Conclusie van 14 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1021.
HR, 06-02-2024, nr. 23/03395 Br
ECLI:NL:HR:2024:177
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-02-2024
- Zaaknummer
23/03395 Br
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:177, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑02‑2024; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:23
ECLI:NL:PHR:2024:23, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑01‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:177
ECLI:NL:PHR:2023:1021, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑11‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑09‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0020
Uitspraak 06‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv n.a.v. EOB van Duitse autoriteiten op digitale gegevensdragers en navigatiesysteem waarvan klaagster stelt eigenaar te zijn. OM-cassatie. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep. 2. Klaagschrift ontvankelijk, nu klaagster niet binnen 14 dagen na kennisgeving a.b.i. art. 5.4.10.1 Sv klaagschrift heeft ingediend? 3. Gegrondverklaring beklag. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:1940 m.b.t. toetsingskader beklagrechter bij klaagschrift ex art. 5.4.10.1 jo. 552a Sv dat is gericht tegen inbeslagname ter uitvoering van EOB en HR:2022:887 m.b.t. voorlopige terbeschikkingstelling bewijsmateriaal (art. 5.4.9 Sv). Als rechter tot slotsom komt dat klaagschrift gegrond is, volstaat beklagrechter met uitspreken van beslissing tot gegrondverklaring beklag. Rechter geeft dan niet ‘daarmee overeenkomende last’ a.b.i. art. 552a.10 Sv, nu in art. 5.4.10.3 Sv niet art. 552a.10 Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard. Daarbij is van belang dat uit art. 5.4.9.1 Sv al volgt dat overdracht van resultaten waarop beklag betrekking heeft pas plaatsvindt nadat onherroepelijk op klaagschrift is beslist en dat overdracht achterwege blijft als onherroepelijk is beslist dat klaagschrift gegrond is. V.zv. OvJ o.g.v. art. 5.4.9.3 Sv het ter uitvoering van EOB vergaarde bewijsmateriaal aan uitvaardigende autoriteit al (voorlopig) ter beschikking heeft gesteld en rechter daarna beklag gegrond verklaart, moet door OvJ worden gehandeld zoals in HR:2022:887 is beschreven. Rb heeft door klaagster ingediend klaagschrift gegrond verklaard. Gelet daarop is cassatieberoep OM ontvankelijk. Bij beoordeling ontvankelijkheid cassatieberoep komt gelet op wat hiervoor is overwogen geen betekenis toe aan wat Rb in dictum van beschikking heeft opgenomen over last aan OvJ. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:580 m.b.t. kennisgeving a.b.i. art. 5.4.10.1 Sv. Overschrijding van de in art. 5.4.10.1 Sv genoemde termijn van 14 dagen na kennisgeving betekent in de regel dat klaagschrift n-o wordt verklaard, maar onder omstandigheden blijft dat rechtsgevolg achterwege. Dat is allereerst als door of namens OM de in art. 5.4.10.1 bedoelde kennisgeving is gedaan, maar waarbij gebrek aan kennisgeving verhindert dat klaagschrift tijdig wordt ingediend (vgl. HR:2022:580). Verder kan het gaan om geval waarin a.g.v. (andersoortige) aan klager niet toe te rekenen omstandigheden klager niet, althans niet voor verstrijken van de in art. 5.4.10.1 Sv genoemde termijn, bekend was met uitvoering van EOB en in dat verband (zo mogelijk) gedane kennisgeving. Daarvan kan sprake zijn als OM geen kennisgeving aan betreffende persoon heeft kunnen doen, maar persoon langs andere weg op de hoogte is geraakt van uitvoering EOB. In zo’n geval moet klaagschrift worden ingediend binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat betreffende persoon met uitvoering EOB bekend is geworden. Daarbij moet het gaan om klager die kan worden aangemerkt als betrokkene a.b.i. art. 5.4.10.1 Sv of als directe belanghebbende a.b.i. art. 5.4.10.2 Sv. Uit vaststellingen Rb volgt dat klaagster eigenaar is van woning, dat na doorzoeking ter inbeslagneming in deze woning ongedateerde kennisgeving beklagrecht is achtergelaten voor “bewoners” van pand en dat A als enige op dat adres stond ingeschreven. Klaagster stelt dat zij niet wist dat A op dat adres was ingeschreven en dat inbeslaggenomen voorwerpen aan haar toebehoren. Rb heeft als oordeel tot uitdrukking gebracht dat niet is komen vast te staan dat klaagster van kennisgeving op de hoogte is gekomen en dat niet aan haar kan worden toegerekend dat zij niet binnen 14 dagen nadien klaagschrift heeft ingediend. Daarnaast heeft Rb vastgesteld dat klaagster klaagschrift heeft ingediend binnen 14 dagen nadat zij had kennisgenomen van inbeslagneming. Gelet daarop getuigt oordeel Rb dat klaagschrift tijdig is ingediend niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 3. Rb heeft bij beoordeling beklag tot uitgangspunt genomen dat sprake is van inbeslagneming o.g.v. een op verdrag gegrond verzoek van buitenlandse justitiële autoriteit tot verlenen van rechtshulp. Het gaat in deze zaak echter om inbeslagneming ter uitvoering van EOB. Bij beoordeling klaagschrift heeft Rb daarom ten onrechte niet beoordelingskader aangelegd dat van toepassing is in beklagprocedure i.v.m. uitvoering EOB (vgl. HR:2021:1940). Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03395 Br
Datum 6 februari 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 9 augustus 2023, nummer RK 23/017651, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de klaagster, A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. De advocaat-generaal heeft bij aanvullende conclusie gepersisteerd bij de strekking van haar eerdere conclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep. Voor het geval de Hoge Raad de advocaat-generaal daarin niet volgt, heeft zij geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
Naar aanleiding van het gestelde in de conclusie van de advocaat-generaal over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep merkt de Hoge Raad het volgende op.
2.2.1
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 552a lid 10 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Acht het gerecht het beklag of het verzoek gegrond, dan geeft het de daarmede overeenkomende last.”
- Artikel 552d lid 2 Sv:
“Beroep in cassatie kan door het openbaar ministerie worden ingesteld binnen veertien dagen na de dagtekening der beschikking, en door de klager binnen veertien dagen na de betekening.”
“1. De officier van justitie stelt de resultaten van de uitvoering van het Europees onderzoeksbevel zo spoedig mogelijk ter beschikking aan de uitvaardigende autoriteit. Indien overeenkomstig artikel 5.4.10 een klaagschrift is ingediend of nog kan worden ingediend, vindt de overdracht van de resultaten eerst plaats nadat onherroepelijk is beslist op het klaagschrift.
3. In afwijking van het eerste lid, kan indien de uitvaardigende autoriteit voldoende heeft gemotiveerd dat een onmiddellijke overdracht essentieel is voor het goede verloop van het onderzoek of voor de bescherming van de individuele rechten, aan de uitvaardigende autoriteit bewijsmateriaal vergaard ter uitvoering van het bevel voorlopig ter beschikking worden gesteld, indien en voor zover dit geen ernstige en onomkeerbare schade toebrengt aan de belangen van de belanghebbende. De voorlopige terbeschikkingstelling vindt plaats onder de voorwaarden dat het Nederlandse recht onverkort blijft gelden ten aanzien van de overhandigde resultaten en dat het gebruik daarvan als bewijsmiddel pas mogelijk is nadat deze definitief ter beschikking worden gesteld.”
“1. De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen (...) wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.
3. De artikelen 552a, eerste tot en met zesde lid, 552d, eerste en tweede lid, en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het bevel, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift.”
2.2.2
De betrokkene bij wie ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) voorwerpen in beslag zijn genomen, kan op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv een klaagschrift indienen. In deze klaagschriftprocedure staat ter beoordeling aan de rechter of zich – gelet op artikel 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB rechtmatig is toegepast, waarbij de rechter zich moet beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder staat in de klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en dat de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen. Wordt het beklag gedaan door een verschoningsgerechtigde, dan zijn de procedurele voorschriften van toepassing zoals deze zijn uiteengezet in de beschikking van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1970. (Vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940, rechtsoverweging 4.2.2, 4.2.3 en 4.2.6.)
2.2.3
Op grond van artikel 5.4.9 lid 1 Sv stelt de officier van justitie de resultaten van de uitvoering van het EOB zo spoedig mogelijk ter beschikking aan de uitvaardigende autoriteit. Als overeenkomstig artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv een klaagschrift is ingediend of nog kan worden ingediend, vindt de overdracht van de resultaten echter pas plaats nadat onherroepelijk op het ingediende klaagschrift is beslist. In afwijking daarvan kan de officier van justitie op grond van artikel 5.4.9 lid 3 Sv in bepaalde gevallen het ter uitvoering van het EOB vergaarde bewijsmateriaal aan de uitvaardigende autoriteit voorlopig ter beschikking stellen. Bij de beoordeling van het klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv staat niet ter beoordeling van de rechter of de officier van justitie in voorkomende gevallen terecht toepassing heeft gegeven aan zijn bevoegdheid om op grond van artikel 5.4.9 lid 3 Sv het vergaarde bewijsmateriaal voorlopig ter beschikking te stellen aan de uitvaardigende autoriteit. In het geval dat de rechter het beklag gegrond verklaart, heeft dat oordeel tot gevolg dat de officier van justitie, als en voor zover hij toepassing heeft gegeven aan artikel 5.4.9 lid 3 Sv, de uitvaardigende autoriteit moet verzoeken – in overeenstemming met de in artikel 5.4.9 lid 3 Sv genoemde voorwaarden – de terbeschikkingstelling te beschouwen als niet te hebben plaatsgevonden, de overgedragen resultaten niet (verder) te gebruiken en de betreffende voorwerpen te retourneren, dan wel de betreffende gegevens te vernietigen. (Vgl. HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:887, rechtsoverwegingen 4.3 en 4.5.)
2.3
Als de rechter – op grond van het onder 2.2.2 beschreven beoordelingskader – tot de slotsom komt dat een op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv ingediend klaagschrift gegrond is, volstaat de beklagrechter met het uitspreken van die beslissing tot gegrondverklaring van het beklag. De rechter geeft dan niet een ‘daarmee overeenkomende last’ zoals bedoeld in artikel 552a lid 10 Sv, nu in artikel 5.4.10 lid 3 Sv niet dat tiende lid van artikel 552a Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard. Daarbij is van belang dat uit artikel 5.4.9 lid 1 Sv al volgt dat, als op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv een klaagschrift is ingediend, de overdracht van de resultaten waarop dat beklag betrekking heeft, pas plaatsvindt nadat onherroepelijk op het klaagschrift is beslist. Daarin ligt ook als voorschrift besloten dat die overdracht achterwege blijft als de onherroepelijke beslissing inhoudt dat het beklag gegrond wordt verklaard. Voor zover de officier van justitie op grond van artikel 5.4.9 lid 3 Sv het ter uitvoering van het EOB vergaarde bewijsmateriaal aan de uitvaardigende autoriteit al (voorlopig) ter beschikking heeft gesteld en de rechter daarna het beklag gegrond verklaart, moet door de officier van justitie worden gehandeld zoals onder 2.2.3 is beschreven.
2.4.1
De rechtbank heeft het door de klaagster ingediende klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarnaast in het dictum van haar beschikking opgenomen dat de rechtbank de officier van justitie gelast “zich in te spannen dat de in het perceel aan de [a-straat 1] in [plaats] inbeslaggenomen goederen (...) door de Duitse justitiële autoriteiten worden teruggestuurd naar de officier van justitie opdat vervolgens een beslissing kan worden genomen over het klaagschrift”.
2.4.2
Nu de rechtbank het klaagschrift gegrond heeft verklaard, is – gelet op artikel 5.4.10 lid 3 in samenhang met artikel 552d lid 2 Sv – het cassatieberoep van het openbaar ministerie ontvankelijk. Gelet op wat onder 2.3 is overwogen, komt bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep geen betekenis toe aan wat de rechtbank in het dictum van haar beschikking heeft opgenomen over een last aan de officier van justitie.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt erover dat de rechtbank de klaagster ontvankelijk heeft verklaard in haar beklag tegen de inbeslagneming op grond van een EOB. Het voert daartoe aan dat het klaagschrift niet is ingediend binnen veertien dagen na de in artikel 5.4.10 lid 1 Sv bedoelde kennisgeving.
3.2.1
In deze zaak heeft op 23 mei 2023 een doorzoeking plaatsgevonden in een woning aan de [a-straat 1] in [plaats] ter uitvoering van een EOB dat is uitgevaardigd door de justitiële autoriteiten van Duitsland. Daarbij zijn een laptop, usb-stick en navigatiesysteem in beslag genomen. De klaagster stelt de eigenaar te zijn van deze voorwerpen. Namens haar is op 29 juni 2023 op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend dat strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen. De rechtbank heeft het door de klaagster ingediende klaagschrift ontvankelijk verklaard. De beschikking van de rechtbank houdt hierover in:
“2. De standpunten van de klaagster, de raadsman en de officier van justitie
Standpunt klaagster en haar raadsman
De raadsman stelt zich namens klaagster op het standpunt dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en dat de laptop, de USB-stick en het navigatiesysteem aan klaagster moeten worden teruggegeven. De inbeslaggenomen goederen behoren toe aan klaagster. Klaagster is de eigenaar van het pand waar de goederen op 23 mei 2023 door de rechter-commissaris in het kader van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van de Duitse justitiële autoriteiten in Düsseldorf in beslag zijn genomen. Zij staat ingeschreven op het adres [b-straat 1] , [postcode] [plaats] en niet op de [a-straat 1] in [plaats] . Zij heeft het pand aan de [a-straat 1] in [plaats] in 2021 van de ouders van de in Duitsland ter zake van verdenking van zogenaamde plofkraken in Duitsland vervolgde verdachte [betrokkene 1] , gekocht. Zij kent [betrokkene 1] niet. [betrokkene 1] blijkt als enige ingeschreven te staan op het adres [a-straat 1] in [plaats] . Zij meent dat onrechtmatig beslag is gelegd op aan haar toebehorende zaken. Op de laptop en USB-stick staan bovendien gevoelige gegevens van patiënten bij [A] waar klaagster een bestuursfunctie vervult. De raadsman heeft ter terechtzitting een pleitnota overgelegd. De pleitnota wordt aan deze beschikking gehecht.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klaagster niet-ontvankelijk is in het klaagschrift nu het klaagschrift niet binnen veertien dagen na kennisgeving van het beslag bij de rechtbank is ingediend. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat hij zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beslag is rechtmatig gelegd en inmiddels overgedragen aan de Duitse justitiële autoriteiten.
(...)
4. De ontvankelijkheid
Het klaagschrift is ontvankelijk. Gebleken is dat klaagster eerst op 19 juni 2023 op de hoogte geraakt is van het leggen van beslag op haar spullen na doorzoeking van haar woning aan de [a-straat 1] in [plaats] op 23 mei 2023 door de rechter-commissaris ter uitvoering van een van de Duitse justitiële autoriteiten afkomstig EOB. Het EOB ziet op verdenking van plofkraken in Duitsland door [betrokkene 1] en anderen. [betrokkene 1] staat als enige ingeschreven op het adres aan de [a-straat 1] in [plaats] . Blijkens de stukken is op 23 mei 2023 na de doorzoeking in de woning (waar niemand aanwezig was) een ongedateerde brief van de officier van justitie mr. B. Veelders achtergelaten voor de bewoner(s) van het pand met daarin de mededeling dat er goederen in beslag genomen zijn op verzoek van een buitenlandse rechter en dat binnen veertien dagen bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, beklag kan worden gedaan over het voornemen van de officier van justitie om de inbeslaggenomen goederen over te dragen aan de Duitse justitiële autoriteiten. Klaagster heeft gesteld dat zij eerst bij schrijven van 19 juni 2023 met bijlage met stempel van de Raad voor de Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland / rechtbank Overijssel (zie stukken) op de hoogte is gesteld van het gelegde beslag op haar spullen. Op donderdag 29 juni 2023 is het klaagschrift met bijlagen ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland in [plaats] . Volgens de raadsman is het daarmee tijdig ingediend na kennisneming van de brief van 19 juni 2023 met als bijlage het proces-verbaal van doorzoeking, gedateerd op 12 juni 2023, over het op 23 mei 2023 gelegde beslag door de rechter-commissaris.
In aanmerking genomen dat de kale mededeling op de akte van uitreiking bij de ongedateerde brief van de officier van justitie mr. Veelders in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] op 23 mei 2023 waar ten tijde van de doorzoeking die dag niemand aanwezig was, niets zegt over de kennisneming daarvan door klaagster, nu klaagster weliswaar eigenaar is van het pand maar daar niet is ingeschreven terwijl zij ook geen weet had van de inschrijving van een ander op dat adres en zij verdachte [betrokkene 1] ook helemaal niet kent, is de raadkamer van oordeel dat het op 29 juni 2023 bij de rechtbank Midden-Nederland door haar raadsman ingediende klaagschrift tijdig binnen veertien dagen na kennisneming van het beslag is binnengekomen.”
3.2.2
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt als mededeling van de raadsman van de klaagster onder meer in:
“Cliënte kent [betrokkene 1] niet. [betrokkene 1] blijkt als enige ingeschreven te staan op het adres [a-straat 1] in [plaats] . Cliënte was daarvan niet op de hoogte en wil aangifte tegen hem doen. Cliënte is erg boos op [betrokkene 1] . Cliënte had de in beslag genomen goederen in het schuurtje gezet en kwam daar niet vaak langs. Ze gebruikte het schuurtje als archief. Op enig moment is ze er achter gekomen dat spullen van haar in beslag zijn genomen.”
3.2.3
De brief ‘552a Kennisgeving beklagrecht’ van het openbaar ministerie die in de woning is achtergelaten en die zich bij de stukken bevindt, houdt onder meer in:

Geachte heer, mevrouw,
Er heeft op voormeld adres een doorzoeking plaatsgevonden. Dit is gedaan door de politie, op basis van een Europees Onderzoeksbevel dat door het Openbaar Ministerie is ontvangen van een buitenlandse rechter of officier van justitie.
Bij de doorzoeking zijn goederen in beslag genomen, zoals u kunt nalezen op de beslaglijst of in het proces-verbaal. Ik ben voornemens de in beslag genomen goederen en/of kopieën/afschriften ervan in het kader van dit Europees Onderzoeksbevel over te dragen aan het buitenland. Als de goederen niet al eerder worden teruggegeven zal uiteindelijk het buitenland beslissen wat ermee moet gebeuren.
U heeft het recht om binnen twee weken, gerekend vanaf de datum van kennisgeving, beklag in te dienen tegen dit beslag en/of het voornemen om het beslag en/of de kopieën/afschriften ervan aan het buitenland over te dragen bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo.”
3.2.4
De brief van de rechter-commissaris van 19 juni 2023 waarnaar de rechtbank in haar beschikking verwijst, houdt onder meer in:
“Aan de bewoner(s) van het perceel
[a-straat 1]
[postcode] [plaats]
(...)
Geachte heer/mevrouw,
Onder leiding van de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel is op 23 mei 2023 in uw woning/perceel een doorzoeking verricht. Als bijlage treft u het proces-verbaal van de doorzoeking aan.
Als er goederen en/of bescheiden in beslag zijn genomen staat dit vermeld in het bijgevoegde proces-verbaal. Indien u teruggave wenst van deze of een gedeelte van de inbeslaggenomen goederen, dient u zich te wenden tot de officier van justitie te Arnhem, Postbus 9032 6800EP, 088-6991900, onder vermelding van bovengenoemd kenmerk. De officier van justitie is de bevoegde autoriteit voor het afhandelen van inbeslaggenomen goederen.”
3.3.1
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (Pb EU 2014, L 130/1) van belang.
- Artikel 13 leden 1 en 2:
“1. De uitvoerende autoriteit draagt het bij de tenuitvoerlegging van het EOB verkregen bewijsmateriaal of het bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde instanties van de uitvoerende staat, zonder onnodige vertraging over aan de uitvaardigende staat. Indien zulks in het EOB wordt gevraagd en het recht van de uitvoerende staat in die mogelijkheid voorziet, wordt het bewijsmateriaal onmiddellijk overgedragen aan de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staat die overeenkomstig artikel 9, lid 4, bijstand verlenen bij de tenuitvoerlegging van het EOB.
2. De overdracht van het bewijsmateriaal kan worden opgeschort in afwachting van een beslissing op een ingesteld rechtsmiddel, tenzij in het EOB voldoende gemotiveerd is dat een onmiddellijke overdracht essentieel is voor het goede verloop van het onderzoek of voor de bescherming van de individuele rechten. De overdracht van het bewijsmateriaal wordt echter opgeschort indien de betrokkene daardoor ernstige en onomkeerbare schade zou lijden.”
- Artikel 14 leden 1, 3 en 4:
“1. De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.
3. Indien de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1, nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat er informatie wordt verstrekt over de in het nationale recht geboden mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen, zodra die middelen van toepassing worden, en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden toegepast.
4. De lidstaten verzekeren dat de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel dezelfde zijn als die in vergelijkbare binnenlandse zaken, en dat deze termijnen worden gehanteerd op een wijze die garandeert dat het recht tot aanwending van dat rechtsmiddel effectief kan worden gebruikt door de betrokken personen.”
3.3.2
Bij de Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter implementatie van de Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (implementatie richtlijn Europees onderzoeksbevel), Stb. 2017, 231, is onder meer artikel 5.4.10 Sv vastgesteld. Artikel 5.4.10 leden 1, 2 en 3 Sv luidt:
“1. De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen danwel gegevens zijn gevorderd, of bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, of die een vordering heeft ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede de betrokkene bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o, heeft plaatsgevonden wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.
2. Indien de officier van justitie redenen heeft om aan te nemen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de beslagene toebehoort of gevorderde of vastgelegde gegevens in overwegende mate betrekking hebben op een andere persoon dan bij wie deze zijn gevorderd, doet hij de nodige naspeuringen naar deze directe belanghebbende in Nederland teneinde hem een kennisgeving bedoeld in het eerste lid te doen toekomen.
3. De artikelen 552a, eerste tot en met zesde lid, 552d, eerste en tweede lid, en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het bevel, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift.”
3.3.3
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de onder 3.3.2 genoemde wet, houdt onder meer in:
“De betrokkene wordt geattendeerd op de mogelijkheid om als belanghebbende een klaagschrift in te dienen: het gaat dan om personen bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen dan wel gegevens zijn gevorderd, personen bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, personen aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, personen die een vordering hebben ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, of personen bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o Sv, heeft plaatsgevonden.
Hiermee wordt een effectief rechtsmiddel voor de belanghebbende gecreëerd, mede ingegeven door de gedachte dat het waarschijnlijk – in praktische zin en mogelijk ook juridische zin – voor de belanghebbende moeilijker zal zijn om zijn rechten na overdracht van het bewijsmateriaal uit te oefenen in de uitvaardigende staat.
Indien de officier van justitie redenen heeft om aan te nemen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de beslagene toebehoort of gevorderde gegevens in overwegende mate betrekking hebben op andere personen dan degene bij wie deze zijn gevorderd, doet hij de nodige naspeuringen naar deze directe belanghebbenden in Nederland teneinde hun een kennisgeving bedoeld in artikel 5.1.10, eerste lid, te doen toekomen. Het gaat daarbij om een inspanningsverplichting om directe belanghebbenden in te lichten, te weten personen die eigenaar zijn van het inbeslaggenomen voorwerp, of personen op wie de gevorderde of vastgelegde gegevens in overwegende mate betrekking hebben en die worden genoemd in het bevel.”
(Kamerstukken II 2016/17, 34611, nr. 3, p. 12-13.)
De nota naar aanleiding van het verslag bij dat wetsvoorstel houdt onder meer in:
“Ik kan de leden van de CDA-fractie een bevestigend antwoord geven op hun vraag of het conform de richtlijn nodig is om betrokkenen actief te informeren bij het inzetten van bevoegdheden. Dit volgt uit artikel 14, derde lid, van de richtlijn. Gedachte hierachter is dat – in gevallen waarin geheimhouding niet is aangewezen – belanghebbenden zo optimaal gebruik kunnen maken van de mogelijkheden tot rechtsbescherming die het nationale recht hun biedt.”
(Kamerstukken II 2016/17, 34611, nr. 6, p. 14.)
3.4.1
Onder 2.2.3 kwam naar voren dat de officier van justitie op grond van artikel 5.4.9 lid 1 Sv de resultaten van de uitvoering van het EOB zo spoedig mogelijk ter beschikking stelt aan de uitvaardigende autoriteit, maar dat – als overeenkomstig artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv een klaagschrift is ingediend of nog kan worden ingediend – de overdracht van de resultaten pas plaatsvindt nadat onherroepelijk op het ingediende klaagschrift is beslist. De kennisgeving als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 Sv strekt ertoe – gelet op wat onder 3.3 is weergegeven – de betrokkene en de directe belanghebbende in kennis te stellen van hun bevoegdheid om een klaagschrift in te dienen tegen de inbeslagneming ter uitvoering van een EOB en van de daarvoor geldende termijn, op grond waarvan dat klaagschrift binnen veertien dagen na de kennisgeving kan worden ingediend, zodat de betrokkene en de directe belanghebbende effectief gebruik kunnen maken van een rechtsmiddel (vgl. HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:580).
3.4.2
Overschrijding van de in artikel 5.4.10 lid 1 Sv genoemde termijn van veertien dagen voor het indienen van een klaagschrift betekent in de regel dat het klaagschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard. Onder omstandigheden blijft echter dat rechtsgevolg achterwege. Dat is allereerst het geval als door of namens het openbaar ministerie de in artikel 5.4.10 lid 1 Sv bedoelde kennisgeving aan de betrokkene of de directe belanghebbende is gedaan, maar waarbij een gebrek aan die kennisgeving verhindert dat het klaagschrift tijdig wordt ingediend. Zo’n geval kan zich voordoen als de betrokkene of de directe belanghebbende niet (op de juiste wijze) is ingelicht over de in artikel 5.4.10 lid 1 Sv bedoelde termijn van veertien dagen waarbinnen het klaagschrift moet worden ingediend, bijvoorbeeld omdat die termijn niet is vermeld op de kennisgeving (vgl. HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:580) of omdat uit de kennisgeving niet blijkt wanneer die termijn is aangevangen.
Verder kan het gaan om het geval waarin niet een gebrek aan de kennisgeving kleeft, maar waarin als gevolg van (andersoortige) aan de klager niet toe te rekenen omstandigheden de klager niet, althans niet voor het verstrijken van de in artikel 5.4.10 lid 1 Sv genoemde termijn, bekend was met de uitvoering van het EOB en de in dat verband (zo mogelijk) gedane kennisgeving. Van dergelijke omstandigheden kan sprake zijn als het openbaar ministerie geen kennisgeving aan de betreffende persoon heeft kunnen doen (bijvoorbeeld vanwege onbekendheid met die persoon), maar die persoon langs andere weg op de hoogte is geraakt van de uitvoering van het EOB. In zo’n geval moet het klaagschrift worden ingediend binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de betreffende persoon met de uitvoering van het EOB bekend is geworden. Daarbij moet het gaan om een klager die kan worden aangemerkt als betrokkene in de zin van artikel 5.4.10 lid 1 Sv, of als directe belanghebbende als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 2 Sv.
3.5.1
Uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de klaagster eigenaar is van de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] , dat na de doorzoeking ter inbeslagneming in deze woning een ongedateerde ‘552a Kennisgeving beklagrecht’ is achtergelaten voor “de bewoners” van dat pand en dat [betrokkene 1] als enige op dat adres stond ingeschreven. De klaagster stelt dat zij niet wist dat [betrokkene 1] op dat adres was ingeschreven en dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan haar toebehoren. Namens de klaagster is bij de behandeling in raadkamer aangevoerd dat zij niet vaak in de woning kwam en dat zij de bij de doorzoeking inbeslaggenomen goederen in het schuurtje bij de woning had gezet, dat zij gebruikte als archief.
3.5.2
Met de onder 3.2.1 weergegeven overwegingen heeft de rechtbank als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat niet is komen vast te staan dat de klaagster van de op 23 mei 2023 in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] achtergelaten kennisgeving op de hoogte is gekomen en dat het niet aan haar kan worden toegerekend dat zij niet binnen veertien dagen na die datum een klaagschrift heeft ingediend. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat de klaagster een klaagschrift heeft ingediend binnen veertien dagen nadat zij had kennisgenomen van de inbeslagneming door de brief van de rechter-commissaris van 19 juni 2023. Gelet op wat onder 3.3 en 3.4 is vooropgesteld, getuigt het op die vaststellingen gebaseerde oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift onder deze omstandigheden tijdig is ingediend, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk.
3.6
Het cassatiemiddel faalt.
4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het beklag gegrond moet worden verklaard.
4.2
De rechtbank heeft het beklag gegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank houdt daarover in:
“5. De beoordeling
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
Feiten en omstandigheden
Naar aanleiding van het EOB van de Duitse autoriteiten, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in Duitsland ter zake van de verdenking van betrokkenheid bij plofkraken van een op het adres aan de [a-straat 1] in [plaats] ingeschreven verdachte, genaamd [betrokkene 1] , op 23 mei 2023 door de rechter-commissaris beslag gelegd op een laptop, een USB-stick en een navigatiesysteem. Klaagster stelt eigenaar te zijn van de inbeslaggenomen goederen. Zij kent geen persoon met de naam [betrokkene 1] en heeft haar woning en schuur aan niemand ter beschikking gesteld. Zij stelt dat het beslag dan ook onrechtmatig is gelegd nu het nooit tot een doorzoeking in haar woning en schuur had mogen komen omdat er geen enkele relatie is met de verdachte [betrokkene 1] .
Maatstaf
Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd ter uitvoering van een EOB van de Duitse justitiële autoriteiten in Düsseldorf. De raadkamer dient daarom te beoordelen of a) de inbeslagname gebaseerd is op een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse justitiële autoriteit, en b) de inbeslaggenomen stukken van overtuiging de waarheidsvinding kunnen dienen in verband met het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft.
Beoordeling
De Leitende Oberstaatsanwalt in Düsseldorf heeft op 8 mei 2023 een aan Nederland gericht rechtshulpverzoek gedaan, onder meer strekkende tot het doorzoeken van de woning van [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] in [plaats] en het veiligstellen van bewijsmiddelen. Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie bij de rechter-commissaris op 16 mei 2023 gevorderd dat aan dit rechtshulpverzoek uitvoering zou worden gegeven. Daarop heeft de rechter-commissaris op 23 mei 2023 in het kader van een doorzoeking in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] beslag gelegd op de voorwerpen zoals genoemd op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, gevoegd bij het proces-verbaal van doorzoeking d.d. 12 juni 2023 dat op 19 juni 2023 naar de bewoner(s) van het perceel aan de [a-straat 1] in [plaats] is gestuurd.
Overwegingen
Klaagster stelt eigenaar te zijn van de inbeslaggenomen goederen en wenst de goederen terug te krijgen. Klaagster is sinds 2021 eigenaar van het perceel aan de [a-straat 1] in [plaats] . Zij kent [betrokkene 1] niet. De inbeslaggenomen spullen zijn van klaagster en op de gegevensdragers staan bovendien gegevens van patiënten van [A] waar klaagster een bestuursfunctie vervult. Klaagster stelt niets te maken te hebben met [betrokkene 1] en wist ook niet dat [betrokkene 1] ingeschreven staat op het adres aan de [a-straat 1] in [plaats] . Zij heeft dat perceel in 2021 gekocht van de ouders van [betrokkene 1] . Volgens klaagster is uit het onderzoek van de politie ook niet gebleken dat [betrokkene 1] op dit adres is gezien terwijl er voorts ook geen aanwijzingen zijn dat [betrokkene 1] daar heeft verbleven. Klaagster meent daarom dat de doorzoeking op dit adres niet had mogen plaatsvinden en dat het beslag onrechtmatig is gelegd. Zij maakt zich bovendien zorgen over de gevoelige gegevens op de USB-stick en de laptop van patiënten van [A] . Namens klaagster heeft haar raadsman gesteld dat de inbeslagneming van haar spullen onrechtmatig is. Dat klemt te meer nu het ook nog eens gevoelige gegevens betreffen die onder haar geheimhoudingsplicht vallen.
De raadkamer overweegt daarover het volgende.
De raadkamer stelt voorop dat op grond van de stukken en de behandeling op de zitting vast staat dat het rechtshulpverzoek en de daaruit voortvloeiende inbeslagname door de rechter-commissaris is gebaseerd op de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie en het als integraal onderdeel hiervan afgesloten Protocol. Het rechtshulpverzoek is uitgegaan van een bevoegde autoriteit en voldoet aan de ter zake geldende wet- en regelgeving.
De inbeslagneming heeft plaatsgevonden in de woning van klaagster.
Het uitgangspunt dat aan een op een Verdrag gebaseerd rechtshulpverzoek dat ook overigens voldoet aan de daaraan door wet en verdragen gestelde eisen, zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven, brengt mee dat de rechter in het kader van de beklagprocedure ex artikel 552a Sv bij zijn oordeel of het beslag gehandhaafd moet blijven in het belang van de waarheidsvinding van een in het buitenland lopend onderzoek, als regel mag vertrouwen op het oordeel dienaangaande van de justitiële autoriteiten van de verzoekende staat.
De beklagrechter zal zich ook bij deze uitleg in het kader van de klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv een eigen oordeel moeten vormen over de vraag of aannemelijk is dat de inbeslaggenomen stukken kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding. Onder omstandigheden, mede afhankelijk van hetgeen door de klager is aangevoerd, zal daarbij niet met een globaal oordeel kunnen worden volstaan en zal een kaal beroep op het vertrouwensbeginsel het oordeel van de rechtbank niet kunnen dragen.
Met inachtneming van dat toetsingskader stelt de raadkamer vast dat het op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is dat klaagster eerst op 19 juni 2023 op de hoogte geraakt is van de doorzoeking en de inbeslagneming van haar toebehorende goederen. Ten onrechte is aangenomen dat klaagster niet binnen de termijn van veertien dagen na 23 mei 2023 toen de brief met de kennisgeving van de doorzoeking in haar woning is achtergelaten, een klaagschrift heeft willen indienen. Zij kon dat niet eerder doen dan na kennisneming van de brief van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juni 2023 waarna op 29 juni 2023 het klaagschrift is ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. In de tussentijd zijn de inbeslaggenomen goederen door de officier van justitie echter overgedragen aan de autoriteiten in Duitsland.
Gelet op het feit dat klaagster wel degelijk beklag heeft willen doen binnen de wettelijke termijn maar dat niet heeft kunnen doen door omstandigheden die buiten haar schuld liggen, is de raadkamer van oordeel dat de officier van justitie de goederen niet aan de Duitse justitiële autoriteiten had mogen overdragen.
De raadkamer acht het klaagschrift daarom gegrond en gelast de officier van justitie om de overgedragen goederen (een laptop, merk: Dell, een USB-stick, een navigatiesysteem, merk: Tomtom) terug te halen naar Nederland waarna het klaagschrift van klaagster over de onrechtmatigheid van het beslag door de raadkamer opnieuw kan worden beoordeeld. Daarbij kan ook de vraag aan de orde komen of überhaupt van de gegevens op de USB-stick en de laptop kennis genomen mag worden nu wordt gesteld dat het om gevoelige gegevens gaat die onder de geheimhoudingsplicht van klaagster vallen.”
4.3
De rechtbank heeft bij de beoordeling van het beklag tot uitgangspunt genomen dat sprake is van inbeslagneming op grond van een op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse justitiële autoriteit tot het verlenen van rechtshulp. Het gaat in deze zaak echter om inbeslagneming waarmee uitvoering is gegeven aan een EOB. Bij de beoordeling van het klaagschrift heeft de rechtbank daarom ten onrechte niet het – onder 2.2.2 weergegeven – beoordelingskader aangelegd dat van toepassing is in een beklagprocedure in verband met de uitvoering van een EOB.
4.4
Het cassatiemiddel slaagt.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, A.E.M. Röttgering, M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2024.
Conclusie 09‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Aanvullende conclusie AG, inhoudende bespreking van de middelen, na eerdere conclusie dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is (Conclusie 14 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1021). OM-cassatie tegen ontvankelijkverklaring van beklag tegen beslag n.a.v. een Duits EOB, art. 552a jo. 5.4.10 Sv, omdat de Rb de termijn waarbinnen beklag dient te worden ingediend (veertien dagen na de kennisgeving) heeft laten beginnen vanaf het moment dat de klaagster daadwerkelijk kennis heeft genomen van het beslag. Vraag of het achterlaten van een ongedateerde kennisgeving van het beslag in de doorzochte woning terwijl daar niemand aanwezig was, gelijk kan worden gesteld met toezending van de kennisgeving in de zin van art. 36b Sv. Vraag of de Rb het OM kan verplichten zich in te spannen de (ten onrechte) reeds overgedragen voorwerpen uit Duitsland terug te halen ten einde definitief op het ingediende beklag te beslissen, met het oog op het beroep van klaagster op haar verschoningsrecht m.b.t. gegevens die zich op de inbeslaggenomen en overgedragen laptop en usb stick bevinden. De aanvullende conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03395 Br
Zitting 9 januari 2024
NADERE CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de klaagster
1. Nadere conclusie
1.1
Op 14 november 2023 heb ik in deze zaak een conclusie genomen met de strekking dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het cassatieberoep en de middelen onbesproken gelaten.1.De Hoge Raad heeft mij gevraagd over deze middelen aanvullend te concluderen, aan welk verzoek ik hierbij gevolg geef.
1.2
Voor de leesbaarheid van deze aanvullende conclusie zal ik hierna eerst herhalen waartegen het cassatieberoep is gericht en nogmaals de feiten samenvatten die voor de bespreking van de middelen van belang zijn.
2. Het cassatieberoep
2.1
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 9 augustus 2023 het klaagschrift van de klaagster gegrond verklaard en gelast dat de officier van justitie zich in zal spannen dat de in de woning van klaagster in beslag genomen goederen door de Duitse justitiële autoriteiten worden teruggestuurd naar de officier van justitie opdat vervolgens een beslissing kan worden genomen over het klaagschrift.
2.2
Namens het openbaar ministerie heeft H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingediend.
3. Het procesverloop en waar het in deze zaak om gaat
3.1
Uit de processtukken kan worden opgemaakt dat op 23 mei 2023 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in een pand gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] waarvan de klaagster de eigenaar is en waarbij een drietal gegevensdragers in beslag is genomen. De beslaglegging is gedaan ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) dat is uitgevaardigd door de justitiële autoriteiten van Duitsland in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar de zoon (hierna: de verdachte) van degenen van wie de klaagster de woning in 2021 heeft gekocht. De verdachte stond op het moment van de doorzoeking als enige persoon ingeschreven op het adres van deze woning.
3.2
Ten tijde van de doorzoeking was niemand aanwezig in de woning. Na afloop van de doorzoeking is – zo blijkt uit de akte van uitreiking – in de woning een ongedateerde kennisgeving beklagrecht achtergelaten waarin onder meer wordt aangegeven dat op 23 mei 2023 in de woning een doorzoeking heeft plaatsgevonden en dat binnen twee weken, gerekend vanaf de datum van de kennisgeving, beklag kan worden ingediend tegen het beslag en het voornemen om de in beslag genomen voorwerpen over te dragen naar het buitenland.
3.3
Vervolgens is op 19 juni 2023 namens de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Overijssel een brief aan de bewoners van het doorzochte pand gestuurd waarin is vermeld dat op 23 mei 2023 een doorzoeking heeft plaatsgevonden. De brief bevat geen informatie over de mogelijkheid van beklag. Als bijlage bij deze brief is het proces-verbaal van de doorzoeking gevoegd.
3.4
Op 27 juni 2023 is namens klaagster een klaagschrift ingediend met het verzoek dat de rechtbank een last zal geven aan het openbaar ministerie “tot directe en fysieke feitelijke teruggave van het sinds 23 mei 2023 inbeslaggenomen genoemde gegevensdragers, aan verzoekster”.
3.5
Het klaagschrift is op 9 augustus 2023 in raadkamer behandeld. Daar is de ontvankelijkheid van het klaagschrift aan bod gekomen, omdat ex art. 5.4.10 Sv een klaagschrift tegen inbeslagneming naar aanleiding van een EOB binnen veertien dagen na kennisgeving van de beklagmogelijkheid bij de rechtbank moet zijn ingediend. De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het klaagschrift niet binnen veertien dagen na kennisgeving van het beslag van 23 mei 2023 bij de rechtbank is ingediend.
3.6
De rechtbank heeft geoordeeld dat het klaagschrift ontvankelijk is en dit als volgt gemotiveerd:
“4. De ontvankelijkheid
Het klaagschrift is ontvankelijk. Gebleken is dat klaagster eerst op 19 juni 2023 op de hoogte geraakt is van het leggen van beslag op haar spullen na doorzoeking van haar woning aan de [a-straat 1] in [plaats] op 23 mei 2023 door de rechter-commissaris ter uitvoering van een van de Duitse justitiële autoriteiten afkomstig EOB. Het EOB ziet op verdenking van plofkraken in Duitsland door [betrokkene 1] en anderen. [betrokkene 1] staat als enige ingeschreven op het adres aan de [a-straat 1] in [plaats] . Blijkens de stukken is op 23 mei 2023 na de doorzoeking in de woning (waar niemand aanwezig was) een ongedateerde brief van de officier van justitie mr. B. Veelders achtergelaten voor de bewoner(s) van het pand met daarin de mededeling dat er goederen in beslag genomen zijn op verzoek van een buitenlandse rechter en dat binnen veertien dagen bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, beklag kan worden gedaan over het voornemen van de officier van justitie om de inbeslaggenomen goederen over te dragen aan de Duitse justitiële autoriteiten. Klaagster heeft gesteld dat zij eerst bij schrijven van 19 juni 2023 met bijlage met stempel van de Raad voor de Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland / rechtbank Overijssel (zie stukken) op de hoogte is gesteld van het gelegde beslag op haar spullen. Op donderdag 29 juni 2023 is het klaagschrift met bijlagen ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland in Utrecht. Volgens de raadsman is het daarmee tijdig ingediend na kennisneming van de brief van 19 juni 2023 met als bijlage het proces-verbaal van doorzoeking, gedateerd op 12 juni 2023, over het op 23 mei 2023 gelegde beslag door de rechter-commissaris.
In aanmerking genomen dat de kale mededeling op de akte van uitreiking bij de ongedateerde brief van de officier van justitie mr. Veelders in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] op 23 mei 2023 waar ten tijde van de doorzoeking die dag niemand aanwezig was, niets zegt over de kennisneming daarvan door klaagster, nu klaagster weliswaar eigenaar is van het pand maar daar niet is ingeschreven terwijl zij ook geen weet had van de inschrijving van een ander op dat adres en zij verdachte [betrokkene 1] ook helemaal niet kent, is de raadkamer van oordeel dat het op 29 juni 2023 bij de rechtbank Midden Nederland door haar raadsman ingediende klaagschrift tijdig binnen veertien dagen na kennisneming van het beslag is binnengekomen.”
3.7
De rechtbank is voorts overgegaan tot beoordeling van het klaagschrift en heeft in dit verband het volgende overwogen en beslist:
“5. De beoordeling
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
Feiten en omstandigheden
Naar aanleiding van het EOB van de Duitse autoriteiten, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in Duitsland ter zake van de verdenking van betrokkenheid bij plofkraken van een op het adres aan de [a-straat 1] in [plaats] ingeschreven verdachte, genaamd [betrokkene 1] , op 23 mei 2023 door de rechter-commissaris beslag gelegd op een laptop, een USB-stick en een navigatiesysteem. Klaagster stelt eigenaar te zijn van de inbeslaggenomen goederen. Zij kent geen persoon met de naam [betrokkene 1] en heeft haar woning en schuur aan niemand ter beschikking gesteld. Zij stelt dat het beslag dan ook onrechtmatig is gelegd nu het nooit tot een doorzoeking in haar woning en schuur had mogen koen omdat er geen enkele relatie is met de verdachte [betrokkene 1] .
Maatstaf
Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd ter uitvoering van een EOB van de Duitse justitiële autoriteiten in Düsseldorf. De raadkamer dient daarom te beoordelen of a) de in beslagname gebaseerd is op een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse justitiële autoriteit, en b) de inbeslaggenomen stukken van overtuiging de waarheidsvinding kunnen dienen in verband met het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft.
Beoordeling
De Leitende Oberstaatsanwalt in Düsseldorf heeft op 8 mei 2023 een aan Nederland gericht rechtshulp gedaan, onder meer strekkende tot het doorzoeken van de woning van [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] in [plaats] en het veiligstellen van bewijsmiddelen. Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie bij de rechter-commissaris op 16 mei 2023 gevorderd dat aan dit rechtshulpverzoek uitvoering zou worden gegeven. Daarop heeft de rechter-commissaris op 23 mei 2023 in het kader van een doorzoeking in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] beslag gelegd op de voorwerpen zoals genoemd op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, gevoegd bij het proces-verbaal van doorzoeking d.d. 12 juni 2023 dat op 19 juni 2023 naar de bewoner(s) van het perceel aan de [a-straat 1] in [plaats] is gestuurd.
Overwegingen
Klaagster stelt eigenaar te zijn van de inbeslaggenomen goederen en wenst de goederen terug te krijgen. Klaagster is sinds 2021 eigenaar van het perceel aan de [a-straat 1] in [plaats] . Zij kent [betrokkene 1] niet. De inbeslaggenomen spullen zijn van klaagster en op de gegevensdragers staan bovendien gegevens van patiënten van [A] waar klaagster een bestuursfunctie vervult. Klaagster stelt niets te maken te hebben met [betrokkene 1] en wist ook niet dat [betrokkene 1] ingeschreven staat op het adres aan de [a-straat 1] in [plaats] . Zij heeft dat perceel in 2021 gekocht van de ouders van [betrokkene 1] . Volgens klaagster is uit het onderzoek van de politie ook niet gebleken dat [betrokkene 1] op dit adres is gezien terwijl er voorts ook geen aanwijzingen zijn dat [betrokkene 1] daar heeft verbleven. Klaagster meent daarom dat de doorzoeking op dit adres niet had mogen plaatsvinden en dat het beslag onrechtmatig is gelegd. Zij maakt zich bovendien zorgen over de gevoelige gegevens op de USB-stick en de laptop van patiënten van [A] . Namens klaagster heeft haar raadsman gesteld dat de inbeslagneming van haar spullen onrechtmatig is. Dat klemt te meer nu het ook nog eens gevoelige gegevens betreffen die onder haar geheimhoudingsplicht vallen.
De raadkamer overweegt daarover het volgende.
De raadkamer stelt voorop dat op grond van de stukken en de behandeling op de zitting vast staat dat het rechtshulpverzoek en de daaruit voortvloeiende inbeslagname door de rechter commissaris is gebaseerd op de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie en het als integraal onderdeel hiervan afgesloten Protocol. Het rechtshulpverzoek is uitgegaan van een bevoegde autoriteit en voldoet aan de ter zake geldende wet- en regelgeving.
De inbeslagneming heeft plaatsgevonden in de woning van klaagster.
Het uitgangspunt dat aan een op een Verdrag gebaseerd rechtshulpverzoek dat ook overigens voldoet aan de daaraan door wet en verdragen gestelde eisen, zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven, brengt mee dat de rechter in het kader van de beklagprocedure ex artikel 552a Sv bij zijn oordeel of het beslag gehandhaafd moet blijven in het belang van de waarheidsvinding van een in het buitenland lopend onderzoek, als regel mag vertrouwen op het oordeel dienaangaande van de justitiële autoriteiten van de verzoekende staat.
De beklagrechter zal zich ook bij deze uitleg in het kader van de klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv een eigen oordeel moeten vormen over de vraag of aannemelijk is dat de inbeslaggenomen stukken kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding. Onder omstandigheden, mede afhankelijk van hetgeen door de klager is aangevoerd, zal daarbij niet met een globaal oordeel kunnen worden volstaan en zal een kaal beroep op het vertrouwensbeginsel het oordeeI van de rechtbank niet kunnen dragen.
Met inachtneming van dat toetsingskader stelt de raadkamer vast dat het op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is dat klaagster eerst op 19 juni 2023 op de hoogte geraakt is van de doorzoeking en de inbeslagneming van haar toebehorende goederen. Ten onrechte is aangenomen dat klaagster niet binnen de termijn van veertien dagen na 23 mei 2023 toen de brief met de kennisgeving van de doorzoeking in haar woning is achtergelaten, een klaagschrift heeft willen indienen. Zij kon dat niet eerder doen dan na kennisneming van de brief van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juni 2023 waarna op 29 juni 2023 het klaagschrift is ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. In de tussentijd zijn de inbeslaggenomen goederen door de officier van justitie echter overgedragen aan de autoriteiten in Duitsland.
Gelet op het feit dat klaagster wel degelijk beklag heeft willen doen binnen de wettelijke termijn maar dat niet heeft kunnen doen door omstandigheden die buiten haar schuld liggen, is de raadkamer van oordeel dat de officier van justitie de goederen niet aan de Duitse justitiële autoriteiten had mogen overdragen.
De raadkamer acht het klaagschrift daarom gegrond en gelast de officier van justitie om de overgedragen goederen (een laptop, merk: Dell, een USB-stick, een navigatiesysteem, merk: Tomtom) terug te halen naar Nederland waarna het klaagschrift van klaagster over de onrechtmatigheid van het beslag door de raadkamer opnieuw kan worden beoordeeld. Daarbij kan ook de vraag aan de orde komen of überhaupt van de gegevens op de USB-stick en de laptop kennis genomen mag worden nu wordt gesteld dat het om gevoelige gegevens gaat die onder de geheimhoudingsplicht van klaagster vallen.
Conclusie
De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard.
6. De beslissing
De raadkamer verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de officier van justitie zich in te spannen dat de in het perceel aan de [a-straat 1] in [plaats] inbeslaggenomen goederen (een laptop, merk: Dell, een USB-stick, een navigatiesysteem, merk: Tomtom) door de Duitse justitiële autoriteiten worden teruggestuurd naar de officier van justitie opdat vervolgens een beslissing kan worden genomen over het klaagschrift.”
3.8
Het cassatieberoep richt zich tegen de ontvankelijkverklaring van het klaagschrift (eerste middel), de gegrondverklaring hiervan en tegen de beslissing van de rechtbank de officier van justitie te gelasten om zich in te spannen de in beslag genomen overgedragen goederen terug naar Nederland te halen (tweede middel).
4. Het eerste middel
4.1
Het eerste middel klaagt dat de rechtbank de klaagster ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in haar beklag, althans dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk en/of toereikend is gemotiveerd. Waar het in de kern om draait is of klaagster als direct belanghebbende te laat is geweest met de indiening van het klaagschrift en dus door de rechtbank niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Daarmee hangt direct samen of haar op de juiste wijze kennis is gegeven van de inbeslagneming. Ik zal eerst het wettelijk kader weergeven en dan hetgeen ter onderbouwing van het middel wordt gesteld en aangevoerd bespreken.
Het wettelijk kader
4.2
“1. De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen danwel gegevens zijn gevorderd, of bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, of die een vordering heeft ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede de betrokkene bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o, heeft plaatsgevonden wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.
2. Indien de officier van justitie redenen heeft om aan te nemen dat een inbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de beslagene toebehoort of gevorderde of vastgelegde gegevens in overwegende mate betrekking hebben op een andere persoon dan bij wie deze zijn gevorderd, doet hij de nodige naspeuringen naar deze directe belanghebbende in Nederland teneinde hem een kennisgeving bedoeld in het eerste lid te doen toekomen.
3. De artikelen 552a, eerste tot en met zesde lid, 552d, eerste en tweede lid, en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het bevel, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift.”
4.3
De tekst van art. 5.4.10 Sv is gebaseerd op art. 14 leden 1, 3 en 4 van Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken2., die luiden:
“1. De lidstaten zien erop toe dat op de in het EOB aangegeven onderzoeksmaatregelen rechtsmiddelen toepasselijk zijn die gelijkwaardig zijn met die welke in een vergelijkbare binnenlandse zaak mogelijk zijn.
[…]
3. Indien de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1, nemen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit passende maatregelen om ervoor te zorgen dat er informatie wordt verstrekt over de in het nationale recht geboden mogelijkheden om rechtsmiddelen in te stellen, zodra die middelen van toepassing worden, en wel tijdig zodat zij daadwerkelijk kunnen worden toegepast.
4. De lidstaten verzekeren dat de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel dezelfde zijn als die in vergelijkbare binnenlandse zaken, en dat deze termijnen worden gehanteerd op een wijze die garandeert dat het recht tot aanwending van dat rechtsmiddel effectief kan worden gebruikt door de betrokken personen.”
4.4
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van art. 5.4.10 Sv houdt onder meer het volgende in:
“De betrokkene wordt geattendeerd op de mogelijkheid om als belanghebbende een klaagschrift in te dienen: het gaat dan om personen bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen dan wel gegevens zijn gevorderd, personen bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, personen aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, personen die een vordering hebben ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, of personen bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o Sv, heeft plaatsgevonden.
Hiermee wordt een effectief rechtsmiddel voor de belanghebbende gecreëerd, mede ingegeven door de gedachte dat het waarschijnlijk – in praktische zin en mogelijk ook juridische zin – voor de belanghebbende moeilijker zal zijn om zijn rechten na overdracht van het bewijsmateriaal uit te oefenen in de uitvaardigende staat.”3.
De nota naar aanleiding van het verslag bij dat wetsvoorstel houdt onder meer in:
“Ik kan de leden van de CDA-fractie een bevestigend antwoord geven op hun vraag of het conform de richtlijn nodig is om betrokkenen actief te informeren bij het inzetten van bevoegdheden. Dit volgt uit artikel 14, derde lid, van de richtlijn. Gedachte hierachter is dat – in gevallen waarin geheimhouding niet is aangewezen – belanghebbenden zo optimaal gebruik kunnen maken van de mogelijkheden tot rechtsbescherming die het nationale recht hun biedt.”4.
4.5
Dan ga ik nu over tot de bespreking van het middel.
Behoefde klaagster niet als belanghebbende te worden aangemerkt?
4.6
In de de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats gesteld dat nu “de verdachte op wie het EOB betrekking had als enige op het adres stond ingeschreven en klaagster elders stond ingeschreven, zich niet de situatie voordeed van art. 5.4.10 lid 2 Sv dat de officier van justitie redenen had om aan te nemen dat de inbeslaggenomen voorwerpen (mede) toebehoorden aan een ander”.
4.7
De rechtbank heeft dit aspect niet in haar ontvankelijkheidsbeslissing betrokken. Namens klaagster is ten overstaan van de rechtbank ook geen beroep gedaan op art. 5.4.10 lid 2 Sv in de zin dat de officier van justitie zich had moeten inspannen om haar adres te achterhalen en haar een kennisgeving van inbeslagneming inclusief de beklagmogelijkheden hiertegen had moeten toezenden. Maar dat nu in cassatie als vaststaand kan worden aangenomen dat de in art. 5.4.10 lid 2 Sv genoemde situatie zich niet voordeed, zoals in de cassatieschriftuur wordt gesteld, waag ik te betwijfelen. Hoewel dit voor de beoordeling van het cassatieberoep niet direct relevant is, wil ik hier ten overvloede toch de volgende opmerkingen over maken.
4.8
Uit de gedingstukken, te weten een proces-verbaal van bevindingen van de politie d.d. 9 mei 2023, blijkt dat voorafgaand aan de doorzoeking en inbeslagneming door de politie onderzoek is gedaan naar drie adressen waar in het kader van het EOB een doorzoeking zou kunnen worden gedaan. Ten aanzien van het adres [a-straat 1] te [plaats] , wordt daarin vastgesteld dat de verdachte [betrokkene 1] daar als enige persoon ingeschreven stond, dat dit de woning van zijn ouders is geweest “maar in 2021 is verkocht aan een Marokaanse vrouw” en dat de verdachte [betrokkene 1] daar niet verbleef.
4.9
Op grond van deze bevindingen is het niet evident dat er geen andere direct belanghebbende in het spel was en kan men zich ook afvragen of de omstandigheid dat alleen [betrokkene 1] op dit adres stond ingeschreven de officier van justitie kon ontslaan van de verplichting naspeuringen te doen naar de eigenaar van het pand (zijne klaagster). Het adres waar zij stond ingeschreven had betrekkelijk eenvoudig kunnen worden achterhaald, zodat ook aan dit adres een kennisgeving had kunnen worden gezonden. Dit geldt temeer nu uit hetzelfde proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de twee andere adressen betrekking hebben op de daadwerkelijke verblijfplaats van de verdachte en zijn gezin en het daadwerkelijke verblijfadres van de ouders van de verdachte en diens broer. Ook is door de politie vastgesteld dat de verdachte op beide laatste adressen (veelvuldig) aanwezig was. Nu de rechtbank hierop in haar beschikking niet nader is ingegaan, laat ik dit punt verder rusten en volsta ik met de signalering dat in het dossier aanknopingspunten kunnen worden gevonden dat de officier van justitie zich op grond van art. 5.4.10 lid 2 Sv had moeten inspannen om aan klaagster als direct belanghebbende een kennisgeving te doen toekomen op het adres waar zij was ingeschreven.
Voldeed de kennisgeving ex art. 5.4.10 Sv aan de wettelijke vereisten?
4.10
Voorts wordt in de cassatieschriftuur aangevoerd dat aan een kennisgeving als bedoeld in art. 5.4.10 Sv niet de eis wordt gesteld dat deze moet worden betekend zodat deze kennisgeving kan geschieden door toezending als bedoeld in art. 36c lid 2 Sv. Dat is op zichzelf juist. De kennisgeving van de bevoegdheid om binnen veertien dagen een klaagschrift in te dienen, kan worden aangemerkt als een gerechtelijke mededeling in de zin van art. 36b Sv. Dit betekent dat – nu noch betekening noch mondelinge kennisgeving wettelijk is voorgeschreven – uit art. 36c Sv voortvloeit dat toezending van de kennisgeving volstaat.5.
4.11
Of daaraan in het onderhavige geval is voldaan, doordat de officier van justitie een schrijven in de woning heeft achtergelaten voor de bewoner(s) met daarin de mededeling dat er op 23 mei 2023 goederen in beslag zijn genomen in het kader van een EOB en dat binnen veertien dagen beklag kan worden gedaan bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, ligt gecompliceerder.
4.12
Het derde lid van art. 36b Sv bepaalt dat “[t]oezending geschiedt door aflevering van een gewone of aangetekende brief door een postvervoerbedrijf als bedoeld in de Postwet 2009 dan wel door een hiertoe bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen dienst of andere instelling van vervoer, dan wel door elektronische overdracht, op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze”. In het onderhavige geval is de brief in de woning achtergelaten. Van toezending is dus geen sprake.
4.13
Evenmin is in mijn ogen sprake van een situatie zoals die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 19 april 20226., waarop de steller van het middel wijst. In die zaak had de rechtbank vastgesteld dat na doorzoeking ter inbeslagname een ‘schriftelijke kennisgeving beklagrecht’ in een envelop in woning van klaagster was achtergelaten en dat klaagster door de rechter-commissaris en de hulpofficier van justitie tijdens doorzoeking mondeling in kennis was gesteld van de mogelijkheid zich schriftelijk te beklagen over inbeslagname ter uitvoering van het EOB. De betrokkene was dus, anders dan in onderhavige zaak, thuis aanwezig op het moment van de doorzoeking. De Hoge Raad casseerde desalniettemin:
“2.5 De rechtbank heeft vastgesteld dat na de doorzoeking ter inbeslagname een ‘schriftelijke kennisgeving beklagrecht’ in een envelop in de woning van de klaagster is achtergelaten en dat de klaagster door de rechter-commissaris en de hulpofficier van justitie tijdens de doorzoeking mondeling in kennis is gesteld van de mogelijkheid om zich schriftelijk te beklagen over de inbeslagname ter uitvoering van het EOB. Daaruit volgt dat de klaagster in kennis is gesteld van haar bevoegdheid om een klaagschrift in te dienen tegen de inbeslagname ter uitvoering van een EOB, maar niet dat de klaagster ook op de hoogte is gesteld van de in artikel 5.4.10 lid 1 Sv bedoelde termijn op grond waarvan dat klaagschrift binnen veertien dagen na de kennisgeving kan worden ingediend. Het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de klaagster bij de doorzoeking op 1 oktober 2020 in kennis is gesteld van de termijn waarbinnen een klaagschrift kan worden ingediend, zodat de termijn op die datum is gaan lopen, is daarom niet zonder meer begrijpelijk. Hieraan doet niet af dat de klaagster bij de behandeling van het klaagschrift heeft aangegeven een brief te hebben ontvangen waarin een termijn van veertien dagen wordt genoemd voor het indienen van een klaagschrift. De rechtbank heeft immers niet vastgesteld op welk moment de klaagster die brief heeft ontvangen.”7.
4.14
Hoewel in de literatuur ook wel is betoogd dat achterlating van de kennisgeving in de woning volstaat,8.denk ik hier anders over. Ik maak uit bovengenoemd arrest van 19 april 2022 op dat waar het op aankomt is, dat de belanghebbende effectief wordt geïnformeerd over de mogelijkheid van beklag (en dat dit ook mondeling kan geschieden). Indien zou kunnen worden volstaan met een achterlating van de kennisgeving in de woning, terwijl de betrokkene niet aanwezig was bij de doorzoeking, is de kans dat de kennisgeving – die bij deze werkwijze mogelijk niet altijd op de te verwachten plaats, namelijk in de postbus ligt – over het hoofd wordt gezien aanzienlijk. In dit verband wijs ik erop dat in de onderhavige zaak de rechtbank niet heeft vastgesteld waar in de woning de brief is achtergelaten en dat dit op basis van het dossier ook niet valt vast te stellen. Gelet op de ratio van de bepaling, zoals deze blijkt uit Richtlijn 2014/41/EU en de wetsgeschiedenis beschreven onder 4.2-4.4 van deze conclusie – namelijk dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van zijn bevoegdheid een klaagschrift in te dienen tegen inbeslagname en van de daarvoor geldende termijn om zo effectief gebruik te kunnen maken van het instellen van een rechtsmiddel – ligt het mijns inzien niet in de rede om achterlating in de woning zonder meer gelijk te schakelen met toezending in de zin van art. 36b Sv.
4.15
Maar daarmee is de kous nog niet af. In de onderhavige zaak vertoont de kennisgeving die is achtergelaten ook inhoudelijke gebreken: deze is niet gedateerd.
4.16
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat deze omstandigheid niet gelijk kan worden gesteld met het geval waarbij de kennisgeving niet de in art. 5.4.10 lid 1 Sv bedoelde termijn bevat.9.Betoogd wordt dat slechts indien de kennisgeving (ten onrechte) niet gedaan is, geldt dat de termijn van veertien dagen aanvangt nadat de betrokkene heeft kennisgenomen van het beslag.10.
4.17
Ook hierin kan ik de steller van het middel niet volgen. De ongedateerde brief die na de doorzoeking is achtergelaten bevat de volgende tekst:

Geachte heer, mevrouw,
Er heeft op voormeld adres een doorzoeking plaatsgevonden. Dit is gedaan door de politie, op basis van een Europees Onderzoeksbevel dat door het Openbaar Ministerie is ontvangen van een buitenlandse rechter of officier van justitie.
Bij de doorzoeking zijn goederen in beslag genomen, zoals u kunt nalezen op de beslaglijst of in het proces-verbaal. Ik ben voornemens de in beslag genomen goederen en/of kopieën/afschriften ervan in het kader van dit Europees Onderzoeksbevel over te dragen aan het buitenland. Als de goederen niet al eerder worden teruggegeven zal uiteindelijk het buitenland beslissen wat ermee moet gebeuren.
U heeft het recht om binnen twee weken, gerekend vanaf de datum van kennisgeving, beklag in te dienen tegen dit beslag en/of het voornemen om het beslag en/of de kopieën/afschriften ervan aan het buitenland over te dragen bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, onder vermelding van voormeld kenmerk EOB-1-2021036168.
Rechtbank Overijssel, locatie Almelo
Bezoekadres Almelo .
Egbert Gorterstraat 5
7607 GB Almelo
De grond voor dat klaagschrift is artikel 552a van het wetboek van strafvordering.
Op de website rechtspraak.nl kunt u meer lezen over hoe u dit beklag kan doen. U kunt ook informatie inwinnen bij het Juridisch Loket (www.juridischloket.nl) of een advocaat.
Hoogachtend,
De officier van justitie”
4.18
Omdat de brief niet is gedateerd, is het voor de ontvanger niet duidelijk wanneer de termijn van veertien dagen gaat lopen. De brief bevat de mededeling dat deze ingaat vanaf het moment van de kennisgeving en niet vanaf het moment van de doorzoeking.
4.19
Met de overweging van de rechtbank “dat de kale mededeling op de akte van uitreiking bij de ongedateerde brief van de officier van justitie mr. Veelders in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] op 23 mei 2023 waar ten tijde van de doorzoeking die dag niemand aanwezig was, niets zegt over de kennisneming daarvan door klaagster”, bedoelt de rechtbank kennelijk dat deze brief niet kan worden aangemerkt als een rechtsgeldige kennisgeving als bedoeld in art. 5.4.10 lid 1 Sv. Dat getuigt, nu de kennisgeving niet op juiste wijze is geschiedt en bovendien geen datum bevat, zoals hiervoor onder 4.10 t/m 4.18 is weergegeven, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is dit oordeel evenmin. Dit geldt ook voor het in het verlengde van het voorgaande liggende oordeel dat het klaagschrift van 29 juni 2022 tijdig is ingediend, namelijk binnen veertien dagen nadat de klaagster op de hoogte is geraakt van het beslag en het voor haar kenbaar was dat dit beslag ziet op gegevens waarover zich mogelijk haar plicht tot geheimhouding uitstrekt.11.
Resterende klachten
4.20
Voor zover het middel verder nog klaagt dat in het oordeel van de rechtbank ligt besloten dat de zij de ‘kennisgeving aan de betrokkene' in art. 5.4.10 Sv kennelijk heeft opgevat als de 'kennisneming van het beslag door de betrokkene' en dat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting berust het mijns inziens op een verkeerde lezing van de beschikking. Ik lees het oordeel van de rechtbank zo dat de brief die is achtergelaten in de woning niet kan worden aangemerkt als een rechtsgeldige kennisgeving als bedoeld in art. 5.4.10 lid 1 Sv en dat als uitgangspunt voor de aanvang van de beklagtermijn de datum moet worden genomen waarop de klaagster op de hoogte is geraakt van het beslag. Het is juist dat art. 5.4.10 lid 1 Sv niet zo moet worden uitgelegd dat ingeval er een correcte kennisgeving is gedaan, de termijn pas begint te lopen op de datum dat de betrokkene op de hoogte is geraakt van deze kennisgeving of het beslag, maar zo moet de beschikking van de rechtbank ook niet worden gelezen.
4.21
Tot slot wordt nog geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd. Ook wat dit betreft lees ik de beschikking anders. De rechtbank heeft in het kader van de ontvankelijkheid geoordeeld dat binnen de termijn van veertien dagen beklag is ingediend en niet dat die termijn verontschuldigbaar is overschreden. Ik geef toe dat de overweging van de rechtbank “dat klaagster wel degelijk beklag heeft willen doen binnen de wettelijke termijn maar dat niet heeft kunnen doen door omstandigheden die buiten haar schuld liggen” hiermee strijdig lijkt, maar uit de context van de overige overwegingen van de rechtbank maak ik op dat zij kennelijk heeft bedoeld dat de wettelijke termijn van veertien dagen niet is gaan lopen op de datum van achterlating van de brief in de woning en dat de officier van justitie daarom niet was gerechtigd om – na het uitblijven van een klaagschrift binnen voornoemde termijn – de in beslag genomen voorwerpen over te dragen aan de Duitse justitiële autoriteiten. Uitgaande van die lezing faalt ook deze klacht.
4.22
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Opmerkingen ten overvloede over de toezending van gerechtelijke mededelingen
4.23
Ten overvloede merk ik nog het volgende op over de toezending van een gerechtelijke mededeling. De wet omschrijft de wijze van toezending, maar verheldert niet naar welk adres de gerechtelijke mededeling moet worden toegezonden.12.De in art. 36e lid 1 sub b Sv genoemde ‘hiërarchie’ van adressen (waarin het BRP-adres bovenaan staat, gevolgd door de vaste woon- of verblijfplaats) is blijkens de aanhef van dit artikellid alleen van toepassing op gevallen waarin betekening is voorgeschreven. Dat kan gelet op de zeer korte beklagtermijn die bij EOB-doorzoekingen geldt al snel tot problemen leiden, zeker als de direct belanghebbende meerdere panden bezit of bewoont. Als in zo’n geval de kennisgeving wordt toegezonden aan het adres van het doorzochte gebouw, maar niet aan het BRP-adres of de vaste woon- of verblijfplaats van de betrokkene, zal deze vaak te laat op de hoogte geraken van zijn beklagrecht. Dit verhoudt zich slecht tot de ratio van art. 5.4.10 lid 1 Sv.
4.24
In het voorstel van wet tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering13.wordt hier een mouw aan gepast. Uit art. 1.9.5 lid 4 jo. lid 5 (nieuw) Sv volgt dat ingeval de burger geen elektronisch adres heeft opgegeven het bericht wordt “toegezonden aan het adres van de burger in Nederland dat met overeenkomstige toepassing van artikel 1.9.13, vijfde en zesde lid [AG TS: dit artikel regelt de betekening], is bepaald”. Uit art. 1.9.13 lid 5 (nieuw) Sv volgt dat dient te worden toegezonden aan a. “het adres dat degene voor wie het bericht bestemd is daartoe heeft opgegeven, dan wel, indien deze geen adres heeft opgegeven”, b. “het adres waar degene voor wie het bericht bestemd is als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel, indien deze niet is ingeschreven” c. “de woon- of verblijfplaats van degene voor wie het bericht bestemd is”. Nu de a-categorie niet vaak van toepassing zal zijn, zal in de regel moeten worden toegezonden aan het BRP-adres van de betrokkene.
5. Het tweede middel
5.1
Het tweede middel bevat de klacht dat de rechtbank de gegrondverklaring van het klaagschrift niet, althans (volstrekt) onvoldoende en/of onbegrijpelijk, heeft gemotiveerd en in ieder geval niet heeft gebaseerd op het toepasselijke toetsingskader. Daarnaast geeft het oordeel van de rechtbank, waarin zij de officier van justitie gelast de overgedragen goederen terug naar Nederland te halen, respectievelijk zich in te spannen dat deze goederen door de Duitse justitiële autoriteiten worden teruggestuurd naar de officier van justitie, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu de rechtbank deze bevoegdheid niet bezit.
5.2
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de gegrondverklaring van het klaagschrift een eindbeslissing is, waarna de rechtbank niet meer aan zet is. Als de rechtbank voor ogen zou hebben gehad dat op een later moment, als de goederen weer in Nederland zijn, het klaagschrift ten gronde wordt beoordeeld had zij het onderzoek in raadkamer moeten aanhouden en niet het klaagschrift gegrond moeten verklaren. In dit verband wordt ook opgemerkt dat niet valt in te zien waarom het voor de inhoudelijke behandeling van het klaagschrift noodzakelijk zou zijn de goederen terug naar Nederland te halen.
5.3
Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de overweging van de rechtbank dat zij dient te beoordelen of de in beslag genomen stukken van overtuiging de waarheidsvinding kunnen dienen in verband met het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft. Hoewel de rechtbank niet is toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling heeft zij, volgens de steller van het middel, met deze overweging de toepasselijke maatstaf miskend, nu slechts ter beoordeling van de rechter staat of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
5.4
Bespreking van het tweede middel
5.5
Zoals ik in het kader van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in mijn eerdere conclusie van 14 november 2023 in deze zaak uiteen heb gezet, meen ik dat uit de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank, ook al heeft zij in haar beslissing de woorden “verklaart het klaagschrift gegrond” gebruikt, (nog) niet op dit klaagschrift heeft beslist, maar blijkens de daaropvolgende tekst van de beschikking besloten heeft het klaagschrift later inhoudelijk te behandelen.14.Het klaagschrift strekt immers tot teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, zodat de rechtbank – zou zij het klaagschrift gegrond hebben willen verklaren – de teruggave van de gegevensdragers had moeten gelasten.15.Er is in de onderhavige zaak weliswaar een last gegeven aan de officier van justitie, maar er is geen sprake van een definitieve beslissing op de vordering van de klaagster.16.Voor zover het middel klaagt over de gegrondverklaring van het klaagschrift door de rechtbank mist dit dus feitelijke grondslag.
5.6
Los hiervan speelt nog de vraag of de rechtbank in een geval als het onderhavige het OM kan verplichten om zich in te spannen de reeds overgedragen voorwerpen uit Duitsland terug te halen. Ik meen, zoals ik in mijn eerdere conclusie ook reeds heb betoogd, dat deze vraag instemmend dient te worden beantwoord, omdat de rechtbank slechts de situatie zoals deze zou zijn geweest bij een reguliere gang van zaken heeft willen herstellen alvorens aan de inhoudelijke behandeling van het klaagschrift toe te komen.17.Art. 5.4.9 lid 1 Sv bepaalt immers dat de overdracht van de resultaten van de uitvoering van het EOM eerst plaatsvindt, nadat onherroepelijk is beslist op het klaagschrift.
5.7
Het argument dat niet valt in te zien waarom het voor de inhoudelijke behandeling van het klaagschrift noodzakelijk zou zijn dat de goederen terug naar Nederland zouden komen, deel ik niet. Klaagster heeft immers aangevoerd dat op de in beslag genomen laptop en USB-stick gevoelige gegevens staan van patiënten bij [A] waar klaagster een bestuursfunctie vervult en dat zij met betrekking tot deze gegevens een geheimhoudingsplicht heeft. Conform de rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechtbank, indien zij bij de behandeling van een op grond van art. 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat de klager zich met betrekking tot in beslag genomen stukken of gegevens op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en de rechter-commissaris daarover nog niet heeft beslist de behandeling van het klaagschrift aan te houden en de zaak in handen van de rechter-commissaris te stellen teneinde een beschikking te geven als bedoeld in artikel 98 lid 1 Sv.18.Hierbij kan het nodig zijn dat een schifting wordt gemaakt tussen gegevens die onder het verschoningsrecht vallen en andere gegevens19.of dat de rechter-commissaris kennis neem van de stukken.20.
5.8
De opmerking van de steller van het middel dat de rechtbank de toepasselijke maatstaf heeft miskend door te overwegen dat zij zich in het kader van de klaagschriftprocedure ex art. 552a Sv een eigen oordeel moet vormen over de vraag of aannemelijk is dat de in beslag genomen stukken kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding, is juist. In zijn arrest van 21 december 2021 heeft de Hoge Raad in een vergelijkbare situatie geoordeeld dat de rechter in beginsel bij toetsing van een EOB alleen dient te beoordelen “of zich — gelet op artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv — een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen”.21.Verder staat in de klaagschriftprocedure ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen. Hierbij is van belang dat de uitvaardigende staat dit bewijsmateriaal globaal mag omschrijven.22.Voor een verdere inhoudelijke toetsing, zoals beoordeling van de vraag of aannemelijk is dat de in beslag genomen stukken kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding, is in de EOB-beklagprocedure geen plaats. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden, omdat de bestreden beslissing niet op deze gronden berust.23.
5.9
Het tweede middel faalt.
5.10
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6. Slotsom
6.1
Ik persisteer in deze aanvullende conclusie bij de strekking van mijn eerdere conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
6.2
Voor het geval de Hoge Raad mij daarin niet volgt, ben ik van oordeel dat de middelen falen en concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑01‑2024
Pb EU 2014, L 130/1.
Kamerstukken II 2016/17, 34611, nr. 3, p. 12-13.
Zie in dit verband ook T.M. de Groot en P. van Glabbeek, ‘Het Europees onderzoeksbevel: vergaande Europese samenwerking op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning’, NTS 2022/36, nr 3, p. 147. Zie ook voetnoot 77 op deze pagina waar zij het volgende opmerken: ”Met betrekking tot art. 585 (oud) Sv – de voorloper van art. 36b Sv – heeft de wetgever indertijd enkele ‘bepalingen die mededeling aan de verdachte voorschrijven van bepaalde rechten die hij heeft’ genoemd als voorbeelden van plaatsen in het wetboek waar gerechtelijke mededelingen voorkomen (Kamerstukken II 2004/05, 29805, nr. 3, p. 20).”
HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:580.
Na terugverwijzing is de klaagster wederom niet-ontvankelijk verklaard. Ditmaal bevatte de bestreden beschikking echter een kopie van de kennisgeving beklagrecht art. 552a Sv zoals die aan de klaagster was uitgereikt (zie de conclusie van AG Harteveld (onder 3.4) voor HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:325). Hieruit bleek dat in deze kennisgeving de veertien dagen termijn werd genoemd. De Hoge Raad deed het cassatieberoep af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Zie in dit verband ook B. de Jonge, ‘Reactie op “Rechtsbescherming na beslag gelegd ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel”, Jolanda van Eekelen & Alexander Schild, NJB 2018/2153, afl. 41, p. 3073-3077’, NJB 2019/418, afl. 8, p. 536 waarin De Jonge stelt dat “[h]et achterlaten van de mededeling in een doorzochte woning of – mooier – in handen stellen van beslagene” hem mogelijk lijkt. Vgl. T.M. de Groot en P. van Glabbeek, ‘Het Europees onderzoeksbevel: vergaande Europese samenwerking op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning’, NTS 2022/36, nr 3, p. 147 waarin De Groot en Glabbeek in voetnoot 79 onder meer verwijzen naar het voornoemde artikel, maar het door De Jonge bepleite standpunt zelf niet (althans niet expliciet) innemen. Vgl. in dit verband ook J.W.H.G. Loyson, De raadkamerprocedures in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 136.
Verwezen wordt naar HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:580, NJ 2022/181.
De steller van het middel verwijst naar HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1970, NJ 2021/378, rov. 4.6.2.
Vgl. HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1970, NJ 2021/378, m.nt. Ouwekerk, rov. 4.6.2.
Ook in de wetsgeschiedenis heb ik geen aanknopingspunten gevonden voor beantwoording van de vraag naar welk adres de mededeling moet worden toegezonden, slechts de wijze van toezending wordt genormeerd. Zie de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3, p. 56 (MvT)) en de wet ter Wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken (Kamerstukken II 2004/05, 29805, nr. 3, p. 20 (MvT)). In de Wet OM-afdoening (Kamerstukken II 2004/05, 29849, nr. 3, p. 36 (MvT)) wordt expliciet vermeld dat niet wettelijk is geregeld aan welk adres moet worden toegezonden.
Zie mijn conclusie van 14 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1021, onder 3.3-3.5.
Vgl. HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7591, NJ 2005/447, rov. 4.2.
Vgl. HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6964, NJ 2009/585, rov. 2.2.
Zie mijn conclusie van 14 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1021, onder 3.4 en 3.5.
HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1970, NJ 2021/378, m.nt. Ouwerkerk, rov. 5.3.1.
HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048, NJ 2021/117, m.nt. Kooijmans, rov. 4.3.1; zie ook de noot van Kooijmans (onder 1) bij dit arrest.
HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434, NJ 2014/12, m.nt. Schalken, rov. 3.4.
HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940, NJ 2022/372, m.nt. Klip, rov. 4.2.2. Zie in dit verband ook T.M. de Groot en P. van Glabbeek, ‘Het Europees onderzoeksbevel: vergaande Europese samenwerking op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning’, NTS 2022/36, nr 3, p. 147. Zij stellen – met verwijzing naar HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8735, NJ 2013/128, m.nt. Keulen en HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:130, NJ 2013/578, m.nt. Schalken – dat dit een voortzetting behelst van de koers die de Hoge Raad in de reguliere beklagprocedure vaart bij de toetsing van de rechtmatigheid van de inbeslagneming. Hierbij moet vooral gedacht worden aan de in art. 94b Sv gestelde vereisten, aldus De Groot en Glabbeek.
HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940, NJ 2022/372, m.nt. Klip, rov. 4.2.3.
Wat meebrengt dat in cassatie niet met succes kan worden geklaagd over dit punt, zie A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 68.
Conclusie 14‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie. Beklag tegen beslag n.a.v. een EOB van Duitsland. Art. 552a jo. 5.4.10 Sv. Voortijdige overdracht? Schending geheimhoudingsplicht? Het cassatieberoep is volgens de AG niet-ontvankelijk nu uit de beschikking valt op te maken dat de rechtbank (nog) niet op het klaagschrift heeft beslist, maar slechts heeft gelast dat de OvJ zich in zal spannen om de in beslag genomen voorwerpen terug naar Nederland te halen, waarna de rechtbank voornemens is het klaagschrift inhoudelijk te behandelen. De beschikking dient derhalve te worden aangemerkt als tussenbeschikking. In zo’n geval kan het cassatieberoep alleen gelijktijdig met het beroep tegen de eindbeschikking worden ingesteld. Vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:760.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03395 Br
Zitting 14 november 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de klaagster
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 9 augustus 2023 het klaagschrift van de klaagster gegrond verklaard en gelast dat de officier van justitie zich in zal spannen om te zorgen dat de in de woning in beslag genomen goederen door de Duitse justitiële autoriteiten worden teruggestuurd naar de officier van justitie opdat vervolgens een beslissing kan worden genomen over het klaagschrift.
1.2
Namens het openbaar ministerie heeft H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingediend. Namens klaagster is door mr. A.M.C.J. Baaijens op 28 september 2023 een schriftelijke reactie op de schriftuur van het openbaar ministerie ingediend.
2. Het procesverloop en waar het in deze beklagzaak om gaat
2.1
Uit de processtukken kan worden opgemaakt dat op 23 mei 2023 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning van de klaagster waarbij een drietal gegevensdragers in beslag zijn genomen. De beslaglegging is gedaan ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) dat is uitgevaardigd door de justitiële autoriteiten van Duitsland in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar de zoon (hierna: de verdachte) van degenen van wie de klaagster de woning in 2021 heeft gekocht. De verdachte stond ten tijde van de doorzoeking als enige persoon ingeschreven op het adres van deze woning. Ten tijde van de doorzoeking was niemand aanwezig in de woning. Na afloop van de doorzoeking is – zo blijkt uit de akte van uitreiking – in de woning een ongedateerde kennisgeving beklagrecht achtergelaten waarin onder meer wordt aangegeven dat in de woning een doorzoeking heeft plaatsgevonden op 23 mei 2023 en dat binnen twee weken, gerekend vanaf de datum van de kennisgeving, beklag tegen het beslag en het voornemen om de in beslag genomen voorwerpen over te dragen naar het buitenland kan worden ingediend.
2.2
Vervolgens is op 19 juni 2023 namens de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Overijssel een brief gericht aan de bewoners van het doorzochte pand gestuurd waarin wordt gerelateerd dat op 23 mei 2023 een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Als bijlage is bijgevoegd het proces-verbaal van de doorzoeking. Op 27 juni 2023 is een klaagschrift ingediend met het verzoek dat de rechtbank een last zal geven aan het openbaar ministerie “tot directe en fysieke feitelijke teruggave van het sinds 23 mei 2023 inbeslaggenomen genoemde gegevensdragers, aan verzoekster”.
2.3
Het klaagschrift is op 9 augustus 2023 in raadkamer behandeld. Aldaar is de ontvankelijkheid van het klaagschrift aan bod gekomen, omdat ex art. 5.4.10 Sv een klaagschrift tegen inbeslagneming naar aanleiding van een EOB binnen veertien dagen na kennisgeving van de beklagmogelijkheid bij de rechtbank moet zijn ingediend. De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de klaagster niet-ontvankelijk is in het klaagschrift, nu dit niet binnen veertien dagen na kennisgeving van het beslag op 23 maart 2023 bij de rechtbank is ingediend.
2.4
De rechtbank heeft geoordeeld dat het klaagschrift ontvankelijk is en dit als volgt gemotiveerd:
“4. De ontvankelijkheid
Het klaagschrift is ontvankelijk. Gebleken is dat klaagster eerst op 19 juni 2023 op de hoogte geraakt is van het leggen van beslag op haar spullen na doorzoeking van haar woning aan de [a-straat 1] in [plaats] op 23 mei 2023 door de rechter-commissaris ter uitvoering van een van de Duitse justitiële autoriteiten afkomstig EOB. Het EOB ziet op verdenking van plofkraken in Duitsland door [betrokkene 1] en anderen. [betrokkene 1] staat als enige ingeschreven op het adres aan de [a-straat 1] in [plaats]. Blijkens de stukken is op 23 mei 2023 na de doorzoeking in de woning (waar niemand aanwezig was) een ongedateerde brief van de officier van justitie mr. B. Veelders achtergelaten voor de bewoner(s) van het pand met daarin de mededeling dat er goederen in beslag genomen zijn op verzoek van een buitenlandse rechter en dat binnen veertien dagen bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, beklag kan worden gedaan over het voornemen van de officier van justitie om de inbeslaggenomen goederen over te dragen aan de Duitse justitiële autoriteiten. Klaagster heeft gesteld dat zij eerst bij schrijven van 19 juni 2023 met bijlage met stempel van de Raad voor de Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland / rechtbank Overijssel (zie stukken) op de hoogte is gesteld van het gelegde beslag op haar spullen. Op donderdag 29 juni 2023 is het klaagschrift met bijlagen ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland in Utrecht. Volgens de raadsman is het daarmee tijdig ingediend na kennisneming van de brief van 19 juni 2023 met als bijlage het proces-verbaal van doorzoeking, gedateerd op 12 juni 2023, over het op 23 mei 2023 gelegde beslag door de rechter-commissaris.
In aanmerking genomen dat de kale mededeling op de akte van uitreiking bij de ongedateerde brief van de officier van justitie mr. Veelders in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] op 23 mei 2023 waar ten tijde van de doorzoeking die dag niemand aanwezig was, niets zegt over de kennisneming daarvan door klaagster, nu klaagster weliswaar eigenaar is van het pand maar daar niet is ingeschreven terwijl zij ook geen weet had van de inschrijving van een ander op dat adres en zij verdachte [betrokkene 1] ook helemaal niet kent, is de raadkamer van oordeel dat het op 29 juni 2023 bij de rechtbank Midden Nederland door haar raadsman ingediende klaagschrift tijdig binnen veertien dagen na kennisneming van het beslag is binnengekomen.”
2.5
De rechtbank is voorts overgegaan tot beoordeling van het klaagschrift en heeft in dit verband het volgende overwogen en beslist:
“5. De beoordeling
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
Feiten en omstandigheden
Naar aanleiding van het EOB van de Duitse autoriteiten, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in Duitsland ter zake van de verdenking van betrokkenheid bij plofkraken van een op het adres aan de [a-straat 1] in [plaats] ingeschreven verdachte, genaamd [betrokkene 1], op 23 mei 2023 door de rechter-commissaris beslag gelegd op een laptop, een USB-stick en een navigatiesysteem. Klaagster stelt eigenaar te zijn van de inbeslaggenomen goederen. Zij kent geen persoon met de naam [betrokkene 1] en heeft haar woning en schuur aan niemand ter beschikking gesteld. Zij stelt dat het beslag dan ook onrechtmatig is gelegd nu het nooit tot een doorzoeking in haar woning en schuur had mogen koen omdat er geen enkele relatie is met de verdachte [betrokkene 1].
Maatstaf
Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd ter uitvoering van een EOB van de Duitse justitiële autoriteiten in Düsseldorf. De raadkamer dient daarom te beoordelen of a) de in beslagname gebaseerd is op een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse justitiële autoriteit, en b) de inbeslaggenomen stukken van overtuiging de waarheidsvinding kunnen dienen in verband met het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft.
Beoordeling
De Leitende Oberstaatsanwalt in Düsseldorf heeft op 8 mei 2023 een aan Nederland gericht rechtshulp gedaan, onder meer strekkende tot het doorzoeken van de woning van [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] in [plaats] en het veiligstellen van bewijsmiddelen. Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie bij de rechter-commissaris op 16 mei 2023 gevorderd dat aan dit rechtshulpverzoek uitvoering zou worden gegeven. Daarop heeft de rechter-commissaris op 23 mei 2023 in het kader van een doorzoeking in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] beslag gelegd op de voorwerpen zoals genoemd op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, gevoegd bij het proces-verbaal van doorzoeking d.d. 12 juni 2023 dat op 19 juni 2023 naar de bewoner(s) van het perceel aan de [a-straat 1] in Utrecht is gestuurd.
Overwegingen
Klaagster stelt eigenaar te zijn van de inbeslaggenomen goederen en wenst de goederen terug te krijgen. Klaagster is sinds 2021 eigenaar van het perceel aan de [a-straat 1] in Utrecht. Zij kent [betrokkene 1] niet. De inbeslaggenomen spullen zijn van klaagster en op de gegevensdragers staan bovendien gegevens van patiënten van [A] waar klaagster een bestuursfunctie vervult. Klaagster stelt niets te maken te hebben met [betrokkene 1] en wist ook niet dat [betrokkene 1] ingeschreven staat op het adres aan de [a-straat 1] in Utrecht. Zij heeft dat perceel in 2021 gekocht van de ouders van [betrokkene 1]. Volgens klaagster is uit het onderzoek van de politie ook niet gebleken dat [betrokkene 1] op dit adres is gezien terwijl er voorts ook geen aanwijzingen zijn dat [betrokkene 1] daar heeft verbleven. Klaagster meent daarom dat de doorzoeking op dit adres niet had mogen plaatsvinden en dat het beslag onrechtmatig is gelegd. Zij maakt zich bovendien zorgen over de gevoelige gegevens op de USB-stick en de laptop van patiënten van [A]. Namens klaagster heeft haar raadsman gesteld dat de inbeslagneming van haar spullen onrechtmatig is. Dat klemt te meer nu het ook nog eens gevoelige gegevens betreffen die onder haar geheimhoudingsplicht vallen.
De raadkamer overweegt daarover het volgende.
De raadkamer stelt voorop dat op grond van de stukken en de behandeling op de zitting vast staat dat het rechtshulpverzoek en de daaruit voortvloeiende inbeslagname doof de rechter commissaris is gebaseerd op de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie en het als integraal onderdeel hiervan afgesloten Protocol. Het rechtshulpverzoek is uitgegaan van een bevoegde autoriteit en voldoet aan de ter zake geldende wet- en regelgeving.
De inbeslagneming heeft plaatsgevonden in de woning van klaagster.
Het uitgangspunt dat aan een op een Verdrag gebaseerd rechtshulpverzoek dat ook overigens voldoet aan de daaraan door wet en verdragen gestelde eisen, zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven, brengt mee dat de rechter in het kader van de beklagprocedure ex artikel 552a Sv bij zijn oordeel of het beslag gehandhaafd moet blijven in het belang van de waarheidsvinding van een in het buitenland lopend onderzoek, als regel mag vertrouwen op het oordeel dienaangaande van de justitiële autoriteiten van de verzoekende staat.
De beklagrechter zal zich ook bij deze uitleg in het kader van de klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv een eigen oordeel moeten vormen over de vraag of aannemelijk is dat de inbeslaggenomen stukken kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding. Onder omstandigheden, mede afhankelijk van hetgeen door de klager is aangevoerd, zal daarbij niet met een globaal oordeel kunnen worden volstaan en zal een kaal beroep op het vertrouwensbeginsel het oordeeI van de rechtbank niet kunnen dragen.
Met inachtneming van dat toetsingskader stelt de raadkamer vast dat het op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is dat klaagster eerst op 19 juni 2023 op de hoogte geraakt is van de doorzoeking en de inbeslagneming van haar toebehorende goederen. Ten onrechte is aangenomen dat klaagster niet binnen de termijn van veertien dagen na 23 mei 2023 toen de brief met de kennisgeving van de doorzoeking in haar woning is achtergelaten, een klaagschrift heeft willen indienen. Zij kon dat niet eerder doen dan na kennisneming van de brief van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juni 2023 waarna op 29 juni 2023 het klaagschrift is ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. In de tussentijd zijn de inbeslaggenomen goederen door de officier van justitie echter overgedragen aan de autoriteiten in Duitsland.
Gelet op het feit dat klaagster wel degelijk beklag heeft willen doen binnen de wettelijke termijn maar dat niet heeft kunnen doen door omstandigheden die buiten haar schuld liggen, is de raadkamer van oordeel dat de officier van justitie de goederen niet aan de Duitse justitiële autoriteiten had mogen overdragen.
De raadkamer acht het klaagschrift daarom gegrond en gelast de officier van justitie om de overgedragen goederen (een laptop, merk: Dell, een USB-stick, een navigatiesysteem, merk: Tomtom) terug te halen naar Nederland waarna het klaagschrift van klaagster over de onrechtmatigheid van het beslag door de raadkamer opnieuw kan worden beoordeeld. Daarbij kan ook de vraag aan de orde komen of überhaupt van de gegevens op de USB-stick en de laptop kennis genomen mag worden nu wordt gesteld dat het om gevoelige gegevens gaat die onder de geheimhoudingsplicht van klaagster vallen.
Conclusie
De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard.
6. De beslissing
De raadkamer verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de officier van justitie zich in te spannen dat de in het perceel aan de [a-straat 1] in [plaats] inbeslaggenomen goederen (een laptop, merk: Dell, een USB-stick, een navigatiesysteem, merk: Tomtom) door de Duitse justitiële autoriteiten worden teruggestuurd naar de officier van justitie opdat vervolgens een beslissing kan worden genomen over het klaagschrift.”
2.6
Het cassatieberoep richt zich zowel tegen de ontvankelijkverklaring van het klaagschrift, de gegrondverklaring hiervan en de aan de officier van justitie gegeven last zich in te spannen de in beslag genomen en overgedragen goederen terug naar Nederland te laten sturen.
3. Ambtshalve opmerkingen over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep
3.1
Ik heb mij afgevraagd of tegen de beschikking van de rechtbank wel cassatieberoep openstaat.
3.2
Ingevolge art. 445 Sv staat tegen beschikkingen alleen beroep in cassatie open in gevallen bij het Wetboek van Strafvordering bepaald. Art. 552d Sv biedt de mogelijkheid om tegen een beschikking als bedoeld in art. 552a Sv binnen veertien dagen na betekening cassatieberoep in te stellen. Volgens de Hoge Raad moet onder een beschikking ingevolge artikel 552a Sv “worden verstaan een beschikking waarin de beklagrechter zich onbevoegd heeft verklaard tot kennisneming van het (inleidend) klaagschrift, de klager niet-ontvankelijk heeft verklaard in het (inleidend) klaagschrift, het beklag als bedoeld in artikel 552a Sv ongegrond heeft verklaard of dit beklag gegrond heeft verklaard en “de daarmede overeenkomende last” heeft gegeven als in die bepaling bedoeld”.1.
3.3
In de onderhavige zaak is mijns inziens geen sprake van een beschikking ingevolge art. 552a Sv. De rechtbank heeft het klaagschrift weliswaar gegrond verklaard, maar daarbij de officier van justitie gelast dat hij zich in zal spannen om te bewerkstelligen dat de in beslag genomen goederen door de Duitse justitiële autoriteiten naar de officier van justitie worden teruggestuurd, opdat “vervolgens een beslissing kan worden genomen over het klaagschrift”.
3.4
Hieruit blijkt dat de rechtbank, ook al heeft zij in haar beslissing de woorden “verklaart het klaagschrift gegrond” gebruikt, (nog) niet op dit klaagschrift heeft beslist, maar blijkens de daaropvolgende tekst van de beslissing voornemens is het klaagschrift later inhoudelijk te behandelen. Deze interpretatie ligt in de rede nu de rechtbank – had zij het klaagschrift gegrond willen verklaren – ook had moeten gelasten dat de in beslag genomen voorwerpen aan klaagster terug zouden worden gegeven.2.Dat heeft de rechtbank niet gedaan blijkens de last aan de officier van justitie dat de voorwerpen aan hem zouden moeten worden teruggestuurd. Overigens is de Hoge Raad niet gebonden aan hoe de rechtbank haar beschikking noemt.3.
3.5
De rechtbank heeft met haar beschikking klaarblijkelijk willen bewerkstelligen dat de situatie zoals deze zou zijn geweest als de kennisgeving klaagster wel tijdig had bereikt en vervolgens op tijd een klaagschrift zou zijn ingediend, wordt hersteld. Het openbaar ministerie had dan ingevolge art. 5.4.9 lid 1 Sv de gegevensdragers niet mogen overdragen aan de Duitse autoriteiten voordat de rechtbank op het klaagschrift had beslist. Daarbij zou, zo luidt de beschikking, ook de vraag moeten worden beantwoord “of überhaupt van de gegevens op de USB-stick en de laptop kennis genomen mag worden nu wordt gesteld dat het om gevoelige gegevens gaat die onder de geheimhoudingsplicht van klaagster vallen”.
3.6
Het voorgaande brengt mee dat de onderhavige beschikking moet worden aangemerkt als tussenbeschikking.4.Naar analogie van art. 428 Sv kan in zo’n geval het cassatieberoep alleen gelijktijdig met het beroep tegen de eindbeschikking worden ingesteld.5.Dat betekent dat het openbaar ministerie niet in het ingestelde beroep kan worden ontvangen.
3.1
Ten overvloede wil ik nog opmerken dat men zich nog kan afvragen of de rechtbank de officier van justitie wel heeft kunnen gelasten zich in te spannen de in beslag genomen en overgedragen voorwerpen terug te halen. Uit de rechtspraak van de HR volgt dat ingeval toepassing is gegeven aan art. 5.4.9 lid 3 Sv en het beklag gegrond wordt verklaard, dat oordeel tot gevolg heeft dat:
“de officier van justitie, indien en voor zover hij toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5.4.9 lid 3 Sv, de uitvaardigende autoriteit moet verzoeken – in overeenstemming met de in artikel 5.4.9 lid 3 Sv genoemde voorwaarden – de terbeschikkingstelling te beschouwen als niet te hebben plaatsgevonden, de overgedragen resultaten niet (verder) te gebruiken en de betreffende voorwerpen te retourneren, dan wel de betreffende gegevens te vernietigen”.6.
Het ligt in de rede dat zulks ook geldt in een zaak als de onderhavige waarin het openbaar ministerie de in beslag genomen voorwerpen pas had mogen overdragen na de beslissing op het beklag en de overdracht dus voortijdig heeft plaatsgevonden.
3.2
Mocht de Hoge Raad met betrekking tot de ontvankelijkheidsvraag een andere opvatting zijn toegedaan, dan ben ik graag bereid aanvullend te concluderen.
3.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑11‑2023
HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:760, NJ 2023/236, m.nt Klaassen en Mevis, rov. 3.2.2. Hierbij wordt verwezen naar HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:370. Zie ook A.J.A van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 204.
Zie HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7591, rov. 4.2.
Zie voor een omgekeerde situatie HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6964, waarin de rechtbank haar beschikking als tussenbeschikking had aangemerkt; de Hoge Raad zag dit anders en bepaalde dat de als tussenbeschikking aangeduide beschikking had te gelden als een definitieve beslissing, rov. 2.1-2.2.
Vgl. HR 20 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9669, rov. 4.3.
A.J.A van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 204. Zie in dit verband ook de conclusie van AG Jörg (onder 4) voor HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6964, NJ 2009/585.
HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:887, rov. 4.5.
Beroepschrift 15‑09‑2023
CASSATIESCHRIFTUUR
Raadkamernummer: 23-017651
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen de beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 9 augustus 2023, waarbij de Rechtbank klaagster
[klaagster],
ontvankelijk heeft verklaard in haar klaagschrift op grond van art. 552a jo. art. 5.4.10 Sv en het klaagschrift gegrond heeft verklaard en daarbij gelast dat de officier van justitie zich inspant dat de inbeslaggenomen goederen door de Duitse justitiële autoriteiten worden teruggestuurd naar de officier van justitie opdat vervolgens een beslissing kan worden genomen over het klaagschrift.
Rekwirant kan zich met deze uitspraak en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom de volgende middelen van cassatie voor.
Eerste middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 Wet RO, meer in het bijzonder schending van art. 5.4.10, jo. art. 36c Sv, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, de Rechtbank klaagster ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in haar beklag, althans is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Toelichting
1.
Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (EOB), afkomstig van de Duitse justitiële autoriteiten, heeft door, althans onder leiding van, de rechter-commissaris op 23 mei 2023 een doorzoeking plaatsgevonden in de woning gelegen aan de [a-straat 1] in [a-plaats], waarbij een laptop, een USB-stick en een navigatiesysteem inbeslaggenomen zijn. Het EOB was uitgevaardigd in de strafzaak tegen (onder meer) [betrokkene 1], die stond ingeschreven in deze woning. Na de doorzoeking, waarbij verder niemand aanwezig was, heeft de officier van justitie in de woning een brief achtergelaten voor de bewoner(s) met daarin de mededeling dat er op 23 mei 2023 goederen in beslag genomen zijn op verzoek van een buitenlandse rechter en dat binnen 14 dagen bij de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo, beklag kan worden gedaan over het voornemen van de officier van justitie om de inbeslaggenomen voorwerpen over te dragen aan de Duitse justitiële autoriteiten. Daarmee heeft de officier van justitie de betrokkene in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen 14 dagen een klaagschrift in te dienen als bedoeld in art. 5.4.10 lid 1 Sv. Nu de verdachte op wie het EOB betrekking had als enige op dit adres stond ingeschreven en klaagster elders stond ingeschreven, deed zich niet de situatie voor van art. 5.4.10 lid 2 Sv dat de officier van justitie redenen had om aan te nemen dat de inbeslaggenomen voorwerpen (mede) toebehoorden aan een ander.
2.
De Rechtbank heeft klaagster ontvankelijk geacht in haar op 29 juni 2023 ingediende klaagschrift en daartoe overwogen:
‘In aanmerking genomen dat de kale mededeling op de akte van uitreiking bij de ongedateerde brief van de officier van justitie mr. Veelders in de woning aan de [a-straat 1] in [a-plaats] op 23 mei 2023 waar ten tijde van de doorzoeking die dag niemand aanwezig was, niets zegt over de kennisneming daarvan door klaagster, nu klaagster weliswaar eigenaar is van het pand maar daar niet is ingeschreven terwijl zij ook geen weet had van de inschrijving van een ander op dat adres en zij verdachte [betrokkene 1] ook helemaal niet kent, is de raadkamer van oordeel dat het op 29 juni 2023 bij de rechtbank Midden-Nederland door haar raadsman ingediende klaagschrift tijdig binnen veertien dagen na kennisneming van het beslag is binnengekomen.’
3.1
Blijkens art. 5.4.5 Sv is in het kader van een EOB alles erop gericht om het bevel zo spoedig mogelijk uit te voeren1.. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de korte termijn van veertien dagen na kennisgeving die in art. 5.4.10 Sv wordt bepaald voor het indienen van een klaagschrift door de beslagene en de in lid 2 genoemde personen. Tevens is op grond van art. 5.4.9 Sv het uitgangspunt dat de overdracht van de onderzoeksresultaten aan de verzoekende Staat eerst plaatsvindt nadat onherroepelijk is beslist op een ingediend klaagschrift. Het zou met deze uitgangspunten in strijd zijn indien voor klagers een termijn zou gelden van veertien dagen nadat zij kennis hebben genomen van het beslag. Die termijn is dan immers afhankelijk van het moment waarop klagers (naar eigen zeggen) kennis hebben genomen van het beslag. Dat moment kan, zoals ook in de onderhavige zaak het geval was, ook liggen op een moment waarop de overdracht van de resultaten van het EOB aan de uitvaardigende autoriteit reeds heeft plaatsgevonden, omdat niet, althans niet tijdig, een klaagschrift is ingediend.
3.2
Nu aan een kennisgeving als bedoeld in art. 5.4.10 Sv niet de eis wordt gesteld dat deze moet worden betekend, geldt dat deze kennisgeving kan geschieden door toezending (art. 36c lid 2 Sv). De wetgever spreekt in dit verband over het ‘attenderen’ van de betrokkene op de mogelijkheid om als belanghebbende een klaagschrift in te dienen.2. Daaraan is in dit geval voldaan doordat de officier van justitie een schrijven in de woning heeft achtergelaten voor de bewoner(s) met daarin de mededeling dat er op 23 mei 2023 goederen in beslag genomen zijn op verzoek van een buitenlandse rechter en dat binnen 14 dagen bij de Rechtbank Overijssel, locatie Almelo, beklag kan worden gedaan over het voornemen van de officier van justitie om de inbeslaggenomen voorwerpen over te dragen aan de Duitse justitiële autoriteiten. Indien de kennisgeving niet de in art. 5.4.10 lid 1 Sv bedoelde termijn bevat, kan dit anders zijn (vgl. HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:580, NJ 2022/181), maar daarmee kan niet op één lijn worden gesteld de situatie dat de brief van de officier van justitie ongedateerd was. Slechts indien de kennisgeving, anders dan in onderhavige zaak, (ten onrechte) niet is gedaan, geldt dat de termijn van 14 dagen aanvangt nadat de betrokkene heeft kennisgenomen van het beslag (vgl. HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1970, NJ 2021/378, r.o. 4.6.2).
Indien het oordeel van de Rechtbank aldus moet worden verstaan dat het begrip ‘kennisgeving aan de betrokkene’ in art. 5.4.10 Sv (in dit geval) moet worden begrepen als ‘kennisneming van het beslag door de betrokkene’ geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het oordeel van de Rechtbank aldus moet worden begrepen dat zij van oordeel is dat het in de woning achtergelaten schrijven van de officier van justitie niet kan worden aangemerkt als een kennisgeving als bedoeld in art. 5.4.10 Sv, geeft dit eveneens blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In ieder geval is dit oordeel onbegrijpelijk, omdat dit schrijven alle informatie bevat om te worden aangemerkt als een kennisgeving als bedoeld in art. 5.4.10 lid 1 Sv.
Het daarop gebaseerde oordeel van de Rechtbank dat het door de raadsman van klaagster op 29 juni 2023 ingediende klaagschrift tijdig, want binnen 14 dagen na kennisneming van het beslag, is binnengekomen en dat klaagster derhalve ontvankelijk is in haar klaagschrift, geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onbegrijpelijk.
3.3
Voor zover in de overwegingen van de Rechtbank besloten ligt — daarop lijkt te wijzen de overweging van de Rechtbank dat klaagster wel degelijk beklag heeft willen doen binnen de wettelijke termijn maar dat niet heeft kunnen doen door omstandigheden die buiten haar schuld liggen — dat sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. De Rechtbank is er vanuit gegaan dat klaagster eerst bij schrijven van 19 juni 2023 van de rechter-commissaris in de Rechtbank Midden-Nederland / Rechtbank Overijssel op de hoogte is gesteld van het gelegde beslag op (volgens de Rechtbank) ‘haar’ spullen. Dit kan niet anders worden begrepen dan dat klaagster in de daaraan voorafgegane periode niet in de woning aan de [a-straat 1] in [a-plaats] is geweest. Anders zou klaagster het schrijven van de officier van justitie immers hebben aangetroffen. Het enkele feit dat het in de woning achtergelaten schrijven van de officier van justitie ongedateerd was, waar de Rechtbank kennelijk doorslaggevende betekenis aan heeft gehecht, kan dan ook niet van belang zijn geweest voor de termijnoverschrijding, te minder nu, zoals gezegd, uit dit schrijven duidelijk blijkt dat de doorzoeking heeft plaatsgevonden op 23 mei 2023. Niet valt in te zien hoe pas vanaf de kennisneming van die brief voor klaagster de mogelijkheid bestond om een klaagschrift in de dienen, nu, zoals gezegd, al op 23 mei 2023 een rechtsgeldige kennisgeving had plaatsgevonden door achterlating van het hiervoor genoemde schrijven van de officier van justitie en de termijn voor het indienen van een klaagschrift inmiddels was verstreken.
Tweede middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 Wet RO, meer in het bijzonder schending van art. 24 en/of art. 5.4.10 jo. 552a Sv, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, de Rechtbank de gegrondverklaring van het klaagschrift niet, althans (volstrekt) onvoldoende en/of onbegrijpelijk, heeft gemotiveerd en in ieder geval niet heeft gebaseerd op het toepasselijke toetsingskader. Daarnaast geeft het oordeel van de Rechtbank, waarin zij de officier van justitie gelast de overgedragen goederen terug te halen naar Nederland, respectievelijk zich in te spannen dat deze goederen door de Duitse justitiële autoriteiten worden teruggestuurd naar de officier van justitie, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu de Rechtbank niet de bevoegdheid toekomt een dergelijke last te geven.
Toelichting
1.
Zoals volgt uit de in deze zaak door de officier van justitie overgelegde schriftelijke reactie op het klaagschrift, heeft deze de inbeslaggenomen voorwerpen na afloop van de klachttermijn aan de Duitse autoriteiten overgedragen toen bleek dat er binnen die termijn geen klaagschrift was ingediend. Daarmee heeft de officier van justitie uitvoering gegeven aan art. 5.4.9 lid 1 Sv.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de officier van justitie de goederen niet aan de Duitse justitiële autoriteiten had mogen overdragen, gelet op het feit dat klaagster wel degelijk beklag heeft willen doen binnen de wettelijke termijn maar dat niet heeft kunnen doen door omstandigheden die buiten haar schuld liggen. Dit brengt de Rechtbank vervolgens tot de beslissing dat het klaagschrift gegrond is en dat de officier van justitie wordt gelast om de overgedragen goederen terug te halen naar Nederland, respectievelijk zich daartoe in te spannen, zoals verwoord in het dictum van de uitspraak.
2.
In HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940, NJ 2022/372, heeft de Hoge Raad het toetsingskader uiteengezet dat geldt voor de rechter bij de beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in art. 5.4.10 jo. 552a Sv. Slechts in de daar genoemde gevallen kan de rechter een klaagschrift gegrond verklaren. Uit de bestreden beschikking valt niet op te maken op welke grond de Rechtbank het klaagschrift gegrond heeft verklaard, laat staan dat dit één van de gronden zou zijn in de hiervoor genoemde beschikking van de Hoge Raad. Reeds daarom kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
Het is daarnaast volstrekt onduidelijk wat de Rechtbank bedoelt met de overweging dat, nadat de goederen naar Nederland zijn teruggehaald, het klaagschrift over de rechtmatigheid van het beslag door de raadkamer opnieuw kan worden beoordeeld. Gegrondverklaring van het klaagschrift is immers een eindbeslissing, waarna de Rechtbank niet meer aan zet is. Na de eindbeslissing van gegrondverklaring staat daartegen slechts beroep in cassatie open. Als de Rechtbank voor ogen zou hebben gehad dat op een later moment, als de goederen weer in Nederland zijn, het klaagschrift ten gronde wordt beoordeeld — hetgeen uit het dictum is af te leiden — had de Rechtbank het onderzoek in raadkamer moeten aanhouden en niet het klaagschrift gegrond moeten verklaren. Overigens valt ook niet in te zien waarom het voor de inhoudelijke behandeling van het klaagschrift noodzakelijk zou zijn dat de goederen terug naar Nederland zouden komen. De fysieke aanwezigheid van het beslag in Nederland is immers niet nodig voor de inhoudelijke behandeling van het klaagschrift.
Maar los daarvan, noch uit de wettelijke regeling, noch uit de jurisprudentie valt af te leiden dat de rechter de bevoegdheid zou hebben om de officier van justitie te gelasten om de inmiddels overgedragen goederen terug te halen.
3.
Gelet op het voorgaande stelt rekwirant zich op het standpunt dat de gegrondverklaring van het klaagschrift niet, althans (volstrekt) onvoldoende en/of onbegrijpelijk, is gemotiveerd en in ieder geval niet is gebaseerd op het toepasselijke toetsingskader. Daarnaast geeft het oordeel van de Rechtbank, waarin zij de officier van justitie gelast de overgedragen goederen terug te halen naar Nederland, respectievelijk zich in te spannen dat deze goederen door de Duitse justitiële autoriteiten worden teruggestuurd naar de officier van justitie, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu de Rechtbank niet de bevoegdheid toekomt een dergelijke last te geven.
4.
Hoewel de Rechtbank niet is toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift en de gegrondverklaring van het klaagschrift daar (dus) ook niet op berust, vraagt rekwirant nog wel aandacht voor de overweging van de Rechtbank dat zij dient te beoordelen of de inbeslaggenomen stukken van overtuiging de waarheidsvinding kunnen dienen in verband met het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft. Met deze overweging miskent de Rechtbank de toepasselijke maatstaf en zij heeft (ook) in zoverre blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ter beoordeling van de rechter staat of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen (vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940, NJ 2022/372, r.o. 4.2.3. en 5.3), maar daaronder valt niet een oordeel of de inbeslaggenomen voorwerpen de waarheidsvinding kunnen dienen in verband met het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft. Het belang van strafvordering, waaronder ook valt de vraag of de door de buitenlandse autoriteiten omschreven stukken van overtuiging de waarheidsvinding kunnen dienen, wordt immers verondersteld aanwezig te zijn (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:965, r.o. 3.2.2 en 5.3).
Indien één of meer van de cassatiemiddelen, dan wel onderdelen daarvan, doel tref(t)(fen), zal de bestreden beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 9 augustus 2023 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze uitspraak te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 15 september 2023
mr. H.H.J. Knol
plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland