NJB 2024/445:Beklagprocedure inzake inbeslagname ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (EOB). De Hoge Raad zet uiteen: – wat in de klaagschriftprocedure van art. 5.4.10 lid 1 jo 552a Sv aan de rechter ter beoordeling staat. – wat de officier van justitie dient te doen met de resultaten van de uitvoering van het EOB als overeenkomstig art. 5.4.10 lid 1 jo 552a Sv een klaagschrift is ingediend of nog kan worden ingediend. – wat het gevolg is ingeval de rechter het beklag gegrond verklaart en wat de rechter daarbij wel en niet dient te beslissen. – dat het OM-cassatieberoep tegen de gegrondverklaring door de rechtbank van het beklag in casu ontvankelijk is (A-G: anders). – wanneer overschrijding van de in art. 5.4.10 lid 1 Sv genoemde termijn van veertien dagen voor het indienen van een klaagschrift niet tot niet-ontvankelijkheid hoeft te leiden. – dat de rechtbank in casu bij de beoordeling van het beklag ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat sprake is van inbeslagneming op grond van een op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse justitiële autoriteit tot het verlenen van rechtshulp, terwijl het in deze zaak om inbeslagneming gaat waarmee uitvoering is gegeven aan een EOB.