Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.6.4.1:16.6.4.1 Uitkering van dividend
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.6.4.1
16.6.4.1 Uitkering van dividend
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS407999:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De klem die op het nominale kapitaal rustte kwam primair tot uitdrukking in de regeling inzake uitkeringen aan aandeelhouders. Zo stelde art. 38a WvK 1928 voorop dat een aandeelhouder in beginsel niet ontheven kon worden van zijn stortingsplicht.1 In gevolge art. 42 WvK 1928 moest de AVA de balans en winsten verliesrekening vaststellen die door het bestuur was opgesteld. Vervolgens voorzag art. 42 WvK in een regeling inzake uitkeringen:
In art. 42d WvK 1928 was bepaald: “Voor zooverre bij de akte van oprichting niet anders is bepaald, komt de winst den aandeelhouders ten goede. Bij de berekening van het winstbedrag, hetwelk op ieder aandeel zal worden uitgekeerd, komt slechts het bedrag der verplichte stortingen op de aandeelen in aanmerking, tenzij bij de akte van oprichting anders is bepaald.” Art. 42e WvK 1928 voegde daar aan toe: “Indien blijkens de vastgestelde winst- en verliesrekening over eenig jaar verlies geleden is, hetwelk niet uit eene reserve bestreden of op andere wijze gedelgd wordt, geschiedt in volgende jaren geen winstuitkering zoolang zoodanig verlies niet is aangezuiverd.”
Uit deze bepalingen volgde dat uitsluitend ‘zuivere winst’ voor uitkering vatbaar was. Met het begrip ‘zuivere winst’ werd tot uitdrukking gebracht dat het niet de vraag was of in een bepaald boekjaar winst was behaald, maar of er in de vennootschap winst was en er bijvoorbeeld niet in vorige jaren verlies was geleden, dat eerst moest worden aangezuiverd tot het bedrag van het kapitaal.2 Net als in de wet van 1838 gold dus als hoofdregel dat uitkeringen er niet toe mochten leiden dat het vermogen lager werd dan het geplaatst kapitaal. En net als in de wet van 1838 was deze hoofdregel op impliciete wijze vastgelegd.
Kist stelde vast dat de vraag of er verdeelbare winst was, dus niet beantwoord moest worden door te verwijzen naar het verschil tussen de ontvangsten en de uitgaven binnen een bepaald jaar, maar dat hierbij de verhouding tussen de bezittingen en de schulden van de vennootschap maatgevend was.3 Hij wees erop dat het complexe proces van waardebepaling van vooral de activa een belangrijke rol speelde bij het bepalen van de uitkeerbare winst. Nu de wet niet voorzag in regels voor de waardering en afschrijving van de verschillende vermogensbestanddelen, diende deze zijns inziens plaats te vinden “te goeder trouw en naar de eischen van goed koopmanschap”.
Kist overwoog: “De goede trouw en de eischen van goed koopmanschap zijn beslissend voor de vraag, of inderdaad de uitkeering al dan niet uit de winst is geschied en of dus de aandeelhouders en verdere winstgerechtigden inderdaad een uitkeering hebben ontvangen welke de wet toelaat. Hieruit volgt dat het niet geoorloofd zal zijn de gedane uitkeering aan te tasten op grond van beschouwingen achteraf of op grond van het enkele feit, dat van de waardeeringen, waarop de winstberekening heeft berust, later de onjuistheid is gebleken.”4
Uitkeringen die voldeden aan deze eisen van winstberekening, behoorden volgens Kist onaantastbaar te zijn. De aandeelhouders die dividend hadden ontvangen moesten niet blootstaan aan het risico jaren later op grond van redelijkerwijs niet te voorziene gebeurtenissen tot terugbetaling te worden gedwongen. Indien een uitkering echter niet te goeder trouw tot stand was gekomen, moesten de belangen van de aandeelhouders wijken voor de belangen van de crediteuren. Ook indien de AVA te goeder trouw de balans en winst- en verliesrekening had vastgesteld, maar zij daarbij door het bestuur was misleid, dienden de aandeelhouders – en niet de schuldeisers – daarvan de gevolgen te dragen, aldus Kist.5 Onwettige uitkeringen konden worden teruggevorderd door de vennootschap en in faillissement door de curator.
De gerechtigheid tot de winst werd berekend naar evenredigheid van de verplichte stortingen op de aandelen. De statuten konden een andere maatstaf voor de verdeling bepalen en op deze wijze preferenties onder de aandeelhouders scheppen. Het was toegestaan het recht op winst van de aandeelhouder statutair te beperken, maar dit kon niet geheel worden uitgesloten.6 Het was mogelijk dividend uit te keren in de vorm van bonusaandelen (stockdividend). Reserves konden alleen bij de statuten worden ingesteld.
Het was toegestaan interim-dividend uit te keren, mits de statuten in deze mogelijkheid voorzagen.7 De betaling mocht niet verder strekken dan de winst op het moment van uitkering toeliet. Tevens bepaalde de wet dat het recht op dividend door verloop van vijf jaren na het opeisbaar worden van de uitkering verviel.