gelden als een bijzondere last of beperking, maar dat dit onwenselijk is en bovendien moeilijk voorstelbaar is dat de Hoge Raad dit ook daadwerkelijk had beoogd.27.Hieruit leid ik af dat Uw Raad in Portsight, gelet op deze kritiek, ook klare wijn heeft willen schenken met betrekking tot de vraag of een bestemmingsplan heeft te gelden als een bijzondere last of beperking in de zin van art. 7:15 lid 1 BW. Zoals ook hiervoor is geschetst, zou de door het middel bepleite verruiming van de maatstaf uit Portsight nu juist afbreuk doen aan dit voornemen. Ik merk verder op dat hantering van deze maatstaf met betrekking tot bestemmingsplannen ook in de feitenrechtspraak niet tot enige problemen lijkt te hebben geleid.28.
4.24
Daarnaast acht ik van belang dat Uw Raad de maatstaf in Portsight onder meer onderbouwt met de overweging dat de door de maatstaf gedekte besluiten ingevolge art. 3:41 Awb in beginsel door toezending of uitreiking aan de belanghebbende zelf (de rechthebbende van de desbetreffende zaak) bekendgemaakt dienen te worden, waardoor de verkoper bij verkoop van de zaak geacht kan worden op de hoogte te zijn van de uit dat besluit voortvloeiende lasten en beperkingen, terwijl de koper daarmee doorgaans niet (zonder meer) bekend zal zijn. Dit geldt niet voor bestemmingsplannen; ook niet voor (postzegel)bestemmingsplannen die al dan niet op verzoek van de (voormalig) eigenaar zijn opgesteld voor een specifieke onroerende zaak. Koper en verkoper hebben immers ook in dat geval (bijvoorbeeld via de website www.ruimtelijkeplannen.nl)29.op gelijke wijze toegang tot dezelfde informatie. Dat een (postzegel)bestemmingsplan op verzoek van een voormalige eigenaar is opgesteld voor een specifieke onroerende zaak doet aan dat gegeven geen afbreuk. Het contrast met de ruilverkavelingslasten die aan de orde waren in […] / […]30.is in zoverre helder: de ruilverkavelingslasten werden bekendgemaakt door individuele kennisgeving van de terinzagelegging van de lijst van de geldelijke regelingen.31.
4.25
Alles overziend bestaat mijns inziens geen aanleiding om – in afwijking van de maatstaf uit het arrest Portsight – ook een bestemmingsplan (althans: een besluit van algemene strekking) dat materieel neerkomt op een (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit aan te merken als een bijzondere last of beperking in de zin van art. 7:15 lid 1 BW. Ook anderszins zie ik geen aanleiding om het bestemmingsplan in onderhavige kwestie als zodanig aan te merken.
4.26
Uit het voorgaande volgt dat de subonderdelen 1.1 t/m 1.3 falen.
4.27
Subonderdeel 1.4 stelt vervolgens dat, indien zou moeten worden aangenomen dat de onderhavige publiekrechtelijke last of beperking niet binnen de grenzen van art. 7:15 lid 1 BW valt, het bestreden oordeel blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting omtrent art. 7:17 BW, omdat het hof in dat geval, gelet op de feitelijke grondslag van grief I, een strengere maatstaf hanteert dan uit art. 7:17 BW voortvloeit. In dit geval is immers geen andere conclusie mogelijk dan dat het gaat om een feitelijk zo bijzondere last, waarvan bovendien vaststaat dat [verweerder] daarvan op de hoogte was, dat spreken voor [verweerder] plicht was, en [verweerder] [eiseres] niet kan tegenwerpen dat [de familie] haar onderzoeksplicht heeft verzaakt en dat de aansprakelijkheid van [verweerder] is weggecontracteerd. In ieder geval is onder de omstandigheden van dit geval onbegrijpelijk het bestreden oordeel dat niet valt in te zien waarom [verweerder] met recht kan worden verweten dat zij deze eventuele randvoorwaarden niet aan [de familie] heeft medegedeeld en/of waarom in dit verband geen betekenis zou kunnen worden toegekend aan het bepaalde in art. 6 lid 1 van de oorspronkelijke koopovereenkomst tussen [verweerder] en [de familie] , en/of dat bijzondere omstandigheden die maken dat een mededelingsplicht zou moeten worden aangenomen niet zijn aangevoerd of onvoldoende zijn onderbouwd, zo stelt het onderdeel met verwijzing naar de voorgaande subonderdelen en de daar vermelde vindplaatsen in de gedingstukken.
4.28
Allereerst merk ik op dat het onderdeel in zoverre de structuur hanteert die de Hoge Raad in de arresten Portsight32.en Woonboerderij33.uiteenzet. De Hoge Raad overweegt in die arresten dat met betrekking tot voor de zaak geldende publiekrechtelijke lasten en beperkingen die niet binnen de reikwijdte van art. 7:15 lid 1 BW vallen, de koper in voorkomend geval wel de mogelijkheid ten dienste staat de verkoper op grond van non-conformiteit (art. 7:17 BW) (of dwaling (art. 6:228 BW)) aan te spreken.
4.29
Ten behoeve van de beoordeling van dit subonderdeel schets ik kort het kader met betrekking tot de verhouding tussen mededelings- en onderzoeksplichten in de zin van de non-conformiteitsregeling in art. 7:17 BW. Daarnaast besteed ik aandacht aan de betekenis van een eventuele contractuele bepaling die beoogt art. 7:17 BW buiten werking te stellen, dan wel hetgeen de koper op grond van de overeenkomst gerechtvaardigd mocht verwachten mede bepaalt.
4.30
De verhouding tussen onderzoeks- en mededelingsplicht is in het bijzonder ontwikkeld in het dwalingsleerstuk. Deze begrippen worden analoog toegepast in het non-conformiteitsleerstuk.34.De vraag of in een concreet geval de verkoper zijn mededelingsplicht of de koper zijn onderzoeksplicht heeft geschonden is relevant voor hetgeen de koper ingevolge art. 7:17 BW redelijkerwijs mocht verwachten van de verkochte zaak.35.De gerechtvaardigdheid van dergelijke verwachtingen hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.36.Rustte op de verkoper in het gegeven geval een mededelingsplicht en heeft hij die verzaakt, dan kan hij uit art. 7:17 BW worden aangesproken wegens non-conformiteit; de verkochte zaak bevatte immers niet de eigenschappen die de koper redelijkerwijze mocht verwachten.37.De omstandigheden van het geval kunnen evenwel van dien aard zijn dat van de koper verlangd kan worden dat hij nader onderzoek verricht naar de eigenschappen van de betreffende zaak. Indien hij zulks nalaat, is aansprakelijkheid van de verkoper uit art. 7:17 BW voor het betreffende gebrek in beginsel uitgesloten.38.
4.31
Of op de verkoper een mededelingsplicht dan wel op de koper een onderzoeksplicht rust (of allebei) hangt steeds af van de omstandigheden van het geval.39.In de literatuur zijn (in het bijzonder door Hijma) voor het aannemen van een mededelingsplicht wel handvatten (‘basisvoorwaarden’) geformuleerd.40.Deze voor het dwalingsleerstuk geformuleerde voorwaarden kunnen analoog worden toegepast in het non-conformiteitsleerstuk. Het gaat om de volgende voorwaarden: (i) de wederpartij kent de juiste stand van zaken, althans mag geacht worden die te kennen, (ii) de wederpartij weet of moet weten dat het bewuste punt voor de ander van gewicht is en (iii) de wederpartij moet rekening houden met de mogelijkheid dat de ander dwaalt. Tot slot (iv) dient getoetst te worden of de wederpartij naar verkeersopvattingen de ander uit de droom behoort te helpen. Bij het vaststellen van een eventuele mededelingsplicht speelt naar deze visie ook steeds de deskundigheid over en weer een rol.41.Met andere woorden, indien de deskundigheid van de verkoper groter is zal op hem eerder een mededelingsplicht rusten en vice versa rust eerder een onderzoeksplicht op de koper.
4.32
In dit verband verwijs ik verder opnieuw naar het arrest Woonboerderij, waarin Uw Raad overwoog:
“Opmerking verdient overigens dat het oordeel van het hof (in de tweede alinea van rov. 5.10.4) dat Simons [de verkoopster, A-G], gelet op haar wetenschap van de agrarische bestemming, aan Van Hoof c.s. [de kopers, A-G] behoorde te melden dat de woning een bestemming heeft die afbreuk kan doen aan het voorgenomen gebruik daarvan door Van Hoof c.s., voortbouwt op het onjuiste oordeel dat art. 7:15 BW van toepassing is. Na verwijzing zal dan ook opnieuw, maar dan in het kader van art. 7:17 BW of art. 6:228 lid 1, aanhef en onder b, BW, moeten worden beoordeeld of op Simons ter zake van de agrarische bestemming een mededelingsplicht rustte. Voor die beoordeling kan – anders dan bij toepassing van art. 7:15 BW (welke bepaling immers een uitdrukkelijke aanvaarding van de bijzondere lasten en beperkingen door de koper vereist om aansprakelijkheid van de verkoper te voorkomen) – mede van belang zijn of Simons redelijkerwijs ervan uit mocht gaan dat Van Hoof c.s. ter zake zelf onderzoek zouden verrichten.”42.
4.33
Uit Woonboerderij volgt aldus dat bij de beantwoording van de vraag of op de verkoper een mededelingsplicht rust, mede van belang kan zijn of hij redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat de koper op het betreffende punt zelf onderzoek zou verrichten. In de context van bestemmingsplannen zijn er auteurs die menen dat op de koper een zelfstandige onderzoeksplicht kan rusten.43.Mijns inziens blijft dit evenwel afhankelijk van de concrete omstandigheden van het voorliggende geval, zoals zojuist geschetst.
4.34
Terzijde merk ik nog op dat uit Woonboerderij ook volgt dat gevolgen van schending van een mededelingsplicht door de verkoper op het punt van schadevergoeding kunnen worden gemitigeerd met toepassing van art. 6:101 BW als de koper ook enig verwijt treft.44.
4.35
Een belangrijke toevoeging op het voorgaande wat betreft het gerechtvaardigde verwachtingspatroon van de koper zijn de aard en inhoud van de koopovereenkomst. In dat verband zijn bepalingen waarin de eigenschappen van de zaak nader worden omschreven of waarin de aansprakelijkheid wordt beperkt relevant. Dergelijke bepalingen kunnen het gerechtvaardigde verwachtingspatroon van de koper mede bepalen en daarmee invloed uitoefenen op de vraag of de verkochte zaak al dan niet non-conform is, maar kunnen ook strekken tot het beperken of uitsluiten van de aansprakelijkheid van de verkoper voor zover de zaak niet voldoet aan de conformiteitseis.45.Zo bezien kan een contractuele bepaling ook strekken tot het “wegcontracteren” van de non-conformiteitsregeling in art. 7:17 BW. Dit laatste is mogelijk, aangezien art. 7:17 BW in gevallen als hier aan de orde (koop van een onroerende zaak) van regelend recht is (vgl. art. 7:6 BW).46.Meer in het bijzonder heeft dan te gelden dat daarmee publiekrechtelijke lasten en beperkingen die niet als bijzonder gelden (in de zin van art. 7:15 lid 1 BW) volledig voor risico van de koper kunnen worden gebracht.47.In dat geval kan de koper in beginsel niet langer onder verwijzing naar een op de verkoper rustende mededelingsplicht met succes een beroep doen op de (beweerdelijke) non-conformiteit van de verkochte zaak. Waartoe een contractuele bepaling strekt is evenwel steeds een kwestie van uitleg.
4.36
Een beroep op een contractuele bepaling die aansprakelijkheid beperkt of uitsluit kan in concrete gevallen beperkt worden door de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW).48.Bij de beoordeling hiervan dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen.49.Art. 6:248 lid 2 BW kan toegepast worden indien de verkoper het gebrek kende maar het niettemin niet meedeelde aan de koper.50.
4.37
Tegen deze achtergrond bezie ik de stellingen in subonderdeel 1.4.
4.38
In r.o. 3.16.3 overweegt het hof – samengevat – dat (i) het bestaan van het in art. 25 van de koopovereenkomst genoemde bouwblok uitgangspunt is voor de verdere beoordeling van de vordering, (ii) een bouwblok en de daaraan verbonden voorwaarden voor eventuele bebouwing vastliggen in voor eenieder kenbare publiekrechtelijke gegevens, namelijk het geldende bestemmingsplan en het daarbij horende landschapsplan en (iii) de voorwaarden voor bebouwing afhankelijk zijn van de op te richten bebouwing zelf en (iv) niet exceptioneel zijn, aangezien deze voorwaarden zien op landschappelijke inpassing in een bestaande situatie. Vervolgens (v) besteedt het hof aandacht aan het bepaalde in art. 6 lid 1 van de koopovereenkomst,51.waarover hierna meer. Op basis van het voorgaande ((i) t/m (v)) overweegt het hof in r.o. 3.16.3, laatste alinea:
“Bijzondere omstandigheden die maken dat in afwijking hiervan niettemin toch een mededelingsplicht zou moeten worden aangenomen zijn verder niet aangevoerd of zijn onvoldoende onderbouwd.”
4.39
Gelet op het hiervoor geschetste kader dat geldt voor de beantwoording van de vraag of op de verkoper in een voorliggend geval een mededelingsplicht rust, heeft het hof met dit oordeel mijns inziens geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft immers bij zijn oordeel de bijzondere omstandigheden van dit geval ((i) t/m (iv)) in ogenschouw genomen. Deze omstandigheden wijzen er inderdaad op dat op [verweerder] geen mededelingsplicht rustte; veeleer wijzen zij richting een onderzoeksplicht voor [de familie] . Ik begrijp het oordeel van het hof voorts zo dat het zich rekenschap heeft gegeven van de overweging in Woonboerderij dat voor de beantwoording van de vraag of op de verkoper een mededelingsplicht rust, ook relevant is of de verkoper er redelijkerwijs van uit mocht gaan of de koper op het betreffende punt zelf nader onderzoek zou verrichten. Zo bezien dicht het hof mijns inziens terecht relevantie toe aan het feit dat het bestemmingsplan en daarbij horende landschapsplan op eenzelfde wijze kenbaar waren voor [de familie] als voor [verweerder] en dat de voorwaarden voor bebouwing, die volgens het hof niet exceptioneel zijn, afhangen van de exacte bebouwingsplannen van de [eiseres] , die [verweerder] onbekend waren. Verder wijs ik erop dat het hof aandacht besteedt aan het bestaan van een bouwblok. Art. 25 van de oorspronkelijke koopovereenkomst bepaalt: “Voor het object is een bouwvergunning voor uitbreiding van de paardenhouderij afgegeven in de vorm van een bouwblok ter grootte van 10.000 m2 (…)”. Het hof wijst er terecht op dat het bestaan van een bouwblok uitgangspunt is voor de verdere beoordeling van de vordering van de [eiseres] . Gelet op het uitdrukkelijk vermelden van de term ‘bouwblok’ had dit [de familie] op het spoor moeten zetten van het consulteren van het openbaar toegankelijke bestemmingsplan, althans zo begrijp ik het oordeel van het hof. Het oordeel van het hof is gelet op het voorgaande mijns inziens ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
4.40
De door de [eiseres] in cassatie aangedragen argumenten brengen mij niet op andere gedachten. Het subonderdeel verwijst naar stellingen die de [eiseres] innam in de gedingstukken in feitelijke instanties.52.Deze komen – samengevat – erop neer dat: (i) [de familie] een bouwblok kreeg met een loodzware last, namelijk de verplichtingen die voortvloeien uit het landschapsplan “ [landschapsplans] ”, (ii) [verweerder] wist van deze loodzware verplichtingen, die (iii) uitzonderlijk en onvoorzienbaar waren. In de overweging van het hof dat de randvoorwaarden voor bebouwing van het bouwblok voor eenieder op dezelfde wijze inzichtelijk waren en verder afhankelijk zijn van de op te richten bebouwing en niet exceptioneel zijn, lees ik terug dat het hof de bijzondere (‘loodzware’) verplichtingen die voortvloeien uit het landschapsplan in ogenschouw heeft genomen en daarbij tevens heeft geoordeeld dat zij niet uitzonderlijk en onvoorzienbaar waren. Onbegrijpelijk acht ik dit oordeel, zoals gezegd, niet.
4.41
Ook de overweging (v) dat ook gelet op art. 6 lid 1 van de koopovereenkomst geen mededelingsplicht rustte op [verweerder] is mijns inziens goed te volgen. Ik begrijp de overweging van het hof zo dat het hof art. 6 lid 1 inderdaad heeft uitgelegd als een contractuele exoneratie waarmee partijen hebben beoogd het reguliere stelsel van art. 7:17 BW in zoverre buiten werking te stellen. Omstandigheden op grond waarvan een dergelijke exoneratie niet opgaat (naar ik begrijp: op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, zoals geschetst onder 4.36 hiervoor), zijn naar het oordeel van het hof niet aangevoerd of onvoldoende onderbouwd. Mijns inziens is deze uitleg van art. 6 lid 1 koopovereenkomst, en het daarmee samenhangende oordeel dat op [verweerder] geen mededelingsplicht rustte, niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.
4.42
Slotsom is dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2
4.43
Onderdeel 2, dat betrekking heeft op het oordeel over de omvang van het bouwblok, is gericht tegen de volgende overwegingen in r.o. 3.16.5:
“De stelling van de [eiseres] is door [verweerder] niet alleen uitdrukkelijk betwist, maar [eiseres] is ter onderbouwing van haar stelling ook niet verder gekomen dan een verwijzing naar een enkel en weinig duidelijk kaartje, waaruit volgens de [eiseres] zou moeten blijken dat de werkelijke oppervlakte van het bouwblok niet meer dan 7.575 m2 zou bedragen (zie met name ook productie 21 bij de conclusie van repliek) maar zonder dat daaruit duidelijk kan worden of haar betoog op dit punt daadwerkelijk hout snijdt, laat staan dat het bewijs is geleverd zoals zij betoogt. Het zou alleszins voor de hand hebben gelegen om in het licht van het verweer van [verweerder] in ieder geval in hoger beroep haar stellingen op dit punt meer gespecificeerd met andere feiten en/of een geverifieerde meting te onderbouwen, maar dat heeft de [eiseres] nagelaten, waarmee zij dus niet aan haar stelplicht heeft voldaan.”
4.44
Volgens het onderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van [eiseres] en het verweer van [verweerder] Ter onderbouwing hiervan verwijst het onderdeel naar de stellingen van beide partijen in de gedingstukken die tevens woordelijk in het middel worden weergegeven.
4.45
Het oordeel of een partij al dan niet voldoet aan de op haar in het gegeven geval rustende stel- en motiveringsplicht is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts in beperkte mate op juistheid worden getoetst.53.In cassatie kan hierover slechts worden geklaagd met betrekking tot de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof.54.De op een procespartij rustende stel- en motiveringsplicht heeft verder een dynamisch karakter. Wat in een concreet geval van een partij kan worden verlangd, hangt af van de ontwikkeling van het partijdebat.55.De rechter dient aldus in ogenschouw te nemen hoe concreet en gedetailleerd de stellingen en betwistingen van partijen over en weer zijn.56.Ook de onderbouwing met bewijsmateriaal kan van belang zijn voor de omvang van de stelplicht en vereiste mate van motivering van de betwisting.57.Bewijslevering komt naar vaste rechtspraak pas in zicht nadat een partij heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht.58.
4.46
Tegen deze achtergrond meen ik dat het onderdeel dient te falen.
4.47
Blijkens de verwijzingen naar de gedingstukken in feitelijke instanties zoals weergegeven in de procesinleiding komen de stellingen van de [eiseres] , voor zover relevant, neer op het volgende:
- Uit het kaartje en de meting in productie 21 bij de conclusie van repliek volgt dat de oppervlakte van het bouwvlak 7.575 m2 bedraagt. Er is dus ca. 25% minder geleverd aan bouwblok dan op grond van de koopovereenkomst verwacht mocht worden.59.
- Het verweer van [verweerder] gaat niet op, omdat hij slechts verwijst naar het rapport van [A] , maar dit bureau is niet gevraagd zelfstandig het bouwblok te meten.60.
- De begrippen “bouwblok” en “bouwvlak” dienen in de context van deze zaak als synoniemen beschouwd te worden, zodanig dat beide begrippen verwijzen naar het deel van het plangebied waarop gebouwd mag worden.61.Hieruit volgt dat het bij het begrip “bouwblok” alleen kan gaan om het in productie 21 bij de conclusie van repliek gemeten bouwvlak.62.
4.48
Het verweer van [verweerder] in feitelijke instanties komt, voor zover relevant, neer op het volgende:
- Het bouwblok omvat ca. 10.000 m2, dit volgt uit de rapporten van [A] en Tritium.63.
- Uit de bij conclusie van repliek gevoegde stukken blijkt niet dat deze betrekking hebben op de afmetingen van het betreffende bouwblok. [verweerder] betwist dat dan ook.64.
- Een bouwblok en een bouwvlak zijn niet hetzelfde. De tekening in productie 21 bij de conclusie van repliek betreft dan ook niet het bouwblok.65.
- Tijdens de zitting bij de rechtbank op 5 maart 2021 heeft de griffier in bijzijn van partijen de oppervlakte van het bouwblok nagemeten, waaruit volgde dat dit meer dan 10.000 m2 bedroeg.66.
- De schets waarop de [eiseres] zich beroept (naar mijn begrip: productie 21 bij de conclusie van repliek) bestrijkt slechts een deel van het bouwblok.67.
4.49
Mijns inziens doen de hierboven weergegeven stellingen van de [eiseres] niet af aan het oordeel van het hof dat zij niet verder komt dan een verwijzing naar een enkel en weinig duidelijk kaartje (m.n. productie 21 bij de conclusie van repliek); méér dan dat droeg zij inderdaad niet aan ter onderbouwing van haar stelling over de oppervlakte van het bouwblok. Of dat kaartje een bouwblok of bouwvlak weergeeft is in zoverre niet relevant; het hof heeft dat ook niet in ogenschouw genomen bij zijn beoordeling. Mede gelet op het verweer van [verweerder] – ik denk in het bijzonder aan de betwisting dat het kaartje in productie 21 daadwerkelijk het litigieuze oppervlak betreft en de meting die kennelijk plaatsvond tijdens de zitting bij de rechtbank – vind ik het oordeel van het hof dat de [eiseres] in zoverre niet aan haar stelplicht heeft voldaan niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft kunnen oordelen dat, gelet op dat verweer, van de [eiseres] meer had kunnen worden verwacht ter nadere onderbouwing van haar stelling.
4.50
Slotsom is dat onderdeel 2 faalt.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑11‑2023
De door het hof geciteerde passages over bodemverontreiniging zijn hier weggelaten.
Rb. Limburg 9 juni 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:4766.
Hof ’s-Hertogenbosch 25 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3696.
P. 6-11 van de procesinleiding.
T.M. Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14 1991, p. 113. Zie hierover ook: H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021/385; B. Wessels, Koop: algemeen (Mon. BW nr. B65a), Deventer: Wolters Kluwer 2015/32.
Asser/Hijma 7-I 2019/412; A.G. Castermans & H.B. Krans, T&C BW, art. 7:15 BW, aant. 3.a (bijgewerkt t/m 10 oktober 2023).
Zie bijv. Asser/Hijma 7-I 2019/415 e.v.; M.M. van Rossum, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:15 BW, aant. 6 (bijgewerkt t/m 22 februari 2023).
Asser/Hijma 7-I 2019/416, met verdere verwijzingen.
HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9072, NJ 2004/635, m.nt. W.M. Kleijn (…] / [….).
HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9072, NJ 2004/635, m.nt. W.M. Kleijn, r.o. 3.3 (…] / [….). Zie hierover ook Asser/Hijma 7-I 2019/413 e.v.
HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159, NJ 2016/76, m.nt. J. Hijma (Portsight).
HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2885, NJ 2018/223, m.nt. J. Hijma (Woonboerderij).
HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2885, NJ 2018/223, m.nt. J. Hijma (Woonboerderij), r.o. 3.3.
Zie p. 8 van de procesinleiding, laatste alinea.
De procesinleiding verwijst in dit verband naar: T.M., Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 113.
Zie onder “uitbreiding & toelichting”, p. 8-9.
HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159, NJ 2016/76, m.nt. J. Hijma (Portsight), r.o. 3.6.4.
Een onderzoek op www.ruimtelijkeplannen.nl wees overigens uit dat er momenteel 13 bestemmingsplannen in Nederland zijn met “paardenhouderij” in de titel. In alle gevallen lijkt dit – althans op het eerste oog – bestemmingsplannen te betreffen die in het bijzonder zijn opgesteld voor de paardenhouderij die op dat specifieke perceel gevestigd is.
Zie hierover: T.H.H.A. van der Schoot, Handboek ruimtelijke ordening en bouw. Op weg naar het omgevingsrecht, Amsterdam: Berghauser Pont Publishing 2017/4.2.1 en 4.2.9.2; S. van Velsen & F. Arents, Praktijkboek bestemmingsplannen en procedures, Den Haag: Sdu Uitgevers 2010, p. 70-72; M.N. Boeve & F.A.G. Groothuijse, Omgevingsrecht, Amsterdam: Europa Law Publishing 2019, p. 243.
M.N. Boeve & F.A.G. Groothuijse, Omgevingsrecht, Amsterdam: Europa Law Publishing 2019, p. 244.
Zie hierover de conclusie van plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense (ECLI:NL:PHR:2014:1808, onder 13) voor HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159, NJ 2016/76, m.nt. J. Hijma (Portsight); H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021/385.
Zie onder meer H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021/393b-394; M.M. van Rossum, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:15 BW, aant. 2 (bijgewerkt t/m 22 februari 2023); J. Hijma in zijn annotatie onder Portsight, NJ 2016/76, onder 10-11; Asser/Hijma 7-I 2019/413-414; W.G. Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken (Mon. Pr. nr. 9), Deventer: Wolters Kluwer 2022/18a; W.G. Huijgen, ‘Toepassingsbereik van artikel 7:15 BW beperkt’, JBN 2015/24, onder III; A.G. Castermans & H.B. Krans, T&C BW, art. 7:15 BW (bijgewerkt t/m 10 oktober 2023); J.J. Smeenge, ‘Hoe bijzonder is bijzonder? De Hoge Raad beperkte de reikwijdte van art. 7:15 BW waar het publiekrechtelijke beperkingen betreft’, MvV 2015/12.4, par. 7; M.M. van Rossum & T.H.G. van Paffen, ‘Recente ontwikkelingen ten aanzien van publiekrechtelijke beperkingen’, WPNR 2015/7086, p. 1032; J.J. Dammingh, annotatie onder Portsight, TBR 2015/119, onder 23 e.v.; H.W. Heyman, annotatie onder Portsight, JOR 2015/126, onder 6 e.v.; E.E. van der Kamp, annotatie onder Portsight, JIN 2015/110, onder 9.
HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159, NJ 2016/76, m.nt. J. Hijma (Portsight), r.o. 3.6.2.
Conclusie van plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense (ECLI:NL:PHR:2014:1808, onder 13) voor HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159, NJ 2016/76, m.nt. J. Hijma (Portsight).
Zie onder meer hof Den Haag 3 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:686, r.o. 6.8 e.v.; hof Arnhem-Leeuwarden 13 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3569, r.o. 2.12-2.13; hof ’s-Hertogenbosch 23 maart 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:878, r.o. 3.13; rb. Limburg 26 april 2023; ECLI:NL:RBLIM:2023:3042, r.o. 4.3-4.4; rb. Rotterdam 21 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2318, r.o. 4.2.
Zoals het middel ook stelt in voetnoot 22: sinds 1 januari 2010 zijn overheden verplicht om ruimtelijke plannen digitaal beschikbaar te stellen aan het publiek.
HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159, NJ 2016/76, m.nt. J. Hijma (Portsight), r.o. 3.6.4, laatste alinea.
HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159, NJ 2016/76, m.nt. J. Hijma (Portsight), r.o. 3.6.5.
HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2885, NJ 2018/223, m.nt. J. Hijma (Woonboerderij), r.o. 3.4.
Asser/Sieburgh 6-III 2018/231; Asser/Hijma 7-I 2019/497; H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021/325; de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2016:1004, onder 2.10) voor HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2885, NJ 2018/223, m.nt. J. Hijma (Woonboerderij).
Asser/Hijma 7-I 2019/488; H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021/325; W.G. Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken (Mon. Pr. nr. 9), Deventer: Wolters Kluwer 2022/22b; A.G. Castermans & H.B. Krans, T&C BW, art. 7:15 BW, aant. 3.a (bijgewerkt t/m 10 oktober 2023).
Asser/Hijma 7-I 2019/339 en 488; conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2014:2118, onder 3.2) voor HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:180, RvdW 2015/228.
Zie hierover uitvoerig: Asser/Hijma 7-I 2019/339 en H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021/325-326 en 334. Zie voorts: A.G. Castermans & H.B. Krans, T&C BW, art. 7:15 BW, aant. 3.a (bijgewerkt t/m 10 oktober 2023). Zie ook de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2022:537, onder 4.13), voor HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1870, NJ 2023/16.
Zie hierover ook H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021/329a.
HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3424, NJ 2017/35, m.nt. J. Hijma (Inbev), r.o. 4.2.2; Asser/Hijma 7-I 2019/339; H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021/334; conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2014:2118, onder 3.2) voor HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:180, RvdW 2015/228.
HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2885, NJ 2018/223, m.nt. J. Hijma, r.o. 3.5.2 (Woonboerderij), r.o. 3.4, vierde alinea.
M.M. van Rossum, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:15 BW, aant. 2 (bijgewerkt t/m 22 februari 2023); W.G. Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken (Mon. Pr. nr. 9), Deventer: Wolters Kluwer 2022/18a; W.G. Huijgen, ‘Mededelingsplicht uit hoofde van artikel 7:15 BW geldt niet langer ter zake van een bestemmingsplan’, JBN 2017/28, onder 3; W.G. Huijgen, ‘Toepassingsbereik van artikel 7:15 BW beperkt’, JBN 2015/24, onder III. Minder eenduidig: J.J. Dammingh, annotatie onder het arrest Portsight, in TBR 2015/119, onder 27.
HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2885, NJ 2018/223, m.nt. J. Hijma, r.o. 3.5.2 (Woonboerderij), r.o. 3.5.2, laatste volzin.
Vgl. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:913, onder 4.21) voor HR 27 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:99, RvdW 2023/166).
HR 25 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5383, r.o. 3.5.3. Zie ook: H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021/304; R.P.J.L. Tjittes, Commercieel Contractenrecht, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 499; W.G. Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken (Mon. Pr. nr. 9), Deventer: Wolters Kluwer 2022/22d.
Zie hierover ook: H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021/329d en J.J. Dammingh, ‘De recente wijzigingen van de NVM-koopakte’, in WPNR 2018/7219, onder 4.
Zie hierover ook: W.G. Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken (Mon. Pr. nr. 9), Deventer: Wolters Kluwer 2022/22d; Asser/Sieburgh 6-I 2020/364 en 368.
HR 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5783, NJ 2000/412, r.o. 3.4. Vgl. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:901, onder 4.5) voor HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1925. Zie ook: W.G. Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken (Mon. Pr. nr. 9), Deventer: Wolters Kluwer 2022/22d; H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021/356a.
HR 25 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5383, JOR 2005/168, m.nt. J.J. Dammingh, r.o. 3.7.4. Zie hierover meer uitgebreid: H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom juridisch 2021/356a.
“De onroerende zaak zal aan koper worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van de koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen ‘bijzondere lasten’ zijn.”
Subonderdeel 1.4 verwijst in dit verband naar de vindplaatsen vermeld in de voetnoten bij subonderdeel 1.1.
Zie hierover bijv. B.T.M. van der Wiel, ‘Het cassatiemiddel’, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019/120; de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2021:929, onder 3.7) voor HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:161; de conclusie van A-G Huydecoper (ECLI:NL:PHR:2006:AU9729, onder 7 e.v.) voor HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9729, JBPr 2006/77.
Zie bijv. HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:161, RvdW 2022/217, JIN 2022/ 49 , m.nt. W.A. Braams, r.o. 3.3; HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5620, NJ 2012/112, r.o. 3.5.
Asser Procesrecht/Asser 3 2023/219, 224; B.T.M. van der Wiel, ‘Uitgangspunt van bewijsrecht: Art. 149 Rv’, in: H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Antwerpen/Apeldoorn: Maklu Uitgevers 2020, p. 51, 54-57; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/94; A.C. van Schaick, ‘Het dynamische verband tussen stelplicht en bewijsaanbod’, in NTBR 2012/17; de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2020:453) voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, JBPr 2020/76, m.nt. H.W. Wiersma, onder 3.6-3.8; B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2004/250; V. van den Brink, ‘Stellen, betwisten, bewijzen – een handleiding’, TvPP 2008/4, p. 92; H.J. Snijders (red.), C.J.M. Klaassen, H.B. Krans & G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022/206 en, gericht op het bevrijdende verweer: H.W.B. Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren. Een onderzoek naar het onderscheid tussen een grondslagverweer en een bevrijdend verweer en de consequenties van dit onderscheid voor de civiele procedure (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. XXII), Deventer: Wolters Kluwer 2023/165, 189.
Zie hierover o.m. B.T.M. van der Wiel, ‘Uitgangspunt van bewijsrecht: Art. 149 Rv’, in: H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Antwerpen/Apeldoorn: Maklu Uitgevers 2020, p. 55-56; M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom juridisch 2020/11.7.1; de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2020:453, onder 3.3-3.8), voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, JBPr 2020/76, m.nt. H.W. Wiersma.
O.a. HR 14 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK4841, NJ 2005/269, m.nt. W.D.H. Asser onder NJ 2005/270, r.o. 3.5.2, 3.5.3; A.M. van Aerde, ‘Bewijsaanbod’, in: H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Antwerpen/Apeldoorn: Maklu Uitgevers 2020, p. 271; J. Ekelmans, In eerste aanleg. De grenzen van het debat voor de civiele rechter in eerste aanleg, Deventer: Wolters Kluwer 2015/23.
Zie hierover o.m. Asser Procesrecht/Asser 3 2023/219; G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken (BPP nr. 15), Deventer: Wolters Kluwer 2015/62; F.J.P. Lock, annotatie onder HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047, JBPr 2016/65, onder 4; HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8641, r.o. 5.3.
Randnummers 5.4 van de conclusie van repliek en 25 van de memorie van grieven. Zie ook: proces-verbaal van de comparitie bij de rechtbank van 5 maart 2021, p. 3.
Randnummer 26 van de memorie van grieven.
Randnummer 27 van de memorie van grieven.
Dit maak ik in het bijzonder op uit de stellingen in cassatie: p. 16 van de procesinleiding en p. 3 van de repliek.
Randnummers 6.12 van de conclusie van dupliek en 6.9 van de memorie van antwoord.
Randnummers 6.12 van de conclusie van dupliek.
Proces-verbaal van de comparitie bij de rechtbank van 5 maart 2021, p. 3.
Randnummer 6.10 van de memorie van antwoord.
Randnummer 6.10 van de memorie van antwoord.
Beroepschrift 25‑01‑2023
PROCESINLEIDING
VORDERINGSPROCEDURE IN CASSATIE (art. 407 Rv)
Partijen
Eisers
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Groep A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], te dezer zake woonplaats kiezende te Den Haag aan het Prinses Margrietplantsoen 33 (WTC The Hague Business Center) ten kantore van Rijpma Cassatie & Litigation, van wie de advocaat bij de Hoge Raad mr. D. Rijpma als zodanig voor eiseres tot cassatie optreedt en namens haar deze procesinleiding ondertekent en indient.
Verweerders
- 1.
[verkoper 1]; en
- 2.
[verkoper 2];
beiden wonende te [woonplaats], in vorige instantie laatstelijk woonplaats gekozen hebbende te (6199AE) Maastricht-Airport aan de Amerikalaan 1, ten kantore van de advocaat mr. A.J.L.J. Pfeil, (LexQuire Tax & Law LLP).
Definities
Eiseres van cassatie: ‘[Groep A]’;
Verweerders in cassatie gezamenlijk ook: ‘[de verkopers] c.s.’.
Cassatieberoep
[Groep A] stelt bij dezen beroep in cassatie in tegen het arrest van 25 oktober 2022 in de zaak met zaaknummer 200.302.827/01, gewezen door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch tussen [Groep A] enerzijds, en [de verkopers] c.s. anderzijds.
Bevoegde rechter
De Hoge Raad der Nederlanden, gevestigd te (2511 EK) Den Haag aan het Korte Voorhout 8, is de bevoegde rechter die kennisneemt van het cassatieberoep.
Verschijnen verweerders
Verweerders kunnen, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, ten laatste als verweerder in cassatie verschijnen op woensdag 1 maart 2023. De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur.
Middel van cassatie
Schending van het recht, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het hof heeft overwogen en beslist als vermeld in het arrest waarvan beroep, ten onrechte, om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen.
1. De mededelingsplicht omtrent het bouwblok
In rov. 3.16.3 verwerpt het hof de eerste grief van [Groep A] voor zover die betrekking heeft op:
‘de vraag of [de verkopers] c.s. hun mededelingsplicht hebben geschonden met betrekking tot de voorwaarden waaraan voldaan moest worden bij een (aan te vragen) omgevingsvergunning (ook wel bouwvergunning genoemd).’1.
Het hof motiveert zijn desbetreffende oordeel als volgt:
‘Een bouwblok en de voorwaarden voor een eventuele bebouwing daarvan liggen vast in voor eenieder kenbare publiekrechtelijke gegevens, zoals in dit geval het in 2013 gewijzigde bestemmingsplan Paardenhouderij [a-straat 01] [a-plaats] en het daarbij behorende Landschapsplan. Hierin is tot in detail vastgelegd onder welke randvoorwaarden er op die plaats in het bouwblok kan en mag worden gebouwd. Niet goed valt in te zien waarom [de verkopers] c.s. met recht kan worden verweten dat zij deze eventuele randvoorwaarden (die ook nog afhankelijk zijn van de op te richten bebouwing en die naar het oordeel van het hof ook niet exceptioneel zijn namelijk landschappelijke inpassing, dus in een bestaande situatie) niet aan de familie [Groep A] hebben medegedeeld. Evenmin valt in te zien waarom in dit verband geen betekenis zou kunnen toegekend aan hetgeen bepaald staat in art. 6 lid 1 van de oorspronkelijke koopovereenkomst tussen [de verkopers] c.s. en de familie [Groep A] te weten dat ‘de onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van de koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen ‘bijzondere lasten’ zijn. (…).’ Bijzondere omstandigheden die maken dat in afwijking hiervan niettemin toch een mededelingsplicht zou moeten worden aangenomen zijn verder niet aangevoerd of zijn onvoldoende onderbouwd.’
's Hofs oordeel te dezen geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting en/of is niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd, nu het hof heeft verzuimd art. 7:15 BW toe te passen, althans (kenbaar) in zijn oordeel te betrekken.
1.1
's Hofs oordeel geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting aangaande art. 7:15 BW, omdat het bestemmingsplan ‘Paardenhouderij [a-straat 01], [a-plaats]’ — anders dan over het algemeen het geval is bij bestemmingsplannen — een ‘bijzondere’ pubiekrechtelijke last of beperking oplevert als bedoeld in HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159 (Portsight), NJ 2016/76 (nt. J. Hijma).2. Het gaat hier immers om een publiekrechtelijke last of beperking die de verkochte zaak ([a-straat 01]) in het bijzonder betreft.3. Voor zover van belang moet er voorts (althans in cassatie) van worden uitgegaan dat [de verkopers] c.s. van die last of beperking op de hoogte was.4. Heeft het hof het voorgaande niet miskend, dan is zijn oordeel zonder nadere motivering niet (voldoende) begrijpelijk, nu [Groep A] in § 21 e.v. van de memorie van grieven, onder verwijzing naar de §§ 5.1 t/m 5.3,5. heeft aangevoerd dat de familie [Groep A] een bouwblok kreeg met een loodzware last,6. namelijk met de verplichtingen voortvloeiend uit het ‘Defintief Natuur en landschappelijk integratie- en inrichtingsplan ten behoeve van ‘[b-plaats]’’;7./8. dat [de verkopers] c.s. zich bewust was van deze loodzware verplichtingen;9. en dat het hier om een uitzonderlijke en onvoorzienbare last gaat.10. Gelet op art. 7:15 BW is met name/in ieder geval onjuist of onbegrijpelijk dat het hof niet heeft vastgesteld dat, noch heeft onderzocht of deze door [Groep A] gestelde omstandigheden al dan niet kwalificeren als ‘bijzondere lasten’ in de zin van art. 6 lid 1 van de oospronkelijke koopovereenkomst, of als bijzondere omstandigheden die maken dat een mededelingsplicht van [de verkopers] c.s. zou moeten worden aangenomen.
1.2
Dat het hof heeft verzuimd art. 7:15 BW toe te passen, althans (kenbaar) in zijn oordeel te betrekken, geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting omtrent de rechtsstrijd van partijen in hoger beroep en/of maakt dat 's hofs oordeel niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd. Zoals gezegd, heeft [Groep A] aangevoerd dat de familie [Groep A] een bouwblok kreeg met een loodzware last, namelijk met de verplichtingen voortvloeiend uit het integratie- en inrichtingsplan; dat [verkoper 1] zich bewust was van deze loodzware verplichtingen; en dat het hier om een uitzonderlijke en onvoorzienbare last gaat.11. Bij die stand van zaken is het onbegrijpelijk dat het hof grief I niet heeft opgevat als mede betreffende een beroep op art. 7:15 BW en/of heeft het hof miskend dat de rechtsstrijd van partijen in hoger beroep mede betrekking had op art. 7:15 BW.
1.3
Indien zou moeten worden aangenomen dat grief I niet mede een beroep op art. 7:15 BW betrof, dan geeft 's hofs oordeel niettemin blijk van een verkeerde rechtsopvatting, omdat het hof in dat geval, gegeven de feitelijke grondslag van (de vordering die ten grondslag ligt aan) grief I,12. met toepassing van art. 25 Rv ambtshalve de rechtsgronden diende aan te vullen en dus art. 7:15 BW diende toe te passen, althans diende te onderzoeken of art. 7:15 BW voor toepassing in aanmerking kwam. In ieder geval heeft het hof miskend dat de (vraag naar) de toepasselijkheid van art. 7:15 BW binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep viel. Heeft het hof het voorgaande niet miskend, dan is zijn oordeel zonder nadere motivering op dit punt niet voldoende begrijpelijk.
1.4
Indien zou moeten worden aangenomen dat de onderhavige publiekrechtelijke last of beperking niet binnen de grenzen van art. 7:15 lid 1 BW valt, geeft 's hofs oordeel niettemin blijk van een verkeerde rechtsopvatting omtrent art. 7:17 BW, omdat het hof in dat geval, gegeven de feitelijke grondslag van (de vordering die ten grondslag ligt aan) grief I,13. een strengere maatstaf hanteert dan uit art. 7:17 BW voortvloeit. In dit geval is immers geen andere conclusie mogelijk dan dat het gaat om een feitelijk zo bijzondere last, waarvan bovendien vaststaat dat [de verkopers] c.s. daarvan op de hoogte was, dat spreken voor [de verkopers] c.s. plicht was, en [de verkopers] c.s. [Groep A] niet kunnen tegenwerpen dat de familie [Groep A] haar onderzoeksplicht heeft verzaakt en dat de aansprakelijkheid van [de verkopers] c.s. is weggecontracteerd.
In ieder geval is onder de omstandigheden van dit geval onbegrijpelijk 's hofs oordeel dat niet valt in te zien waarom [de verkopers] c.s. met recht kan worden verweten dat zij deze eventuele randvoorwaarden niet aan de familie [Groep A] hebben medegedeeld en/of waarom in dit verband geen betekenis zou kunnen toegekend aan hetgeen bepaald staat in art. 6 lid 1 van de oorspronkelijke koopovereenkomst tussen [de verkopers] c.s. en de familie [Groep A], en/of dat bijzondere omstandigheden die maken dat een mededelingsplicht zou moeten worden aangenomen niet zijn aangevoerd of onvoldoende zijn onderbouwd. Voor het pregnante karakter van de omstandigheden van het onderhavige geval zij verwezen naar de voorgaande onderdelen en de daarbij in de voetnoten vermelde vindplaatsen.
Uitbreiding & toelichting
In HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159 (Portsight), NJ 2016/76 (nt. J. Hijma) overwoog de Hoge Raad over de problematiek van art. 7:15 lid 1 BW het volgende:
‘3.6.1
Art. 7:15 lid 1 BW bepaalt, voor zover thans van belang, dat de verkoper verplicht is de verkochte zaak in eigendom over te dragen vrij van alle bijzondere lasten en beperkingen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het alleen om ‘de lasten en beperkingen die de verkochte zaak in het bijzonder betreffen, en niet die welke drukken op alle zaken van dezelfde soort, zoals belastingen en retributies’ (T.M., Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 113). Zoals is beslist in HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9072, NJ 2004/635 ([naam 1]/[naam 2]), staat aan toepassing van art. 7:15 BW niet in de weg dat het gaat om een last of beperking met een publiekrechtelijk karakter, en is voor het antwoord op de vraag of deze bepaling van toepassing is, slechts bepalend of de lasten op de desbetreffende zaak in het bijzonder rusten.
3.6.2
In zojuist genoemd arrest is voor de bevestigende beantwoording van de vraag of de daarin aan de orde zijnde ruilverkavelingslasten een ‘bijzondere’ last of beperking vormen als bedoeld in art. 7:15 lid 1 BW, in aanmerking genomen ‘dat niet op alle agrarische percelen in Nederland ruilverkavelingslasten rusten’, en is voorts overwogen:
‘De omstandigheid dat de ruilverkavelingslasten mede rusten op andere percelen die in één en dezelfde ruilverkaveling zijn begrepen, brengt niet mee dat die lasten niet als bijzonder zijn aan te merken.’
In de literatuur is kritiek geuit op de aldus geformuleerde maatstaf om te bepalen of sprake is van een ‘bijzondere’ last of beperking, omdat deze formulering te ruim en onbepaald zou zijn en onwenselijke gevolgen kan hebben (zie de literatuur vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 12 en 13, alsmede de rechtspraak aldaar weergegeven onder 15). De Hoge Raad ziet mede hierin aanleiding tot heroverweging van de in genoemd arrest gegeven invulling van het vereiste dat het moet gaan om een ‘bijzondere’ last of beperking.
3.6.3
Bij deze heroverweging wordt in aanmerking genomen dat het bij lasten en beperkingen die privaatrechtelijk van karakter zijn (bijvoorbeeld een beperkt recht, een beslag of een kwalitatief recht), steeds gaat om een last of beperking die specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Er bestaat geen goede grond om bij lasten en beperkingen van publiekrechtelijke aard van een wezenlijk ruimere invulling uit te gaan. Dat stemt ook overeen met de hiervoor in 3.6.1 geciteerde zinsnede uit de T.M. (‘lasten en beperkingen die de verkochte zaak in het bijzonder betreffen’). Kennelijk bestaat naar het oordeel van de wetgever slechts voldoende rechtvaardiging om de verkoper te belasten met de in art. 7:15 BW bedoelde verplichtingen, indien de lasten of beperkingen de verkochte zaak in het bijzonder betreffen. In de regel kan immers ervan worden uitgegaan dat de verkoper (beter dan de koper) op de hoogte is van specifiek op de door hem verkochte zaak betrekking hebbende lasten en beperkingen. Publiekrechtelijke lasten of beperkingen die niet specifiek op de verkochte zaak betrekking hebben, zullen daarentegen niet in de regel beter kenbaar zijn voor de verkoper dan voor de koper.
Om deze redenen bestaat geen goede grond art. 7:15 lid 1 BW ook van toepassing te achten indien de lasten of beperkingen voortvloeien uit publiekrechtelijke besluiten van algemene strekking, zoals beleidsregels, verordeningen of bestemmingsplannen.
3.6.4
Gelet op het voorgaande, en voorts met het oog op de rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van art. 7:15 lid 1 BW, moet daarom aangenomen worden dat slechts sprake is van een ‘bijzondere’ publiekrechtelijke last of beperking, indien deze haar grondslag vindt in een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit. In zoverre wordt derhalve teruggekomen van de in het arrest [naam 1]/[naam 2] geformuleerde maatstaf. Het is redelijk de verkoper te belasten met de in verband hiermee door art. 7:15 BW op hem gelegde risico's, nu dergelijke besluiten ingevolge art. 3:41 Awb in beginsel door toezending of uitreiking aan de belanghebbende zelf (de rechthebbende van de desbetreffende zaak) bekendgemaakt dienen te worden; deze kan dus bij verkoop van de zaak geacht worden op de hoogte te zijn van de uit dat besluit voortvloeiende lasten en beperkingen, terwijl de koper daarmee doorgaans niet (zonder meer) bekend zal zijn. Overigens verdient opmerking dat ook de in het arrest [naam 1]/[naam 2] aan de orde zijnde ruilverkavelingslasten onder deze specifieke maatstaf zouden zijn gevallen. Ingevolge de destijds geldende Landinrichtingswet werd immers, naar gelang het nut dat het desbetreffende kavel van de ruilverkaveling heeft gehad, per kavel vastgesteld of en tot welk bedrag de desbetreffende rechthebbende diende bij te dragen in de ruilverkavelingslasten. Zulks werd (mede) aan de rechthebbende zelf bekendgemaakt door individuele kennisgeving van de terinzagelegging van de lijst der geldelijke regelingen.
3.6.5
Opmerking verdient nog dat de koper met betrekking tot voor de zaak geldende publiekrechte- lijke lasten en beperkingen die niet binnen de aldus getrokken grenzen van art. 7:15 lid 1 BW vallen, in voorkomend geval wel de mogelijkheid ten dienste staat om de verkoper op grond van dwaling (art. 6:228 BW) of non-conformiteit (art. 7:17 BW) aan te spreken.’
In rov. 3.3 van HR 16 december 2016 (Woonboerderij), ECLI:NL:HR:2016:2884 & 2885, RCR 2017/22 & NJ 2018/223 (nt. J. Hijma) overwoog de Hoge Raad vervolgens in verband met een bestemmingsplan als volgt:
‘De agrarische bestemming van de woning volgt uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Van een ‘bijzondere’ publiekrechtelijke last of beperking in de zin van art. 7:15 BW is echter alleen sprake indien deze haar grondslag vindt in een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit (zie HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159, NJ 2016/76, waarin de Hoge Raad gedeeltelijk is teruggekomen van HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9072, NJ 2004/635).’
Tegen onderdeel 1 zou dus kunnen worden ingebracht dat in casu géén sprake is van een verplichting die haar grondslag vindt in een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit, omdat het hier gaat om een bestemmingsplan. Toch zou dat in dit geval onjuist zijn. Het gaat hier immers om een bestemmingsplan (het bestemmingsplan ‘Paardenhouderij [a-straat 01], [a-plaats]’) met een bijbehorend integratie- en inrichtingsplan (‘Defintief Natuur en landschappelijk integratie- en inrichtingsplan ten behoeve van ‘[b-plaats]’’) dat specifiek op verzoek van [de verkopers] c.s. en specifiek voor het verkochte is opgesteld.14. De vaststelling van dat bestemmingsplan door de gemeenteraad van [a-plaats] op 11 december 201315. heeft (wellicht) formeel niet te gelden als een een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit, dat ingevolge art. 3:41 Awb (in beginsel) door toezending of uitreiking aan de belanghebbende zelf (de rechthebbende van de desbetreffende zaak) bekendgemaakt diende te worden, maar materieel is van zo'n besluit in dit geval natuurlijk wél sprake. Het bestemmingsplan c.a. is immers specifiek op verzoek van [de verkopers] c.s. en specifiek voor het verkochte opgesteld, en voor [de verkopers] c.s. geldt dus evengoed dat ervan kan worden uitgegaan dat [de verkopers] c.s. als verkoper (beter dan [Groep A] als koper) op de hoogte was van deze specifiek op de door hem verkochte zaak betrekking hebbende lasten en beperkingen. Dat art. 7:15 lid 1 BW ook in een geval als het onderhavige, althans in dit geval van toepassing is, stemt óók overeen met de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling: het gaat ook hier om ‘lasten en beperkingen die de verkochte zaak in het bijzonder betreffen’.16.
Onderzoek van bruikbare rechtspraak en literatuur specifiek op dit punt leverde alleen de annotatie van Hijma in de Nederlandse Jurisprudentie onder het Portsight-arrest uit 2015 op. Hijma schrijft daar, voor zover hier van belang, het volgende:
- ‘7.
In de loop van het betoog verschuift het blikveld enigszins: de Hoge Raad vertrekt bij ‘specifiek op de zaak betrekking hebbend’ (r.o. 3.6.3), en eindigt met ‘specifiek tot de rechthebbende gericht’ (r.o. 3.6.4). Deze invalshoeken zijn verwant, maar niet identiek; zij hebben respectievelijk op een object (de verkochte zaak) en een subject (de verkoper) betrekking. Gezien de wettekst (‘bijzondere’), de door de Hoge Raad gememoreerde parlementaire geschiedenis (‘die de verkochte zaak in het bijzonder betreffen’) en de wijze waarop het arrest is opgebouwd (r.o. 3.6.3 lijkt de kern te bevatten), komt het mij voor dat de eerste invalshoek — betrokken-zijn op deze zaak — per saldo bepalend is.
Aldus bezien heeft de tweede invalshoek — gericht-zijn tot de eigenaar — de status van een hulpcriterium, dat alleszins nuttig is ter concretisering, maar niet uit eigen kracht de koers aanduidt. Hierover nader par. 11.
- 8.
Een belangrijke groep publiekrechtelijke lasten en beperkingen die de Hoge Raad buiten de poorten van art. 7:15 BW situeert, is die welke hun grondslag vinden in besluiten van algemene strekking, zoals in beleidsregels, verordeningen of bestemmingsplannen. De Raad geeft dit met zoveel woorden aan (r.o. 3.6.3 slot). De ecartering van de besluiten van algemene strekking draagt een categorisch karakter. Ook als de verkoper van de last of beperking op de hoogte was, blijft art. 7:15 BW dus buiten beeld (deze kennis kan wel van gewicht zijn binnen art. 6:228 of 7:17 BW, par. 13–15).
- 9.
(…)
- 10.
Tegenover de besluiten van algemene strekking (par. 8) staat in het publieke recht een grote, bonte, groep van niet-algemene besluiten (beschikkingen). Het leeuwendeel daarvan behoort tot de individuele (ofwel persoonsgerichte) beschikkingen; zij zijn tot één of meer bepaalde personen gericht. Het bereik dat de Hoge Raad voor art. 7:15 BW op het oog heeft, omvat in ieder geval deze individuele beschikkingen.
De Raad spreekt van ‘een specifiek (mede) tot (een rechtsvoorganger van) de rechthebbende van de desbetreffende zaak gericht besluit’ (r.o. 3.6.4). Idealiter gaat het om een besluit dat tot de thans verkopende eigenaar was gericht. Maar noodzakelijk is dat niet: gerichtheid tot de vorige verkoper, of tot een nog eerdere schakel, komt eveneens in aanmerking. De vraag of de wetenschap van de voorschakel feitelijk de uiteindelijke verkoper heeft bereikt, is niet van gewicht; art. 7:15 BW belast laatstgenoemde in zoverre met een risico. Met de toedeling van dit — niet al te omvangrijke — risico heb ik geen moeite.
Het tussengevoegde ‘(mede)’ versoepelt het voorafgaande woord ‘specifiek’ enigszins; het eventuele gegeven dat het besluit ook tot één of meer anderen was gericht, staat op zichzelf niet aan de toepassing van art. 7:15 BW in de weg.
- 11.
Naast deze individuele beschikkingen (par. 10) kent het publieke recht de concrete (ofwel zaaksgerichte) beschikkingen, die tot een onbepaalde groep personen zijn gericht, maar geen besluiten van algemene strekking zijn omdat hun concrete natuur domineert. Zie Barkhuysen e.a., Bestuursrecht in het Awb-tijdperk, Deventer 2014, nr. 5.3.2; Schlössels e.a., Kern van het bestuursrecht, Den Haag 2013, nr. 4.4.4; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2014, nr. 6.34-40. Als voorbeeld van deze rubriek geldt de aanwijzing van een pand als rijksmonument (Monumentenwet). Het is aan iedereen — dus niet alleen aan de eigenaar — verboden zo'n monument aan te tasten (zie art. 2.1 Wabo). Het aanwijzingsbesluit is gericht tot eenieder en is in zoverre van algemene aard. Omdat het onderwerp zeer concreet is (één pand), is niettemin sprake van een beschikking. De bekendmaking loopt hier niet via de rechthebbende (art. 3:41 Awb), maar via een algemene kennisgeving (art. 3:42 Awb). Zie Van Wijk/ Konijnenbelt & Van Male 2014, nr. 6.38; Koetser & Pront-van Bommel, Inleiding bestuursrecht voor de notariële praktijk, Deventer 2009, nr. 3.3.2.3, 5.9.2.4.
De vraag of ook dit tweede type beschikkingen onder art. 7:15 BW valt, is nog niet zo eenvoudig te beantwoorden. Er zijn aanwijzingen in beide richtingen: enerzijds heeft de belemmering wél specifiek op deze zaak betrekking (r.o. 3.6.3), anderzijds vindt zij niet haar grondslag in een specifiek tot de rechthebbende gericht besluit (r.o. 3.6.4). Doordat de Hoge Raad in laatstbedoeld kader het woord ‘slechts’ hanteert, lijkt de tweede constatering beslissend. Zoals gezegd zou ik menen dat aan de eerste constatering het primaat toekomt (par. 7). Het doet in dit soort gevallen ook onnatuurlijk aan om uitsluitend op het adressaat van het besluit af te stemmen. Dat óók derden betrokken (kunnen) zijn, is voor (de gedachte van) art. 7:15 BW niet per se fnuikend, nu de eigenaar eenduidig de kernbetrokkene is en in die rol geacht mag worden met het besluit op de hoogte te zijn. Ik geraak dus tot de slotsom, dat ook de rubriek van de concrete beschikkingen binnen art. 7:15 BW haar plaats heeft. Zie ook par. 12.
- 12.
Het arrest rondt af met een trio overwegingen ten overvloede (par. 12–16).
Aan het slot van r.o. 3.6.4 komt de Hoge Raad terug op ruilverkavelingslasten zoals ter tafel in [naam 1]/[naam 2]. Deze zouden, aldus de Raad, ook in de nieuwe optiek onder art. 7:15 BW zijn gevallen. De redengeving (vaststelling per kavel, bekendmaking aan rechthebbenden door individuele kennisgeving van terinzagelegging) sluit m.i. niet goed aan bij de voorafgaande alinea, waarin het college overweegt dat alleen specifiek tot de rechthebbende gerichte besluiten in aanmerking komen. De kennisgeving van terinzagelegging is een feitelijke handeling; zij is weliswaar tot de eigenaar gericht, maar mist het karakter van een besluit. Veeleer lijkt het mij zo te zijn, dat de vaststelling van de lasten voor een bepaald kavel een concrete beschikking oplevert zoals bedoeld in par. 11. Aldus bezien geeft de besproken passage voeding aan de inschatting dat ook de rubriek van de concrete beschikkingen door art. 7:15 BW wordt beheerst.’
De noot van Hijma maakt duidelijk dat met HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:159 (Portsight), NJ 2016/76 (nt. J. Hijma) en met HR 16 december 2016 (Woonboerderij), ECLI:NL:HR:2016:2884 & 2885, RCR 2017/22 & NJ 2018/223 (nt. J. Hijma) niet het laatste woord gezegd is over de vraag welke besluiten nu precies wél en níet binnen de door de Hoge Raad getrokken grenzen van art. 7:15 lid 1 BW vallen. Gelet op de feiten van de onderhavige zaak, en op de door Hijma vermelde verschillende (soorten van) besluiten, zijn er echter géén goede redenen om een bestemmingsplan als het onderhavige niet aan te merken als een publiekrechtelijke beperking of last die door art. 7:15 BW wordt beheerst.
2. De grootte van het bouwblok
In rov. 3.16.5 verwerpt het hof de eerste grief van [Groep A] voor zover die betrekking heeft op de omvang van het bouwblok. Het hof motiveert zijn desbetreffende oordeel als volgt:
‘De stelling van de Groep [Groep A] is door [de verkopers] c.s. niet alleen uitdrukkelijk betwist, maar [Groep A] is ter onderbouwing van haar stelling ook niet verder gekomen dan een verwijzing naar een enkel en weinig duidelijk kaartje, waaruit volgens de Groep [Groep A] zou moeten blijken dat de werkelijke oppervlakte van het bouwblok niet meer dan 7.575 m2 zou bedragen (zie met name ook productie 21 bij de conclusie van repliek) maar zonder dat daaruit duidelijk kan worden of haar betoog op dit punt daadwerkelijk hout snijdt, laat staan dat het bewijs is geleverd zoals zij betoogt. Het zou alleszins voor de hand hebben gelegen om in het licht van het verweer van [de verkopers] c.s. in ieder geval in hoger beroep haar stellingen op dit punt meer gespecificeerd met andere feiten en/of een geverifieerde meting te onderbouwen, maar dat heeft de Groep [Groep A] nagelaten, waarmee zij dus niet aan haar stelplicht heeft voldaan.’
Dit oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van [Groep A] en het verweer van [de verkopers] c.s. [Groep A] heeft over de grootte van het bouwvlak in eerste aanleg het volgende gesteld:
‘Hierover kan eiseres kort zijn: eiseres legt over als productie (PROD. 21) twee prints van ruimtelijke plannen.nl, waarmee met de via de website beschikbare meet-tool is nagerekend de oppervlakte van het bouwvlak. Totale oppervlakte: 7.575 m2.’17.
en:
‘Het gaat er om dat sprake is van wanprestatie in de vorm van non-conformiteit, omdat er 10.000 m2 bouwblok (…) zou worden geleverd en dat is niet gebeurd. Er is geadverteerd dat er uitgebreid kon worden à 10.000 m2. Op basis van de koopovereenkomst was 10.000 m2 de gerechtvaardigde verwachting. Het aantal vierkante meter is leidend. Het bouwvlak blijkt kleiner te zijn, nog geen 7.000 m3 (…). [E]r is minder dan 25% geleverd aan bouwblok.’18.
[de verkopers] c.s. heeft daar in prima het volgende tegenin gebracht:
‘Het bouwblok in kwestie faciliteert de uitbreiding van de paardenhouderij ter plaatse en voldoet dus aan de verwachtingen. Het omvat(te) ook circa 10.000 m2, zoals onweersprekelijk blijkt uit het rapport van BKK van 5 juli 2019. En uit de bij repliek gevoegde stukken blijkt niet iets anders: van die stukken staat niet vast — en volgt nergens uit — dat deze betrekking hebben op de afmetingen van het bouwblok in kwestie en door [verkoper 1] wordt dat ook betwist. (…)’19.
en:
‘Een bouwblok is niet het zelfde als een bouwvlak. Aan het bouwblok zijn geen voorwaarden verbonden. (…) Het bouwvlak is de totale oppervlakte die je mag bebouwen. Dat is dus wat anders dan een bouwblok. Dat is waar je op het perceel bouwwerken mag oprichten. De tekening die bij repliek is overgelegd als productie 21 betreft niet het bouwblok. Dit betwist ik.
Het bouwblok is er en het is volgens de door de wederpartij ingeschakelde deskundige BKK circa10.000m2. Het is ook destijds als bouwblok aangevraagd door Salemans en verleend. Dat het bouwblok niet die omvang heeft, blijkt nergens uit. (…)’20.
Bij memorie van grieven heeft [Groep A] vervolgens gesteld:
- ‘25.
Daarbij komt ook nog eens dat zelfs geen sprake is van ‘een bouwblok ter grootte van 10.000 m2’. Eerder heeft appellante al gesteld (CvR sub 5.4) en bewezen (productie appellante 21 = productie 21 bij CvR) dat het bouwblok slechts een oppervlakte heeft van 7.575 m2. Het feit dat (afgerond) maar liefst 25% minder aan oppervlakte bouwblok is geleverd dan contractueel toegezegd, levert eveneens wanprestatie op, zoals appellante eerder (CvR sub 5.4) uitvoerig gemotiveerd heeft uiteengezet. Het is evident dat het te kleine bouwblok direct tot schade leidt, nu het binnen dit bouwblokje uit te voeren bouwplan noodgedwongen een veel beperktere omvang krijgt.
- 26.
Het verweer tegen het feit dat het bouwblok veel kleiner is dan overeengekomen, is ronduit zwak (CvD sub 6.12). Geïntimeerden verwijzen enkel naar BKK Bodemadvies, maar dit bureau is niet gevraagd om het bouwblok na te meten, maar uitsluitend om de bodemverontreinigingen te onderzoeken.
- 27.
Voor de betekenis van de begrippen ‘bouwblok’ en ‘bouwvlak’ is de bedoeling van de planwetgever doorslaggevend (vgl. AB RvS 16-3-2018 ro. 3.3, ECLI:NL:RVS:2018:908). De Verbeelding van het vigerende bestemmingsplan ‘Paardenhouderij [a-straat 01], [a-plaats]’ toont het bouwvlak (productie appellante 17 = productie 17 bij CvR; ook rechtstreeks te raadplegen via www.ruimtelijkeplannen.nl). De Regels van het bestemmingsplan (productie appellante 18 = productie 18 bij CvR; idem) kennen niet het begrip ‘bouwblok’, maar enkel het begrip ‘bouwvlak’. Volgens artikel 1.24 der Regels is een bouwvlak ‘een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aan geduid, waar ingevolge de Regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten’. Volgens artikel 3.2.2 sub d. der Regels mag het bouwvlak volledig worden bebouwd.
De Toelichting op het bestemmingsplan (§ 1.3.2; rechtstreeks te raadplegen via www.ruimtelijkeplannen.nl) meldt dat een deel van het plangebied de bestemming ‘Agrarisch — Agrarisch bedrijf’ met een bouwvlak krijgt. Overigens bezigt de Toelichting alleen de term ‘bouwblok’ (bij voorbeeld in §§ 5.3.1, 6.2 en 7.3). Hieruit volgt dat de begrippen ‘bouwvlak’ en ‘bouwblok’ als synoniem worden gebruikt; beide worden gebruikt om het deel van plangebied mee aan te duiden, waarop gebouwd mag worden.
De planwetgever heeft met het begrip ‘bouwblok’ dus niet iets anders bedoeld dan met het begrip ‘bouwvlak’.’
[de verkopers] c.s. heeft daar bij memorie van antwoord het volgende tegenin gebracht:
‘6.9
Verder beweert de vennootschap dat het bouwblok geen 10.000 m2 meet. Uit diverse door haarzelf overgelegde documenten blijkt echter overduidelijk dat dit wel het geval is (vergelijk de rapporten van Tritium en BKK) en van de omvang van dat bouwblok biedt [verkoper 1] ook uitdrukkelijk bewijs aan (voor zover op hem in dit verband enige bewijslast rust).
6.10
Tijdens de zitting van de rechtbank Maastricht van 5 maart 2021 heeft nota bene de griffier, op verzoek van de rechter, in het bijzijn van de heer [Groep A] althans mr. [eiser] en [verkoper 1], de oppervlakte van het bouwblok (kenbaar uit het ter terechtzitting via internet geraadpleegde bestemmingsplan) gemeten met behulp van de daarvoor door Google ontwikkelde tool, vastgesteld dat deze zelfs meer dan 10.000 m2 was en dit ook aan de heer [eiser] althans mr. [eiser] op het computerscherm getoond (natuurlijk wordt ook hiervan weer bewijs door getuigen aangeboden door [verkoper 1], onder protest tegen gehoudenheid daartoe). Des te onbegrijpelijker is het dat de vennootschap in appel tegen beter weten in, bovendien op basis van een schets die (gelijk hem tijdens die zitting ook te verstaan is gegeven) slechts een deel van het bouwblok bestrijkt, blijft beweren dat het kleiner is dan genoemde 10.000 m2. In de kostenveroordeling dient dat volgens [verkoper 1] tot uitdrukking te komen.’
Over het betoog in § 6.10 van de memorie van antwoord is niets te vinden in het proces-verbaal van de comparitie d.d. 5 maart 2021, en evenmin in het vonnis van de rechtbank. Het hof heeft er — terecht — niets mee gedaan.
Het gestelde in § 6.9 van de memorie van antwoord voegt niets toe aan wat [de verkopers] c.s. in prima heeft aangevoerd. Dat betekent dat er van de zijde van [de verkopers] c.s. in feite niet meer is dan (a) de stelling dat de tekening die bij repliek is overgelegd als productie 21 niet het bouwblok betreft, en (b) de stelling dat het bouwblok volgens de door [Groep A] ingeschakelde deskundige BKK circa10.000m2 groot is. Stelling (a) is een blote betwisting (en dus een onvoldoende onderbouwde weerspreking van wat bij memorie van grieven naar voren is gebracht). En stelling (b) is bestreden met § 26 van de memorie van grieven, waar is aangevoerd dat BKK niet is gevraagd om het bouwblok na te meten, maar uitsluitend om de bodemverontreinigingen te onderzoeken (waaruit volgt dat zij de grootte van het bouwblok niet zélf heeft vastgesteld, maar zal hebben overgenomen uit aan haar ter beschikking gestelde stukken).
Het hof zegt verder niets over de uitleg van het Bestemmingsplan ‘[a-straat 01]’, noch over (rov. 3.3 van) ABRvS 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:908.21. In cassatie moet dan, gelet op de §§ 25 t/m 27 van de memorie van grieven, worden aangenomen dat met het begrip ‘bouwblok’ niet iets anders wordt bedoeld dan met het begrip ‘bouwvlak’.
Gelet het voorgaande, en met name op de met producties onderbouwde en relevante (essentiële) stellingen van [Groep A], is onbegrijpelijk 's hofs oordeel in rov. 3.16.5 (a) dat het standpunt van [Groep A] afdoende door [de verkopers] c.s. is betwist; (b) dat [Groep A] ter onderbouwing van haar stelling niet verder is gekomen dan een verwijzing naar een enkel en weinig duidelijk kaartje, waaruit volgens [Groep A] zou moeten blijken dat de werkelijke oppervlakte van het bouwblok niet meer dan 7.575 m2 zou bedragen maar zonder dat daaruit duidelijk kan worden of haar betoog op dit punt daadwerkelijk hout snijdt, laat staan dat het bewijs is geleverd zoals zij betoogt; en (c) dat het voor de hand zou hebben gelegen dat [Groep A] in het licht van het verweer van [de verkopers] c.s. in ieder geval in hoger beroep haar stellingen op dit punt meer gespecificeerd met andere feiten en/of een geverifieerde meting zou onderbouwen; maar (d) dat heeft [Groep A] nagelaten, waarmee zij dus niet aan haar stelplicht heeft voldaan.
's Hofs oordeel is in ieder geval onbegrijpelijk tegen de achtergrond van de door [Groep A] vermelde uitspraak ABRvS 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:908, en in het licht van het in werkelijkheid non-existente verweer van [verkoper 1] op dit punt.
Bij het voorgaande komt, voor zover nodig, nog het volgende. Gaat men er in het licht van (rov. 3.3 van) ABRvS 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:908 vanuit dat met het begrip ‘bouwblok’ in het Bestemmingsplan ‘[a-straat 01]’ niet iets anders wordt bedoeld dan met het begrip ‘bouwvlak’, dan blijkt bovendien uit de legenda bij het kaartje opgenomen in Productie 17 bij conclusie van repliek22. dat het bij het bouwblok slechts kan gaan om het in Productie 21 bij conclusie van repliek gemeten bouwvlak, terwijl uit die laatste productie blijkt dat dat stuk grond volgens het meet tool van Ruimtelijkeplannen.nl een oppervlakte heeft van (6.648,54 + 926,17) m2 = 7.574,71 m2. Dat maakt zonder nadere motivering, die ontbreekt, eens te meer onbegrijpelijk 's hofs oordeel in rov. 3.16.5 dat [Groep A] ter onderbouwing van haar stelling niet verder is gekomen dan een verwijzing naar een enkel en weinig duidelijk kaartje, waaruit volgens [Groep A] zou moeten blijken dat de werkelijke oppervlakte van het bouwblok niet meer dan 7.575 m2 zou bedragen maar zonder dat daaruit duidelijk kan worden of haar betoog op dit punt daadwerkelijk hout snijdt, laat staan dat het bewijs is geleverd zoals zij betoogt.
Eis
[Groep A] vordert dat de Hoge Raad het arrest waartegen bovenstaand middel van cassatie is gericht, vernietigt, met zodanige verdere uitspraak als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, ook omtrent de kosten.
[Groep A] vordert voorts dat de Hoge Raad [de verkopers] c.s. veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over alle aan [Groep A] toekomende kosten in cassatie, voor het geval [de verkopers] c.s. de kosten niet (volledig) heeft voldaan binnen veertien dagen na de datum van de uitspraak van de Hoge Raad.
Den Haag, 25 januari 2023,
Advocaat bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑01‑2023
Zie rov. 3.16.1.
Zie voorts HR 16 december 2016 (Woonboerderij), ECLI:NL:HR:2016:2884 & 2885.
Het bestemmingsplan ‘Paardenhouderij [a-straat 01], [a-plaats]’ is speciaal voor het verkochte geschreven: zie — onweersproken — inleidende dagvaarding (blz. 6, laatste alinea en productie 4).
Het hof heeft daaromtrent niets vastgesteld. [Groep A] heeft echter gesteld dat [de verkopers] c.s. van die last of beperking op de hoogte was (omdat hijzelf de wijziging van het bestemmingsplan had aangevraagd en verkregen): zie memorie van grieven (§ 21 e.v.); conclusie van dupliek (§§ 5.1 t/m 5.3); inleidende dagvaarding (blz. 6, laatste alinea en productie 4, blz. 1). [de verkopers] c.s. heeft niet bestreden dat hij van die last of beperking op de hoogte was (integendeel: zie conclusie van antwoord (§§ 2.13, 5.4).
Zie memorie van grieven (§ 21, laatste volzin).
Memorie van grieven (§ 21).
Productie 19 bij conclusie van repliek.
Memorie van grieven (§ 21).
Het ‘Defintief Natuur en landschappelijk integratie- en inrichtingsplan ten behoeve van ‘[b-plaats]’’ is specifiek op verzoek van [de verkopers] c.s. opgesteld: zie memorie van grieven (§ 21, laatste alinea en productie 19 bij repliek, blz. 1 en § 1). [de verkopers] c.s. heeft dit slechts bloot ontkend (memorie van antwoord, § 6.7), maar gelet op blz. 1 en § 1 van het integratie- en inrichtingsplan is die blote ontkenning nogal ongeloofwaardig. [Groep A] heeft overigens niet meer op die blote ontkenning kunnen reageren. In cassatie moet er in ieder geval, minstgenomen bij wege van hypothetische feitelijke grondslag, van worden uitgegaan dat het integratie- en inrichtingsplan op verzoek van [de verkopers] c.s. is opgesteld, althans dat hij van de inhoud daarvan op de hoogte was.
Memorie van grieven (§ 22).
Zie de in onderdeel 1.1 en in de voetnoten bij dat onderdeel vermelde vindplaatsen.
Zie de in onderdeel 1.1 en in de voetnoten bij dat onderdeel vermelde vindplaatsen.
Zie de in onderdeel 1.1 en in de voetnoten bij dat onderdeel vermelde vindplaatsen.
Zie de voetnoten 3, 4 en 9 hiervoor.
Zie — onweersproken — inleidende dagvaarding (blz. 6, laatste alinea).
T. M., Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 113.
Conclusie van repliek, § 5.4.
Proces-verbaal van comparitie d.d. 5 maart 2021, blz. 3.
Conclusie van dupliek, § 6.12.
Proces-verbaal van comparitie d.d. 5 maart 2021, blz. 3.
Vgl. ook ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4160 (rov. 6.3)
Dat kaartje is afkomstig van de website Ruimtelijkeplannen.nl, het online loket waarmee de overheid digitale ruimtelijke plannen ontsluit. Sinds 1 januari 2010 zijn overheden vanuit de Wet ruimtelijke ordening verplicht om ruimtelijke plannen te digitaliseren en toegankelijk te maken via de Landelijke Voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/over.