Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.4.3
11.4.4.3 Standaardvoorwaarde 1: vermogen dat verdwijnt of het bereik van de vennootschapsbelasting verlaat
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491753:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat vereiste is geanalyseerd in onderdeel 11.3.10.
In de toelichting op de voorheen geldende vergelijkbare standaardvoorwaarde in de beleidsbesluiten over de bedrijfsfusie, afsplitsing en juridische fusie was in de toelichting opgemerkt dat onder vorderingen ook obligaties werden begrepen. Zie bijvoorbeeld Beleidsbesluit V-N 2001/8.1 (afsplitsing), onderdeel 5. Hoewel een vergelijkbare opmerking ontbreekt in de toelichting op standaardvoorwaarde 1, zal op dit punt geen sprake zijn van een koerswijziging.
Dat hoeft niet het geval te zijn aangezien aan een zuivere splitsing per definitie meerdere verkrijgers deelnemen.
Ook in de toelichting wordt eerst ingegaan op deze situatie. De werkingssfeer is echter ruimer (zie hierna).
Vgl. Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 12. Zie ook onderdeel 11.3.10.
Het splitsingstijdstip is behandeld in onderdeel 11.4.3.
Vgl. HR BNB 2000/269 en HR BNB 2003/44.
Zie het Beleidsbesluit V-N 2001/8.1 (afsplitsing), Beleidsbesluit V-N 2001/8.3 (juridische fusie) en Beleidsbesluit BNB 2009/10 (bedrijfsfusie). Vóór 27 januari 2015 bestond er geen beleidsbesluit voor zuivere splitsingen.
Zie hierover uitgebreider De Vries, WFR 2015/554, onderdeel 6.2. Vgl. ook Simonis, MBB 2015/4.1, onderdeel 2.2 en Rozendal, NTFR-B 2015/16, onderdeel 3.2.
In deze zin ook Ruijschop, noot in NTFR 2015/842. Vgl. ook De Vries, WFR 2015/554, onderdeel 6.2.
Zie bijvoorbeeld HR BNB 2008/191, rechtsoverweging 3.6 en HR BNB 2012/37, rechtsoverweging 3.3.3.
Ook de toelichting maakt duidelijk dat standaardvoorwaarde 1 niet is beperkt tot afgewaardeerde vorderingen. Zoals hiervóór is besproken, geldt het voorschrift immers ook als in de vordering een positieve fiscale meerwaarde schuilgaat.
Zie Van der Burgt, WPNR 2016/7131, onderdeel 9.3.3 en Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.5.1.4, p. 368. Vgl. ook Bobeldijk & Van der Velden, MBB 2014/6.2, onderdeel 13.4, over de samenloop van onzakelijke geldleningen en (ont)voeging in een fiscale eenheid.
Vgl. HR BNB 2012/78 waarin een onzakelijke lening was verstrekt door een a.b.-houder aan zijn a.b.-vennootschap. De Hoge Raad oordeelde (rechtsoverweging 3.5) dat een kwijtschelding van een onzakelijke geldlening door een a.b.-houder zowel bij deze belastingplichtige als bij de schuldenaar een informele kapitaalstorting is. Vgl. ook HR BNB 2016/133 waarin de Hoge Raad met betrekking tot een onzakelijke lening in een inkomstenbelastingcasus (art. 3.91, lid 1, onderdeel a en b, Wet IB 2001) oordeelde dat het onzakelijk genomen debiteurenrisico zich, zowel bij de schuldeiser als bij de schuldenaar, in de privésfeer bevindt. Als de schuldenaar op enig moment niet meer aan zijn aflossingsverplichting kan voldoen waarna de lening wordt kwijtgescholden, komt de daardoor optredende vermogensvermeerdering bij de schuldenaar volgens de Hoge Raad op in de privésfeer. Deze vermogenssprong kwalificeert niet als een voordeel uit de onderneming.
Zijn de schuldeiser en de schuldenaar zustervennootschappen, dan is volgens mij sprake van een winstuitdeling door de schuldeiser aan de gemeenschappelijke aandeelhouder, gevolgd door een informele kapitaalstorting door die aandeelhouder in de schuldenaar. De positie van de schuldenaar is dan zoals beschreven onder 1.
Zie het Beleidsbesluit V-N 2018/48.6, onderdeel 5, zoals gewijzigd bij het Beleidsbesluit V-N 2020/34.9.
De Vries, noot in BNB 2015/18, onderdeel 9. De belanghebbende zou volgens deze auteur moeten stellen dat art. 15ab, lid 6, Wet VPB 1969 buiten toepassing zou moeten blijven bij de schuldenaar op grond van andere interpretatiemethoden dan een grammaticale interpretatie (vgl. onderdeel 8 van de noot). Zie ook De Vries, WFR 2015/554, onderdeel 6.1.
Dat ligt overigens mogelijk anders als moet worden aangenomen dat het (deels) buiten toepassing blijven van standaardvoorwaarde 1 (direct vóór het splitsingstijdstip), tot gevolg heeft dat wordt teruggevallen op de fiscale gevolgen van een ruisende splitsing voor onderlinge vorderingen en schulden tussen de splitsingspartners (op het splitsingstijdstip). Zie daarover onderdeel 7.6.2. De vervolgvraag is of de eventuele vennootschapsbelastingheffing die daaruit voortvloeit, buiten aanmerking kan blijven op grond van art. 14a, lid 2 of lid 3, Wet VPB 1969. Hier dreigt een cirkel te ontstaan.
Zie HR BNB 1969/202. Mocht de vordering door de schuldeiser als informeel kapitaal worden ingebracht in de schuldenaar, dan realiseert laatstgenoemde evenmin fiscale winst. Zie HR BNB 1993/237.
Zie voor vergelijkbare voorbeelden Van de Streek, Cursus Belastingrecht VPB, onderdeel 2.9.4.B.e (bijgewerkt 20-1-2021) en Bouwman, NDFR Deel VPB, commentaar op art. 14a, onderdeel 5.5.4.2 (bijgewerkt 17-5-2021).
Denk bijvoorbeeld aan lidmaatschapsrechten in het geval van zuivere splitsingen tussen verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Is een coöperatie betrokken bij de doorschuifregeling op verzoek, dan is de inspecteur niet gemachtigd om op het verzoek te beslissen. Zie Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 7.2.
Vgl. ook de toelichting op de voormalige standaardvoorwaarde 3 in het Beleidsbesluit V-N 2001/8.1, onderdeel 5.
Deze situatie verschilt dus van reguliere gevallen waarin een compartimenteringsreserve op grond van de fiscale indeplaatstreding kan overgaan naar een verkrijger. Zie daarover onderdeel 11.3.11.2.
Verder wijs ik op de toelichting op standaardvoorwaarde 1 in het Beleidsbesluit NLF 2021/1059 over juridische fusies. Daarin wordt onder het kopje ‘onderlinge kapitaalsverhoudingen’ expliciet ingegaan op de situatie waarin de verkrijger vóór het fusietijdstip aandelen heeft in de verdwijner.
De verkrijger die onmiddellijk vóór het splitsingstijdstip een aandelenbelang houdt in de splitser wordt overigens ook geacht deze aandelen te hebben vervreemd op grond van art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 1, Wet IB 2001. Zie daarover onderdeel 8.3 (ruisende splitsing) en onderdeel 13.3 (fiscaal gefaciliteerde splitsing).
Vgl. ook de toelichting op de voormalige standaardvoorwaarde 3 in het Beleidsbesluit V-N 2001/8.3, onderdeel 5, over de juridische fusie.
In art. 28c, lid 4, derde volzin, Wet VPB 1969 is een (autonome) doorschuifregeling opgenomen voor belaste compartimenteringsreserves. Zie onderdeel 13.3.4. Het is de vraag of deze doorschuifregeling in de hier besproken gevallen kan worden toegepast. Daarvoor is namelijk vereist dat het verkregen belang in de plaats treedt van het belang waarop de splitsing betrekking heeft. De verkrijger/participant van de splitsende rechtspersoon krijgt bij de splitsing geen eigen aandelen toegekend voor de vervallen aandelen in de splitser. De andere verkrijger(s) zal (zullen) echter wel aandelen toekennen aan bedoelde verkrijger/participant. Zie ook onderdeel 13.3.5.
Zie art. 13, lid 2 t/m 5, Wet VPB 1969. Overigens kan de deelnemingsvrijstelling op grond van art. 13, lid 16, Wet VPB 1969 nog drie jaar van toepassing zijn indien het belang, kort gezegd, onder de 5% is gezakt. Zie onderdeel 8.3.2.6 voor een bespreking van die regeling.
Zie ook Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, p. 84.
Dat kan veel verder gaan dan de fiscale winstneming die (mogelijk) wordt veroorzaakt door standaardvoorwaarde 1, lid 1. Die bepaling zorgt er immers ‘slechts’ voor dat de (eventueel aanwezige) fiscale meerwaarde in de art. 13c (oud)-deelneming tot uitdrukking komt en die kan (veel) kleiner zijn dan het nog in te halen buitenlandse ondernemingsverlies.
Zie hierover ook Redactionele aantekening, V-N 2015/17.8.
Het is verwarrend dat de staatssecretaris in de toelichting op standaardvoorwaarde 1, lid 3 uitsluitend spreekt over ‘het verdwijnen van een art. 13c-deelneming door zuivere splitsing’. Daarmee wordt gesuggereerd dat het toepassingsbereik van die bepaling tot dergelijke gebeurtenissen is beperkt. De tekst van standaardvoorwaarde 1, lid 3 jo. lid 1 dwingt evenwel niet tot die beperkte interpretatie. Zie ook hierna.
Zie ook de bespreking van standaardvoorwaarde 3 in onderdeel 11.4.4.6.
In deze gevallen vertoont de splitsingscasus gelijkenis met de in art. 13c, lid 2, onderdeel a, Wet VPB 1969 (wettekst 2011) genoemde gebeurtenis op grond waarvan een resterende art. 13c (oud)-claim ineens belast vrijviel. Die gebeurtenis was een (gedeeltelijke) vervreemding van de art. 13c (oud)-deelneming aan een niet in Nederland gevestigd lichaam dat was verbonden met de houder van de art. 13c (oud)-deelneming. De Vries, WFR 2015/554, onderdeel 5.2 merkt (in voetnoot 9) op dat standaardvoorwaarde 1, lid 3 voor dit soort situaties strikt genomen als overbodige bepaling kan worden beschouwd. Zijn betoog komt hierop neer dat art. 13c, lid 2, onderdeel a, Wet VPB 1969 (wettekst 2011) door het in art. 33b, lid 5, Wet VPB 1969 verankerde overgangsrecht van toepassing blijft, terwijl de overdrachtsfictie (art. 14a, lid 1, onderdeel a, Wet VPB 1969), waar nodig in combinatie met de verbondenheidsfictie (art. 14a, lid 7, Wet VPB 1969), die toepassing activeert. Hoewel die analyse juist is, moet tegelijkertijd worden geconstateerd dat de splitser de vennootschapsbelastingheffing die uit die bepalingen voortvloeit nu juist kan afwenden via een fiscaal gefaciliteerde splitsing. Omdat de latere heffing dan niet is verzekerd, is de splitser aangewezen op de doorschuifregeling op verzoek (art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969). Tegenover het buiten aanmerking laten van de hiervóór genoemde splitsingswinst staat in dit geval standaardvoorwaarde 1, lid 3 op grond waarvan de resterende art. 13c (oud)-claim alsnog belast vrijvalt.
Zie het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 2: “Omdat er fiscaalrechtelijk sprake is van een overdracht, zal in dit besluit en in de voorwaarden zo veel mogelijk de term overdracht en niet de term overgang worden gebruikt.”
Tenzij men onder de term overdracht in standaardvoorwaarde 1 ook de fictieve vervreemding van art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 1, Wet IB 2001 schaart. Op basis van deze vervreemdingsfictie wordt de aandeelhouder van de splitsende rechtspersoon (in dit geval is deze aandeelhouder tegelijkertijd een verkrijgende rechtspersoon) namelijk geacht zijn art. 13c (oud)-deelneming te hebben vervreemd. Zie onderdeel 8.3.2.4. Zo’n (vergaande) uitleg lijkt niet te zijn beoogd, al was het maar omdat het beleidsbesluit zuivere splitsing niet gaat over de fiscale implicaties van een zuivere splitsing voor aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon.
Bij juridische fusies kan een vergelijkbaar geval aan de orde zijn. De verkrijger kan namelijk onmiddellijk vóór het fusietijdstip een art. 13c (oud)-deelneming hebben in een verdwijner. In het voorheen geldende beleidsbesluit over fiscaal gefaciliteerde juridische fusies op verzoek (Beleidsbesluit V-N 2001/8.3), was deze problematiek geregeld in standaardvoorwaarde 4. Deze voorwaarde had zonder twijfel (ook) betrekking op de situatie waarin de verkrijger direct vóór het fusietijdstip een art. 13c (oud)-deelneming hield in een verdwijner. Uit niets blijkt dat de staatssecretaris op dit punt een andere koers is gaan varen in het nu geldende Beleidsbesluit NLF 2021/1059. Integendeel, in de toelichting op de daarin opgenomen standaardvoorwaarde 1 wordt onder het kopje ‘onderlinge kapitaalsverhoudingen’ expliciet ingegaan op de situatie waarin de verkrijger vóór het fusietijdstip aandelen heeft in de verdwijner. Dat is een sterke aanwijzing dat standaardvoorwaarde 1, lid 3 in het beleidsbesluit zuivere splitsing ook van toepassing is op situaties waarin de verkrijger vóór het splitsingstijdstip een art. 13c (oud)-deelneming houdt in de zuivere splitser.
Zie onderdeel 11.6.2.2.
Standaardvoorwaarde 1 luidt als volgt:
“1. Vermogensbestanddelen die door de zuivere splitsing ophouden te bestaan, dan wel na de overdracht niet meer aan de Nederlandse heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen worden onmiddellijk voorafgaand aan het splitsingstijdstip gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer.
2. Schulden die door de zuivere splitsing verdwijnen worden onmiddellijk voorafgaand aan het splitsingstijdstip gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer van de schuldvorderingen die tegenover deze schulden staan. De vorige volzin vindt geen toepassing voor zover met betrekking tot de schuldvordering al een bedrag op de voet van de artikelen 13b of 13ba Wet Vpb 1969 in aanmerking is genomen bij de rechtspersoon die de schuldvordering houdt of bij een met hem verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, Wet Vpb 1969.
3. Als de in het eerste lid bedoelde overdracht (mede) een deelneming betreft waarop artikel 13c Wet Vpb 1969 van toepassing is, wordt de overdracht geacht een omstandigheid te zijn als aangeduid in artikel 13c, tweede lid, eerste volzin, Wet Vpb 1969.”
Inleidende beschouwing
Standaardvoorwaarde 1 is een belangrijke voorwaarde omdat de toepassing ervan tot gevolg kan hebben dat bij de splitsingspartners (gedeeltelijke) fiscale afrekening aan de orde is. In dergelijke gevallen verloopt de splitsing niet volledig fiscaal geruisloos. Toch blijft sprake van een fiscaal gefaciliteerde splitsing. De diverse in standaardvoorwaarde 1 geregelde onderwerpen hebben met elkaar gemeen dat zij alle verband houden met het in art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 opgenomen vereiste dat de latere heffing moet zijn verzekerd.1 Standaardvoorwaarde 1 is namelijk gericht op situaties waarin als gevolg van de zuivere splitsing vermogen verdwijnt of het bereik van de vennootschapsbelasting verlaat. In de toelichting op standaardvoorwaarde 1 besteedt de staatssecretaris wat betreft vermogensbestanddelen die door de zuivere splitsing ophouden te bestaan alleen aandacht aan onderlinge vordering-schuldverhoudingen en onderlinge kapitaalsverhoudingen. De vraag rijst of dit uitputtend is bedoeld of dat slechts sprake is van (veel voorkomende) voorbeelden. In de tekst van standaardvoorwaarde 1, lid 1, wordt meer in algemene zin gesproken over vermogensbestanddelen. De tekst van de standaardvoorwaarde kan dus (veel) ruimer worden opgevat dan de door de staatssecretaris genoemde twee categorieën, zodat ook andere (onderlinge) verhoudingen die als gevolg van de zuivere splitsing tenietgaan (zoals optierechten en onderlinge overeenkomsten) daaronder kunnen worden begrepen. In navolging van de toelichting ga ik hierna alleen in op (i) onderlinge vorderingen en schulden, (ii) onderlinge kapitaalsverhoudingen en (iii) vermogensbestanddelen die na de zuivere splitsing niet meer aan de Nederlandse heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen.
Onderlinge vorderingen en schulden
De gevolgen van standaardvoorwaarde 1
Tot het vermogen dat in het kader van een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing overgaat, kan een vordering op of een schuld aan een verkrijgende rechtspersoon behoren.2 Mogelijk komen vordering en schuld dan samen bij de verkrijger als gevolg waarvan deze onderlinge rechtsverhouding verdwijnt door schuldvermenging (art. 6:161, lid 1, BW). Dat is het geval als de vordering respectievelijk schuld van de splitsende rechtspersoon bij de splitsing overgaat naar de wederpartij van die rechtsverhouding.3
In de standaardsituatie waarop standaardvoorwaarde 1 zich richt met betrekking tot onderlinge vorderingen en schulden, heeft de schuldeiser zijn vordering vóór de zuivere splitsing afgewaardeerd ten laste van de fiscale winst.4 Door de genoemde schuldvermenging verdwijnt de mogelijkheid dat de schuldeiser in de toekomst winst moet nemen bij een (eventueel) herstel van de financiële situatie bij de schuldenaar. De afwaardering zou hiermee definitief zijn. Volgens de wetgever is de latere heffing dan niet verzekerd.5 Hierdoor is een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing alleen mogelijk op verzoek (art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969). Standaardvoorwaarde 1, lid 2 bepaalt vervolgens dat een schuld die door de zuivere splitsing verdwijnt onmiddellijk vóór het splitsingstijdstip moet worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer van de vordering die daar tegenover staat.6 Omdat de schuld normaal gesproken op het nominale bedrag is gewaardeerd,7 wordt met dit waarderingsvoorschrift bereikt dat de schuldenaar winst moet nemen tot het bedrag dat bij de schuldeiser is afgewaardeerd. Volgens de toelichting van de staatssecretaris is voor winstneming bij de schuldenaar gekozen in plaats van bij de schuldeiser, omdat de kennelijk insolvabele schuldenaar in de regel beschikt over onverrekende fiscale verliezen waarmee de winstneming (indirect) kan worden verrekend.
Ik wijs erop dat standaardvoorwaarde 1, lid 1 dwingend voorschrijft dat vermogensbestanddelen, in dit geval vorderingen, direct vóór het splitsingstijdstip moeten worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Hierdoor is de schuldeiser verplicht een afwaarderingsverlies met betrekking tot zijn vordering tot uitdrukking te brengen voor zover dat vóór het splitsingstijdstip nog niet is gebeurd. In de toelichting schrijft de staatssecretaris dat de waarde in het economische verkeer van een vordering ook hoger kan zijn dan de nominale waarde, bijvoorbeeld door een rente die hoger is dan de marktrente. Verdwijnt een vordering met zo’n fiscale meerwaarde als gevolg van de schuldvermenging, dan dwingt standaardvoorwaarde 1, lid 1 de schuldeiser tot fiscale winstneming: hij moet zijn vordering immers opwaarderen. Deze winst komt direct vóór het splitsingstijdstip tot uitdrukking en is gelijk aan het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de vordering en de lagere fiscale boekwaarde respectievelijk nominale waarde daarvan. Op hetzelfde moment dient de schuldenaar zijn met de vordering corresponderende schuld op hetzelfde bedrag te waarderen (standaardvoorwaarde 1, lid 2). Hierdoor ontstaat ‘evenwicht’ aangezien de schuldenaar een verlies realiseert dat gelijk is aan de winstneming bij de schuldeiser. Deze systematiek wijkt af van de wijze waarop voorheen met deze problematiek werd omgegaan in de standaardvoorwaarden die werden gekoppeld aan een fiscaal gefaciliteerde afsplitsing, juridische fusie en bedrijfsfusie.8 Destijds gold een waarderingsplafond: de vordering en de schuld werden nooit hoger gewaardeerd dan de nominale waarde. De staatssecretaris heeft niet duidelijk gemaakt waarom voor een andere aanpak is gekozen.9 Vermoedelijk is dit ingegeven door de wens om de totaalwinst van elke betrokken belastingplichtige juist vast te stellen.10
Onduidelijkheden met betrekking tot standaardvoorwaarde 1 en onderlinge schuldverhoudingen
De eerste onduidelijkheid gaat over ‘onzakelijke geldleningen’. Een schuldeiser mag een afwaardering op een onzakelijke geldlening niet ten laste van het fiscale resultaat brengen.11 Hierdoor dreigt een mismatch omdat standaardvoorwaarde 1, lid 2 (imperatief) bepaalt dat een schuldenaar zijn schuld moet waarderen op de waarde in het economische verkeer van de vordering die daar tegenover staat. Op basis van een letterlijke lezing kan de schuldenaar tot winstneming worden gedwongen zonder dat de schuldeiser zijn vordering fiscaal heeft afgewaardeerd. In de toelichting op standaardvoorwaarde 1 wordt op dit onderwerp niet ingegaan. Daarin wordt wel de achtergrond van standaardvoorwaarde 1 geschetst: dreigend claimverlies omdat de schuldeiser zijn vordering vóór de zuivere splitsing ten laste van de fiscale winst heeft afgewaardeerd terwijl de schuldvermenging tot gevolg heeft dat een belaste opwaardering bij herstel van de schuldenaar niet aan de orde kan komen. Daaruit volgt echter niet automatisch dat een afwaardering noodzakelijk is om in aanraking te komen met standaardvoorwaarde 1, lid 2. De tekst van het waarderingsvoorschrift verlangt zo’n afwaardering in ieder geval niet.12 Het lijkt mij duidelijk dat standaardvoorwaarde 1, lid 2 ook met betrekking tot onzakelijke geldleningen in een positieve vermogenssprong resulteert bij de schuldenaar ingeval de waarde in het economische verkeer van de met de schuld corresponderende onzakelijke vordering lager is dan de nominale waarde. Die vermogenstoename levert volgens mij echter niet in alle gevallen belaste winst op:13
Houdt de schuldeiser vóór de zuivere splitsing aandelen in de schuldenaar (onzakelijke lening omlaag), dan dient de vermogenssprong bij de schuldenaar naar mijn mening te worden gezien als een informele kapitaalstorting. Dat raakt de winst van de schuldenaar niet.14
In de omgekeerde situatie (onzakelijk lening omhoog) dient de bij de schuldenaar optredende vermogenssprong mijns inziens te worden behandeld als een winstuitkering. Voor zover op het aandelenbelang van de schuldenaar in de schuldeiser de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, leidt de vermogenssprong niet tot heffing van vennootschapsbelasting.15
De fiscaaltechnische toets eist dat de staatssecretaris zijn visie over standaardvoorwaarde 1 in relatie tot onzakelijke leningen kenbaar maakt. Vergelijkbare problematiek speelt bij de samenloop van onzakelijke leningen en het fiscale-eenheidsregime. In dat verband heeft de staatssecretaris – voor zover nodig – goedgekeurd dat de afwaardering van de schuld (winstneming) bij de schuldenaar ex art. 15ab, lid 6, Wet VPB 1969 buiten aanmerking blijft, voor zover de onzakelijke lening bij de schuldeiser niet ten laste van de fiscale winst kan worden afgewaardeerd.16 Ik vind het onbegrijpelijk dat een vergelijkbare goedkeuring tot op heden ontbreekt in de toelichting op standaardvoorwaarde 1.
Een tweede onduidelijkheid speelt in situaties waarin de schuldeiser van een onderlinge vordering-schuldverhouding zijn vordering vóór de zuivere splitsing van een niet-gelieerde derde heeft aangekocht voor een prijs beneden de nominale waarde. Indien als gevolg van de zuivere splitsing schuldvermenging optreedt, lijkt de schuldenaar winst te moeten nemen op grond van een grammaticale interpretatie van standaardvoorwaarde 1, lid 2. Dit terwijl het concern waartoe de schuldeiser behoort, de betreffende vordering niet ten laste van de fiscale winst heeft afgewaardeerd. Ik wijs in dit verband ook op HR BNB 2015/18. In deze zaak kocht X BV zowel de aandelen in Y BV als een vordering op Y BV van een niet-verbonden partij. De vordering werd aangekocht voor een prijs die ver beneden de nominale waarde lag. Vervolgens brachten X BV en Y BV een fiscale eenheid voor de heffing van vennootschapsbelasting tot stand. De slotsom in cassatie was dat het – op dit punt met standaardvoorwaarde 1 vergelijkbare – waarderingsvoorschrift van art. 15ab, lid 6, Wet VPB 1969 op het niveau van de schuldenaar in een enorme winst resulteerde. De schuld moest namelijk worden gesteld op waarde van de daarmee corresponderende vordering (lees: aanschafprijs). De Vries sluit niet uit dat een andere belastingplichtige in een vergelijkbaar geval als in het arrest toch in het gelijk zal worden gesteld, mits hij de juiste cassatiemiddelen voordraagt.17 Ik twijfel daaraan. De tekst van art. 15ab, lid 6, Wet VPB 1969 is op dit punt duidelijk en het is de vraag of de Hoge Raad dan bereid is die wettekst opzij te zetten. Mocht de Hoge Raad die stap toch zetten, dan lijkt aannemelijk dat standaardvoorwaarde 1, lid 2 evenmin resulteert in winstneming bij de schuldenaar in de casus zoals geschetst aan het begin van deze alinea. Ik worstel dan nog wel met de vraag hoe dat zich verhoudt tot de (kennelijke) wens om met standaardvoorwaarde 1 tot een juiste totaalwinstvaststelling te komen bij de schuldeiser en schuldenaar (zie eerder in dit onderdeel). Laten we veronderstellen dat de waarde van de gekochte vordering in de periode tussen de aankoop ervan en de zuivere splitsing niet is gewijzigd. In dat geval realiseert de schuldeiser met of zonder standaardvoorwaarde 1, lid 1 geen (totaal)winst met betrekking tot de vordering. Zijn totaalwinst wordt dus juist vastgesteld. Bij de schuldenaar verdwijnt de nominale schuld van de fiscale balans door schuldvermenging als gevolg van de zuivere splitsing. Mocht standaardvoorwaarde 1, lid 2 inderdaad niet van toepassing zijn, omdat (het concern van) de schuldeiser de corresponderende vordering fiscaal niet heeft afgewaardeerd, dan blijft fiscale winstneming bij de schuldenaar achterwege.18 Overigens kunnen belastingplichtigen de (eventuele) toepassing van standaardvoorwaarde 1, lid 2 in dit soort casusposities relatief eenvoudig voorkomen, bijvoorbeeld door de met de gekochte vordering corresponderende schuld direct na verwerving van de vordering (en dus vóór de zuivere splitsing) om te zetten in aandelenkapitaal.19 Die omzetting is geen aanleiding voor toepassing van sanctiebepalingen in de deelnemingssfeer, omdat de vordering niet door de schuldeiser of een met hem verbonden (rechts)persoon is afgewaardeerd.20 Hierdoor resulteert de omzetting bij de schuldeiser niet in fiscale winstneming. Ook bij de schuldenaar komt in dit ‘omzettingsscenario’ geen fiscale winst tot uitdrukking.21 Met enig cynisme kan met betrekking tot dit soort gevallen worden gesteld dat alleen ‘fiscaal argelozen’ in het ‘waarderingsfuik’ lopen.
Samenloop met art. 13b en 13ba Wet VPB 1969
De slotzin van standaardvoorwaarde 1, lid 2 bepaalt dat de verplichte waardering van de schuld op de waarde in het economische verkeer bij de schuldenaar geen toepassing vindt voor zover met betrekking tot de vordering al een bedrag op de voet van art. 13b of 13ba Wet VPB 1969 in aanmerking is genomen bij de schuldeiser of een met deze schuldeiser verbonden lichaam in de zin van art. 10a, lid 4, Wet VPB 1969. Met dit voorschrift wordt meervoudige heffing van vennootschapsbelasting voorkomen.
De interactie tussen standaardvoorwaarde 1 en art. 13b Wet VPB 1969 kan met een voorbeeld worden geïllustreerd.22 X (schuldeiser) heeft een afgewaardeerde vordering op haar deelneming B (schuldenaar) overgedragen aan een met hem (X) verbonden lichaam, te weten A. Deze overdracht activeert art. 13b, lid 1 jo. lid 2, onderdeel a, Wet VPB 1969 waardoor X winst moet nemen ter grootte van de eerder in aanmerking genomen fiscale afwaarderingslast.23 Vervolgens komt een zuivere splitsing tot stand waaraan zowel A (opvolgende schuldeiser) als B (schuldenaar) deelnemen. De onderlinge vordering-schuldverhouding verdwijnt door schuldvermenging. Zonder tegemoetkoming heeft standaardvoorwaarde 1, lid 2, eerste volzin tot gevolg dat de schuldenaar (B) winst moet nemen ingeval de waarde in het economische verkeer van de met zijn schuld corresponderende vordering lager is dan de nominale waarde. Standaardvoorwaarde 1, lid 2, tweede volzin voorkomt deze winstneming door te bepalen dat de verplichte herwaardering van de schuld achterwege blijft voor zover met betrekking tot de vordering al een bedrag op de voet van art. 13b Wet VPB 1969 in aanmerking is genomen bij A (schuldeiser) of een met hem verbonden lichaam (X). Dit laatste is hier het geval.
De vraag rijst of wat betreft onderlinge vordering-schuldverhoudingen tussen de splitsingspartners een samenloop mogelijk is van standaardvoorwaarde 1 en art. 13ba VPB 1969.24 Gelet op de tekst van standaardvoorwaarde 1 lid 2, tweede volzin acht de staatssecretaris dit mogelijk. De vraag rijst aan welk feitencomplex concreet moet worden gedacht. De toepassing van art. 13ba Wet VPB 1969 is namelijk alleen aan de orde als sprake is van een besmette gebeurtenis. De in art. 13ba, lid 2, onderdeel a t/m c, Wet VPB 1969 opgesomde gebeurtenissen resulteren erin dat, in elk geval fiscaalrechtelijk, niet langer sprake is van een schuld. Op het latere splitsingstijdstip ontbreekt dan (in fiscale zin) een onderlinge vordering-schuldverhouding tussen de splitsingspartners.
Onderlinge kapitaalsverhoudingen
De toepassing van standaardvoorwaarde 1, lid 1
In de toelichting op standaardvoorwaarde 1 wordt de terminologie ‘onderlinge kapitaalsverhoudingen’ gehanteerd. Hoewel ik hierna uitga van onderlinge aandelenrelaties tussen de splitsingspartners, vallen ook andere onderlinge participatierelaties onder het toepassingsbereik van standaardvoorwaarde 1.25 De toelichting op standaardvoorwaarde 1 is wat betreft onderlinge kapitaalsverhoudingen bijzonder summier. De staatssecretaris behandelt slechts het geval waarin aandelen in een verkrijgende rechtspersoon bij de zuivere splitsing overgaan van de splitsende rechtspersoon naar die verkrijger. De zuivere splitsing heeft dan tot gevolg dat deze onderlinge rechtsverhouding vervalt. De verkrijgende rechtspersoon krijgt namelijk eigen aandelen en deze worden in fiscale zin normaliter geacht te zijn ingetrokken. De toepassing van standaardvoorwaarde 1, lid 1, op grond waarvan de zuivere splitser de betreffende aandelen direct vóór het splitsingstijdstip moet waarderen op de (actuele) waarde in het economische verkeer, leidt alleen tot belaste winstneming als het voordeel niet (geheel) is vrijgesteld door de werking van de deelnemingsvrijstelling. De (eventueel) bij deze splitser in aanmerking te nemen winst kan niet worden doorgeschoven omdat de eigen aandelen bij de verkrijger (kort gezegd) fiscaal niet meer bestaan.26 Het is mogelijk dat de splitser in de periode vóór de zuivere splitsing in verband met het belang in de verkrijger een belaste of onbelaste compartimenteringsreserve in de zin van art. 28c Wet VPB 1969 heeft gevormd. De waarderingsregel van standaardvoorwaarde 1, lid 1 heeft geen implicaties voor zo’n reserve, maar art. 28c, lid 4, onderdeel b, Wet VPB 1969 bepaalt dat een belaste compartimenteringsreserve belast vrijvalt en dat een onbelaste compartimenteringsreserve onbelast wordt opgeheven. Omdat de verkrijger eigen aandelen verkrijgt die fiscaal normaliter als ingetrokken kwalificeren, kan de compartimenteringsreserve niet overgaan naar de verkrijger.27
De staatssecretaris bespreekt in zijn toelichting niet expliciet de situatie waarin een verkrijgende rechtspersoon vóór de zuivere splitsing aandelen houdt in de zuiver splitsende rechtspersoon. Deze aandelen vervallen (art. 2:334x, lid 4, BW). Gelet op het feit dat (i) de tekst van standaardvoorwaarde 1, lid 1 in algemene zin spreekt van ‘vermogensbestanddelen die door de zuivere splitsing ophouden te bestaan’ en (ii) in de toelichting ‘onderlinge kapitaalsverhoudingen’ centraal staan, komt het mij voor dat genoemd geval binnen de draaicirkel van standaardvoorwaarde 1, lid 1 valt.28 De fiscaaltechnische toets eist dat dit punt wordt opgehelderd. Mocht standaardvoorwaarde 1, lid 1 inderdaad op deze situatie van toepassing zijn, dan leidt het vervallen van de aandelen in de zuivere splitser bij de verkrijger alleen tot heffing van vennootschapsbelasting voor zover het voordeel niet onder het bereik van de deelnemingsvrijstelling valt.29 Het voordeel kan in zo’n geval niet worden doorgeschoven omdat de aandelen in de zuivere splitser vervallen.30 Heeft de verkrijger vóór de zuivere splitsing een belaste of onbelaste compartimenteringsreserve gevormd in verband met het belang in de splitser, dan valt die reserve belast respectievelijk onbelast vrij (art. 28c, lid 4, tweede volzin, onderdeel a, Wet VPB 1969).31
Zoals hiervóór is opgemerkt, leidt standaardvoorwaarde 1, lid 1 met betrekking tot onderlinge kapitaalsverhoudingen alleen tot belaste winstneming als de deelnemingsvrijstelling niet (geheel) geldt. Dat is bijvoorbeeld het geval als het belang niet als een deelneming kwalificeert of niet onder een deelneming wordt begrepen.32 Maar zelfs als sprake is van een deelneming, kan de deelnemingsvrijstelling (deels) uitgeschakeld zijn. Zo is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing op voordelen uit hoofde van een niet-kwalificerende beleggingsdeelneming (art. 13, lid 9 t/m 15, Wet VPB 1969). Een deelneming kan ook beclaimd zijn, bijvoorbeeld op de voet van art. 13h Wet VPB 1969.
De toepassing van standaardvoorwaarde 1, lid 3
Standaardvoorwaarde 1, lid 3 gaat specifiek over deelnemingen waarop art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011) van toepassing is. Dit vereist een toelichting. Vóór 2012 kon een belastingplichtige reguliere buitenlandse ondernemingsverliezen in mindering brengen op de Nederlandse winst.33 Daar stond dan tegenover dat bij de voorkoming van dubbele belasting rekening moest worden gehouden met de inhaalregeling.34 Zonder flankerende maatregelen konden belastingplichtigen de werking van deze inhaalregeling doorkruisen door de buitenlandse onderneming (tijdig) onder te brengen in een lichaam waarin een deelneming werd gehouden. Deze ontsnappingsroute werd echter geblokkeerd door art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011). Op grond van deze sanctiebepaling was de deelnemingsvrijstelling namelijk niet van toepassing op voordelen uit hoofde van de betreffende deelneming, voor zover de eerder in aanmerking genomen buitenlandse verliezen nog niet waren ingehaald. Op grond van art. 33b, lid 5, Wet VPB 1969 kan art. 13c Wet VPB 1969 (wettekst 2011) nog steeds een rol spelen. Dat is het geval als de buitenlandse onderneming is of wordt ondergebracht in een lichaam waarin een deelneming wordt gehouden terwijl de ‘buitenlandse’ verliezen nog niet geheel zijn ingehaald.35 De verdwijnende kapitaalsverhouding tussen de splitsingspartners kan zo’n beclaimde deelneming zijn.
Standaardvoorwaarde 1, lid 3 bepaalt dat de overdracht (of het verdwijnen, zie hierna) van de art. 13c (oud)-deelneming wordt geacht een omstandigheid te zijn als aangeduid in art. 13c, lid 2, Wet VPB 1969 (wettekst 2011). Hierdoor wordt het op het splitsingstijdstip nog niet ingelopen ‘buitenlandse’ ondernemingsverlies ineens belast teruggenomen bij de houder van de art. 13c (oud)-deelneming. Anders gezegd: de resterende art. 13c (oud)-claim valt belast vrij.36 Het is helder dat deze gevolgen optreden ingeval een art. 13c (oud)-deelneming in een verkrijgende rechtspersoon bij de zuivere splitsing overgaat van de splitsende rechtspersoon naar die verkrijger. Deze verkrijgende rechtspersoon krijgt dan namelijk eigen aandelen en die worden in fiscale zin normaliter geacht te zijn ingetrokken.
Daarmee zijn echter niet alle vragen met betrekking tot het toepassingsbereik van standaardvoorwaarde 1, lid 3 beantwoord. Veronderstel namelijk dat de splitsende rechtspersoon vóór de zuivere splitsing een art. 13c (oud)-deelneming heeft in een verkrijgende rechtspersoon (stel A) en dat deze deelneming overgaat naar een andere verkrijgende rechtspersoon (stel B). De vraag rijst of standaardvoorwaarde 1, lid 3 dan in werking treedt.37 Vooropgesteld moet worden dat de art. 13c (oud)-deelneming (ook) in dat geval op de voet van art. 14a, lid 1, Wet VPB 1969 fictief wordt overgedragen. In tegenstelling tot de hiervóór besproken situatie verdwijnt deze deelneming in dit geval echter niet.38 Op grond van de tekst van standaardvoorwaarde 1, lid 3 in verbinding met lid 1, meer specifiek de in lid 3 gemaakte koppeling met het begrip overdracht in lid 1, kan worden betoogd dat de (restant) art. 13c (oud)-claim toch volledig belast vrijvalt. Dit lijkt mij niet in alle gevallen beoogd. In standaardvoorwaarde 1, lid 1 gaat het namelijk niet over sec een overdracht, maar over een overdracht als gevolg waarvan het vermogen het bereik van de Nederlandse vennootschapsbelasting verlaat. Daarom geldt volgens mij de volgende tweedeling als de art. 13c (oud)-deelneming in verkrijger A bij een zuivere splitsing overgaat naar verkrijger B:
Indien verkrijger B in Nederland is gevestigd en de art. 13c (oud)-deelneming het bereik van de Wet VPB 1969 niet verlaat, mist standaardvoorwaarde 1, lid 3 toepassing. Verkrijger B treedt in dit scenario namelijk in de plaats van de zuivere splitser met betrekking tot de art. 13c (oud)-deelneming waardoor de art. 13c (oud)-claim is gewaarborgd.39
Ingeval verkrijger B buiten Nederland is gevestigd en de art. 13c (oud)-deelneming niet gaat behoren tot diens in Nederland gedreven onderneming, is de latere heffing niet verzekerd. In die (uitzondering)situaties komt de (resterende) art. 13c (oud)-claim tot uitdrukking als gevolg van standaardvoorwaarde 1, lid 3.40
Ook rijst de vraag of standaardvoorwaarde 1, lid 3 van toepassing is indien een verkrijger vóór de zuivere splitsing een op de voet van art. 13c (oud) Wet VPB 1969 beclaimde deelneming houdt in de splitser. Zoals gezegd, verwijst standaardvoorwaarde 1, lid 3 naar de in lid 1 van die voorwaarde genoemde overdracht. Het lijkt aannemelijk dat met het begrip overdracht in standaardvoorwaarde 1, lid 1 is bedoeld een koppeling te maken met de overdrachtsfictie van art. 14a, lid 1, onderdeel a, Wet VPB 1969.41 Deze fictie houdt in dat de splitsende rechtspersoon geacht wordt zijn vermogensbestanddelen ten tijde van de zuivere splitsing te hebben overgedragen aan de verkrijgers. Deze overdracht omvat niet de art. 13c (oud)-deelneming van een verkrijger in de splitser. Bij een splitsing gaat immers vermogen over van de splitser naar de verkrijger en niet andersom. Op basis van deze grammaticale interpretatie kan worden geconcludeerd dat standaardvoorwaarde 1, lid 3 geen gevolgen heeft voor een door een verkrijgende rechtspersoon gehouden art. 13c (oud)-deelneming in de zuivere splitser.42 Gelet op toelichting op standaardvoorwaarde 1 lijkt dit evenwel niet in overeenstemming met de bedoeling van de staatssecretaris. Art. 13c (oud) Wet VPB 1969 komt daarin namelijk aan de orde in een passage die in het teken staat van ‘onderlinge kapitaalsverhoudingen’. De staatssecretaris merkt op dat het verdwijnen van een 13c(oud)-deelneming door zuivere splitsing ook geldt als een omstandigheid waarbij een nog niet ingelopen buitenlands ondernemingsverlies belast moet worden teruggenomen.43 De aandelen in de splitser vervallen in de hier bedoelde situatie. Zij zijn dus verdwenen. De fiscaaltechnische toets uit mijn toetsingskader eist dat de tekst van standaardvoorwaarde 1, lid 3 op dit punt wordt verduidelijkt.
Overdracht aan een gedeeltelijk belastingplichtig lichaam
Zonder flankerende maatregelen dreigt er claimverlies voor de fiscus wanneer vermogensbestanddelen na een fiscaal gefaciliteerde splitsing bij de verkrijger(s) niet zijn onderworpen aan de Nederlandse vennootschapsbelasting. Daarom bepaalt standaardvoorwaarde 1, lid 1 dat de splitsende rechtspersoon dergelijke vermogensbestanddelen onmiddellijk voorafgaand aan het splitsingstijdstip moet waarderen op de waarde in het economische verkeer. Voor zover de waarde in het economische verkeer van het betreffende vermogen hoger is dan de fiscale boekwaarde daarvan en bovendien geen objectieve vrijstelling geldt, wordt door de splitser belaste winst gerealiseerd. De staatssecretaris geeft in de toelichting op standaardvoorwaarde 1 twee voorbeelden waaraan ik aandacht besteed bij de bespreking van de grensoverschrijdende splitsingssituaties.44 Uiteraard is het waarderingsvoorschrift van standaardvoorwaarde 1, lid 1 niet tot deze voorbeelden beperkt. Het geldt voor alle vermogensbestanddelen die als gevolg van de zuivere splitsing het bereik van de Wet VPB 1969 verlaten.