Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.
HR, 03-12-2019, nr. 17/03448
ECLI:NL:HR:2019:1879, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-12-2019
- Zaaknummer
17/03448
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1879, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 03‑12‑2019; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1050
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2017:5122, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
ECLI:NL:PHR:2019:1050, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 15‑10‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1879
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑03‑2019
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2019-0407
Uitspraak 03‑12‑2019
Inhoudsindicatie
Oplichting Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (sinds 2003: -Wetenschap, hierna: OCW) door directeur van een basisschool (Stichting A), art. 326.1 Sr. Kan het bewezenverklaarde v.zv. inhoudend dat het Ministerie van OCW is bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen, uit b.m. worden afgeleid? HR: oordeel Hof dat Stichting A het Ministerie van OCW door de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen heeft bewogen “tot afgifte” van geldbedragen is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit door het Hof gebruikte b.m. blijkt dat door het Ministerie van OCW te verstrekken geldbedragen reeds aan het begin van het jaar aan de Stichting werden toegekend en maandelijks als voorschot werden uitbetaald, alsmede dat het Hof heeft vastgesteld dat de Stichting, om te voorkomen dat het die voorschotten moest terugbetalen, het Ministerie van OCW in strijd met de waarheid heeft voorgehouden dat sprake was van vier dienstverbanden met de in de bewezenverklaring genoemde personen. Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk het oordeel van het Hof dat het aldus ontkomen aan een verplichting tot terugbetaling van die inschuld, kan worden aangemerkt als bewegen “tot afgifte” van geldbedragen. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 17/03448
Datum 3 december 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 20 juni 2017, nummer 21/001299-13, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943,
hierna: de verdachte.
1. Geding in cassatie
Het beroep - dat blijkens de daarvan opgemaakte akten voor zover in cassatie van belang niet is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van het onder feit 1, aanhef en onder b tenlastegelegde - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.H.W. Janssen, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ter zake van het feit onder 1, aanhef en onder a, en de strafoplegging, en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan, en met verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1
Het middel klaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (in 2003 gewijzigd in Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, hierna: Ministerie van OCW) is bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen, niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat de bewezenverklaring mede in het licht van een gevoerd verweer ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:
“1.
Stichting [A] in de periode van 1 januari 2001 tot en met 1 augustus 2006
te Arnhem en/of Klazienaveen en/of Beesd en/of Bladel en/of Doornenburg, telkens met het oogmerk om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen,
hebbende de Stichting [A] toen en daar telkens listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voorgehouden dat
a. [betrokkene 4] en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] werkzaamheden in het kader van een dienstverband hebben verricht,
waardoor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,
tot vorenstaande feiten verdachte, opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en).”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“3. Een door [betrokkene 6] handgeschreven notitie d.d. 5-7-2005 gericht aan [betrokkene 5] en [verdachte] , ondertekend door [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , voorzitter van [A] , bijlage D-068:
Nu het [A] de continuering van de aanstelling van [verdachte] heeft geaccordeerd is in overleg de volgende financiële regeling getroffen m.i.v. 01-06-05:
-1- Inschaling vindt plaats in maximum schaal 14. De werktijdfactor wordt 1,2.
-2- Via de fre’s (de Hoge Raad begrijpt: formatierekeneenheden) wordt een bedrag vergoed, wat leidt tot een totaal netto maandelijkse betaling van ca € 3500,- (e.e.a. zodanig dat de totale vergoeding/toeslag per maand € 3500 netto bedraagt)
-3- Daarnaast worden de onkosten vergoed op basis van de werkelijke kosten.
(...)
11. Verklaring [getuige 3], proces-verbaal van verhoor van een getuige, dossiernummer 45439, codenummer G02-01:
[verdachte] krijgt 50.000,- en werd al ruim betaald. Dit is een constructie om [verdachte] geld uit te betalen die gewoon niet klopt. Je kan de werktijdfactor verhogen tot 1,2, verder niet. [betrokkene 4] en [betrokkene 1] zijn ingedeeld op het maximum van hun schaal en bij elkaar opgeteld kom je dan op de netto vergoeding. Deze mensen hebben hier niet op school gewerkt. De voorgaande manier met [betrokkene 4] en [betrokkene 1] op de loonlijst ten laste van de fre’s valt ook bijna niet op en is de goedkoopste manier voor de school. Ik heb deze opdracht (D-017) gekregen van [betrokkene 5] en heb hem uitgevoerd. Ik vond dat vreemd en moest dat zo invoeren van [betrokkene 5] . Ik heb voor mijzelf ingevuld dat dit geld bestemd was voor [verdachte] . Het is ondenkbaar dat mensen een halfjaar lang op school hebben gewerkt zonder geld te krijgen en achteraf worden aangesteld. Dit is het gevolg van de mutaties die ik heb ingevoerd in CASO. [betrokkene 4] en [betrokkene 1] zijn met terugwerkende kracht ingevoerd per 1 januari 2005, dus is het logisch dat er in juli 2005 een groot bedrag wordt uitbetaald. Dat is het gevolg van de mutaties die ik heb ingevoerd in CASO.
12. Verklaring van [getuige 2] e.v. [B] , proces-verbaal van verhoor van een getuige, dossiernummer 45439, codenummer G03-01:
Het geld was bestemd voor [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 1] hadden ander werk. [verdachte] ' salaris moest verhoogd worden. Het klopt dat [verdachte] € 3.500 boven op zijn salaris heeft ontvangen. Het behoorde niet tot het CAO-loon. [betrokkene 4] en [betrokkene 1] mochten en konden niet op de personeelslijst worden opgenomen, omdat beiden niet daadwerkelijk werkten voor de stichting [A] . Ik wist wel dat [betrokkene 1] en [betrokkene 4] op papier waren aangenomen en dat de betalingen op de bankrekeningen van [verdachte] gestort werden. Dit was een methode om het salaris van [verdachte] op te hogen. De data waren flauwekul. Door de uitbetaling van de € 3.500 aan [verdachte] op deze wijze te doen wordt het geld betaald uit de FRE’s.
(...)
15. Verklaring [verdachte] , wonende te [woonplaats] , proces-verbaal van verhoor van een verdachte, dossiernummer 45439, codenummer V01-03:
Zowel de MR als het managementteam heeft om mijn terugkeer verzocht. Ik werd eind mei gebeld door [betrokkene 6] . [betrokkene 6] gaf mij aan dat ik mijn eisen kon aangeven. Ik heb toen aangegeven dat ik terug wilde komen met behoud van salaris en een extra vergoeding van € 3500,-. Dit bedrag is nergens op gebaseerd. Ik had graag een andere vorm gehad maar dat is ons niet gelukt. Niemand heeft gezien hoe dit uit het vermogen betaald moest worden. Het ging om een ton en we zagen geen andere oplossing. Het had inderdaad uit het materiële budget betaald moeten worden. Er was kennelijk ruimte in de fre’s en daar is waarschijnlijk een kokervisie geweest. De school is daar wel beter van geworden, echter niet geheel op juiste wijze. De handtekening onder D-053 is van mij.
(...)
17. Verklaring van [betrokkene 5] , wonende te [woonplaats] , proces-verbaal van verhoor van een verdachte, dossiernummer 45439, codenummer V02-01:
Aan D-019 ligt een afspraak ten grondslag. De uitbetaling heb ik gerealiseerd door de WTF achteraf te verhogen. Op deze manier is er al ruim € 8.000 uitbetaald, vervolgens zijn zijn zoon en schoondochter opgevoerd als werknemer om de overige bedragen uit te kunnen betalen. Ik heb dit gedaan in het financieel belang van de school. Technisch was het niet mogelijk om het bedrag via [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) zelf uit te betalen omdat hij al op zijn maximum stond. We hadden Fre’s over en wij hebben [betrokkene 4] en [betrokkene 1] benoemd om te voorkomen dat de overblijvende Fre’s terug moesten naar het ministerie. We hebben naar eer en geweten voor deze oplossing gekozen. Het kon wel op een andere manier, maar dan hadden we geld uit een ander potje (bijvoorbeeld het materiële budget) moeten halen.
(...)
19. Een notitie van DB- [A] , d.d. 22 juni 2006, gericht aan [betrokkene 5] , afkomstig van en ondertekend door [betrokkene 7] , voorzitter en [betrokkene 6] , penningmeester, bijlage D-060:
Nu de algemeen directeur [verdachte] afscheid neemt na een dienstverband van 9 jaar bij [A] , heeft het DB besloten (13 juni 2006) om [verdachte] gezien zijn verdiensten voor [A] een substantieel afscheidscadeau te geven in de vorm van een prestatiebeloning van € 15000,- (netto).
Over betaling is overleg geweest met de financieel directeur (BK). Het moet passen binnen de financiële regels (bruteren?) en zal betaald worden uit de FRE’s en de verzilveringsmiddelen (mengvorm). De verdeling zal nog worden bezien door BK en worden terug gemeld aan de penningmeester.
(...)
35. Verklaring [verdachte] , proces-verbaal van verhoor van een verdachte dossiernummer 45439, codenummer V01-04:
(...) De constructie is door mij niet bedacht ( [betrokkene 6] en [betrokkene 5] ) maar is wel mede namens mij uitgevoerd. Je kunt niet anders betalen dan via het CASO-systeem. Daar kan achter gezet worden “op kas”. Deze bedragen worden dan niet uitbetaald aan het personeelslid, maar komen op kas te staan. Ik heb toen aan Ben gevraagd of hij salaris op kas heeft laten uitbetalen. Hij heeft het mij toen uitgelegd. Het wordt op een tijdelijke tussenrekening geboekt en later alsnog uitbetaald of het gaat terug naar OCW en wij krijgen dan de fre’s weer bij tegoed opgeteld.
(...)
67. Verklaring [getuige 1] e.v. [C] , proces-verbaal van verhoor van een getuige, dossiernummer 45439, codenummer G07-01:
Eigenlijk is het CASO de salarisadministratie, de feitelijke salarisbetalingen. Aan het begin van het schooljaar kreeg je het aantal fre’s toegekend die maandelijks als voorschot werden uitbetaald. De school kreeg het geld overgemaakt die vervolgens zelf verantwoordelijk was voor de doorbetaling aan het personeel, belasting, pensioen etc.”
2.3
Art. 326, eerste lid, Sr luidt:
“Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.4
Het oordeel van het Hof dat de Stichting [A] het Ministerie van OCW door de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen heeft bewogen “tot afgifte” van geldbedragen is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat door het Ministerie van OCW te verstrekken geldbedragen reeds aan het begin van het jaar aan de Stichting werden toegekend en maandelijks als voorschot werden uitbetaald, alsmede dat het Hof heeft vastgesteld dat de Stichting, om te voorkomen dat het die voorschotten moest terugbetalen, het Ministerie van OCW in strijd met de waarheid heeft voorgehouden dat sprake was van een viertal dienstverbanden met de in de bewezenverklaring genoemde personen. Zonder nadere motivering, die het Hof niet heeft gegeven, is niet begrijpelijk het oordeel van het Hof dat het aldus ontkomen aan een verplichting tot terugbetaling van die inschuld, kan worden aangemerkt als het bewegen “tot afgifte” van geldbedragen.
2.5
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Beoordeling van de overige middelen
Het eerste en het derde middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Het vierde middel behoeft geen bespreking.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2019.
Conclusie 15‑10‑2019
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Oplichting van het ministerie van OCW door directeur van school door gebruikmaking van fictieve dienstverbanden? Slagend middel met de klacht dat het ministerie door fictieve dienstverbanden niet werd bewogen tot afgifte. Middel strekt tot vernietiging terugwijzing voor één feit.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 17/03448
Zitting 15 oktober 2019
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 20 juni 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1. “feitelijke leiding geven aan en opdracht geven tot het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, 3. “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en 4. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C.H.W. Janssen, advocaat te Arnhem, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd een met redenen omklede beslissing te geven op het verweer dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde nietig is.
4. De tenlastelegging onder 1, aanhef en onder a, luidt als volgt:
“1.Stichting [A] heeft op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 1 augustus 2006 te Arnhem en/of Klazienaveen en/of Beesd en/of Bladel en/of Doornenburg, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,(telkens) met het oogmerk om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,(telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bewogen tot afgifte van meerdere, althans (een) geldbedrag(en), in ieder geval enig goed, en/of het teniet doen van een (deel van een) inschuld, hebbende de Stichting [A] en/of (een van) haar mededaders toen en daar (telkens) listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voorgehouden dat
a. [betrokkene 4] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] werkzaamheden in het kader van een dienstverband hebben verricht,
althans (telkens) voor de hiervoor onder a. genoemde werkzaamheden en/of dienstverbanden en/of (onkosten)vergoedingen, (rijks)vergoeding en/of (rijks)bekostiging en/of onderwijsbekostiging aangevraagd bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, waardoor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of tot het teniet doen van (een deel van) een inschuld,
tot (het) vorenstaand(e) feit(en) verdachte, opdracht heeft gegeven en/of feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);”
5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2017 blijkt dat de raadslieden van de verdachte aldaar het woord ter verdediging hebben gevoerd overeenkomstig hun overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, het volgende in:
“Feit 1De verdediging voert opnieuw aan dat de tenlastelegging op dit onderdeel onvoldoende concreet is en derhalve nietigheid het gevolg dient te zijn. Inmiddels is evident – zo concludeert immers ook het gerechtshof in het civiele hogere beroep – dat er door betrokkenen wel werkzaamheden zijn verricht. Werkzaamheden die wel onder een dienstverband zijn te scharen. Kort en goed: niet alle dienstverbanden van betrokkenen staan of kunnen ter discussie staan. Door het OM is onvoldoende concreet gemaakt welke dienstverbanden precies worden bedoeld door geen onderscheid te maken per persoon in de diverse dienstverbanden die zijn aangegaan.”
6. Hetgeen door de raadslieden is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht.1.Het hof heeft verzuimd hierop te responderen. Het middel klaagt daarover terecht.
7. Tot cassatie behoeft dat evenwel niet te leiden, gelet op het volgende. Artikel 261 Sv strekt er onder andere toe dat voor de verdachte voldoende duidelijk is wat hem wordt verweten, zodat hij zich op basis daarvan kan verdedigen.2.Het gaat er hierbij om dat de tenlastelegging als geheel voldoende duidelijk is.3.De tenlastelegging kan onder omstandigheden ook worden gelezen tegen de achtergrond van het dossier.4.Uit hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht blijkt genoegzaam dat het de verdachte zeer wel duidelijk was op welke dienstverbanden het Openbaar Ministerie in de tenlastelegging doelde: die dienstverbanden waarvoor (ten onrechte) een vergoeding zou zijn aangevraagd bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: OCW). Het hof had het verweer van de raadslieden dan ook slechts kunnen verwerpen.5.
8. Het eerste middel faalt.
9. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1, aanhef en onder a, voor zover inhoudende dat het ministerie van OCW is “bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen”, niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Evenmin is de bewezenverklaring voldoende met redenen omkleed, met name in het licht van het gevoerde verweer dat strekt tot vrijspraak, aldus de steller van het middel.
10. Ten laste van de verdachte is onder 1, aanhef en onder a, bewezenverklaard dat:
“1.Stichting [A] in de periode van 1 januari 2001 tot en met 1 augustus 2006 te Arnhem en/of Klazienaveen en/of Beesd en/of Bladel en/of Doornenburg,telkens met het oogmerk om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen,hebbende de Stichting [A] toen en daar telkens listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voorgehouden data. [betrokkene 4] en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] werkzaamheden in het kader van een dienstverband hebben verricht,waardoor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,tot vorenstaande feiten verdachte, opdracht heeft gegeven en/of feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);”
11. De bewezenverklaring onder 1, aanhef en onder a, steunt op de (96) bewijsmiddelen zoals in het arrest genoemd.6.
12. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het ministerie van OCW niet is “bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen”. De uitbetaling van gelden voor personele kosten door het ministerie van OCW geschiedde vooraf. Deze geldbedragen werden hoe dan ook als voorschot afgegeven en stonden los van enige dienstverbanden. Dat deze geldbedragen in voorkomende gevallen terugbetaald moesten worden maakt dat niet anders, aldus de steller van het middel.
13. Voor een goed begrip van (de beoordeling van) dit middel is het van belang allereerst stil te staan bij de wijze waarop de bekostigingssystematiek van het onderwijs ten tijde van het tenlastegelegde vorm had. Scholen kregen van het ministerie van OCW maandelijks als voorschot een bedrag uitbetaald om de personele kosten van te voldoen.7.Scholen waren vervolgens zelf verantwoordelijk voor de verdeling over en doorbetaling aan het personeel. De hoogte van het maandelijkse voorschot werd aan het begin van het schooljaar vastgesteld op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober van het voorgaande schooljaar (het peilmoment). Het bedrag dat de school kreeg toegekend werd niet in geld, maar in formatierekeneenheden (‘fre’s’) uitgedrukt. Dit was een algemene, voor alle functies bruikbare omrekeneenheid, waardoor de school zelf kon beslissen hoe de middelen over het personeel en verschillende functieniveaus werden verdeeld.8.Elke school kreeg dus maandelijks een x aantal ‘fre’s’ toegekend. De ‘fre’s’ mochten alleen worden ingezet voor personeelskosten.9.‘Fre’s’ die overbleven moesten terug naar het ministerie van OCW.10.Controle kon achteraf plaatsvinden door een accountant.11.Voor een dergelijke controle moesten aanwijzingen bestaan, zo maak ik op uit de schriftuur en de pleitnota van de raadsman in hoger beroep.
14. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende. De verdachte was werkzaam als algemeen directeur van [A] , een school voor speciaal (voortgezet) onderwijs. Deze school ontving, net als andere scholen, maandelijks ‘fre’s’ voor de personele kosten. De verdachte heeft samen met enkele medeverdachten deze ‘fre’s’ ingezet voor andere doeleinden dan waarvoor zij bestemd waren. Allereerst is het maandelijkse salaris van de verdachte verhoogd door fictieve dienstverbanden met [betrokkene 4] (de zoon van de verdachte) en [betrokkene 1] (de schoondochter van de verdachte) op te voeren. Hun salaris is vervolgens ten laste van de ‘fre’s’ uitbetaald op de rekening van de verdachte (bewijsmiddel 9 en 11). [betrokkene 4] noch [betrokkene 1] heeft daadwerkelijk voor de school gewerkt als technisch assistent respectievelijk onderwijsassistente. Ook hebben zij nooit salaris op hun rekening ontvangen. Het geld ging rechtstreeks naar de verdachte (bewijsmiddel 13 en 14). Een andere manier om het salaris van de verdachte op te hogen was niet mogelijk, nu de verdachte zijn wettelijk salarisplafond al had bereikt (o. a. bewijsmiddel 10, 15 en 17).
15. Ten tweede is een bonus à € 15.000 netto aan de verdachte uitgekeerd bij zijn afscheid als algemeen directeur. Uitbetaling van deze bonus vond wederom plaats via de fictieve dienstverbanden van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] (bewijsmiddel 27, 28, 32, 35 en 36). De medeverdachte [betrokkene 5] (die werkzaam was als financieel directeur van [A] ) heeft verklaard dat het in het onderwijs niet gebruikelijk is om afscheidsbonussen te geven. De hoogte van de bonus was tevens (zeer) ongebruikelijk (bewijsmiddel 34, 35 en 36). Een bonus behoort normaal gesproken te worden uitgekeerd uit de eigen middelen van de school (bewijsmiddel 31, 34, 35).
16. Ten slotte zijn over de jaren 2002-2006 fictieve dienstverbanden voor de heren [betrokkene 4] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in de schooladministratie opgenomen. Deze personen hebben met elkaar gemeen dat ze wel werkzaamheden hebben verricht voor de school, maar als zelfstandige en niet in het kader van een dienstverband (o.a. bewijsmiddel 49, 68, 87 en 93). Door dienstverbanden ten grondslag te leggen aan de werkzaamheden kon betaling wederom plaatsvinden ten laste van de ‘fre’s’ in plaats van uit het eigen vermogen (o.a. bewijsmiddel 50, 51, 64, 69 en 89).
17. Kortom, uit de bewijsmiddelen volgt dat [A] de door het ministerie van OCW verstrekte ‘fre’s’ heeft aangewend voor de ophoging van het salaris van de verdachte, het toekennen van een (zeer riante) afscheidsbonus aan de verdachte en het betalen van werkzaamheden die zijn verricht buiten een dienstverband, terwijl dit geld bestemd was voor de personeelskosten en voornoemde zaken uit de eigen middelen van de school betaald hadden moeten worden.
18. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voor oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, Sr is vereist dat een slachtoffer door een oplichtingsmiddel als omschreven in die bepaling wordt bewogen tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld. Een belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de in artikel 326, eerste lid, Sr opgesomde oplichtingsmiddelen is dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven roept teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.12.
19. Zo roept een ‘samenweefsel van verdichtsels’ bij de betrokkene een onjuiste voorstelling van zaken op door (gesproken en/of geschreven) uitingen die op meer dan één enkele leugenachtige mededeling zijn gebaseerd.13.Een enkele opeenstapeling van verschillende leugens is onvoldoende. Er moet een zodanig verband zijn tussen de leugens en/of andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden dat zij elkaar ‘wederkerig een bedrieglijke schijn van waarheid geven’.14.‘Listige kunstgrepen’ zijn bedrieglijke feitelijke handelingen die in vergelijkbare zin een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen.15.Eén enkele kunstgreep volstaat, maar een kunstgreep moet meer inhouden dan een enkele leugen.16.
20. Het bestanddeel ‘beweegt tot’ brengt tot uitdrukking dat een causaal verband dient te bestaan tussen het aanwenden van één of meerdere bedrieglijke oplichtingsmiddelen en een bepaald resultaat, namelijk het afgeven van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld. Vastgesteld moet kunnen worden dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot een van de voornoemde handelingen.17.
21. Terug naar de voorliggende zaak. Het hof heeft bewezenverklaard dat het ministerie van OCW door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, eruit bestaande dat [A] listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid het ministerie van OCW heeft voorgehouden dat [betrokkene 4] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] werkzaamheden in het kader van een dienstverband met [A] hebben verricht, waardoor het ministerie van OCW is bewogen tot de afgifte van meerdere geldbedragen. Echter, uit de bekostigingssystematiek van het onderwijs ten tijde van het tenlastegelegde – zoals uiteengezet onder randnummer 13 – volgt dat de ontvangen geldbedragen hoe dan ook als voorschot werden afgegeven op basis van de toekenning van het aantal ‘fre’s’. Deze toekenning was gebaseerd op het leerlingenaantal op een bepaald moment en stond daarmee los van enige dienstverbanden. Het ministerie van OCW is door deze (fictieve) dienstverbanden dan ook niet bewogen tot de afgifte van meerdere geldbedragen. Voor zover het middel hierover klaagt is het terecht voorgesteld.
22. Ik merk hierover ten overvloede nog het volgende op. De bewijsmiddelen in ogenschouw nemend, lijkt zich, in elk geval op het eerste gezicht, mogelijk de situatie van ‘het tenietdoen van een inschuld’ te hebben voorgedaan.18.Het tenietdoen van een inschuld gaat immers niet alleen op in die gevallen waarin de schuld op civielrechtelijke wijze tenietgaat, maar ook wanneer de schuldeiser in de waan wordt gebracht dat geen inschuld bestaat.19.Overgebleven ‘fre’s’ moesten worden terugbetaald aan het ministerie van OCW, zo wordt ook door de steller van het middel naar voren gebracht. Bij een eventuele controle door een accountant, die achteraf plaatsvond, werd gecontroleerd of de administratie compleet was, maar niet of een persoon ook daadwerkelijk werkzaam is (geweest) voor de school. Controle vond alleen plaats indien daarvoor aanwijzingen bestonden.20.Door de fictieve dienstverbanden op te nemen in de schooladministratie viel bij een controle niet op dat er ‘fre’s’ over waren en dat in werkelijkheid een inschuld bestond.
23. Het tweede middel slaagt.
24. Het derde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4, voor zover inhoudende dat benoemingsbrieven (valselijk) zijn opgemaakt, niet uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
25. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:
“4.
hij te Arnhem en/of Klazienaveen en/of Beesd, in of omstreeks de periode van 1 juni 2002 tot en met 5 september 2002,
tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, valselijk heeft opgemaakt bescheiden, te weten drie, benoemingsbrieven afkomstig van Stichting [A] , te weten:
a. een benoemingsbrief d.d. 25 juni 2002 gericht aan [betrokkene 4] (D-095) en
b. een benoemingsbrief d.d. 5 september 2002 gericht aan [betrokkene 2] (D-033) en
c. een benoemingsbrief d.d. 5 september 2002 gericht aan [betrokkene 3] (D-091),
zijnde telkens enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,
bestaande de valsheid hierin dat voornoemde personen nimmer een dienstbetrekking met Stichting [A] zijn aangegaan.”
26. De bewezenverklaring onder 4 steunt op de (24) bewijsmiddelen zoals in het arrest genoemd.21.
27. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de bewijsmiddelen enkel blijkt dat brieven zijn opgemaakt die een aanbod inhouden voor een dienstbetrekking met [A] , maar dat hieruit niet kan worden afgeleid dat daadwerkelijk dienstbetrekkingen hebben bestaan. Ook overigens blijkt niet uit de bewijsmiddelen dat benoemingsbrieven zijn opgemaakt. De bewezenverklaring is daarom onvoldoende gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
28. Ik volg de steller van het middel hierin niet en wel om het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt dat aan [betrokkene 4] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] door middel van een brief een dienstbetrekking is aangeboden (bewijsmiddel 113, 119 en 128). Deze brieven zijn ondertekend door de verdachte en hebben als onderwerp nota bene ‘benoeming’. De brieven worden bovendien door de medeverdachte en getuigen aangeduid als ‘benoemingsbrieven’ (o.a. bewijsmiddel 114, 118). Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat [betrokkene 4] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op de loonlijst stonden en op die wijze ook werden uitbetaald, terwijl zij niet in het kader van een dienstverband werkzaam waren (bewijsmiddel 114, 117, 122 en 134). Dat geen benoemingsbrieven zouden zijn opgemaakt waarmee dienstbetrekkingen in het leven zijn geroepen wordt dan ook genoegzaam weerlegd door de bewijsmiddelen.
29. Het derde middel faalt.
30. Het vierde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
31. Namens de verdachte is op 26 juni 2017 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 14 november 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de hier geldende inzendtermijn van acht maanden met bijna negen maanden is overschreden. De Hoge Raad zal bovendien uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken.
32. Het voorgaande brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Dit punt kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen of verwezen.22.
33. Het eerste en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt. Het vierde middel kan buiten bespreking blijven.
34. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ter zake van het feit onder 1, aanhef en onder a, en de strafoplegging, en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan, en met verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑10‑2019
HR 3 december 1928, ECLI:NL:HR:1928:176, NJ 1929, p. 565; G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Kluwer 2018, p. 661.
HR 3 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:AB8596, NJ 1992/251; B.F. Keulen & G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2018, p. 417.
Vgl. HR 6 juni 2006, ECLINL:HR:2006:AW2430, NJ 2006/330.
Zie de aanvulling bewijsmiddelen bij het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, d.d. 20 juni 2017, p. 1-40.
Zie artikel 2 Regeling bevoorschotting personele kosten primair- en voortgezet onderwijs (vervallen per 1 augustus 2008).
Zie bijlage I bij Kamerstukken II 1995/96, 24 400 VIII, nr. 61, p. 5.
Zie artikel 168 Wet op de Expertisecentra. Dit artikel was ten tijde van het tenlastegelegde gelijkluidend.
Zie o.a. bewijsmiddel 17: “We hadden fre’s over en wij hebben [betrokkene 4] en [betrokkene 1] benoemd om te voorkomen dat de overblijvende fre’s terug moesten naar het ministerie.”
Zie bewijsmiddel 10 en 27.
HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158, r.o. 2.3.1.
HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158, r.o. 2.3.2.
P.J. van den Hout, Oplichting: knooppunt van valsheid en bedrog, Arnhem: Gouda Quint BV 1993, p. 82.
HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158, r.o. 2.3.3.
P.J. van den Hout, Oplichting: knooppunt van valsheid en bedrog, Arnhem: Gouda Quint BV 1993, p. 81.
HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158, r.o. 2.4.
Zoals overigens ook door de officier van justitie alternatief was tenlastegelegd naast ‘de afgifte van enig goed’.
Zie HR 6 april 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB3916, NJ 1965/195 m.nt. Van Berckel. Daarmee heeft ‘het tenietdoen van een inschuld’ een eigen strafrechtelijke betekenis gekregen, zoals Van Berckel opmerkt in zijn noot onder dit arrest.
Ik begrijp dit aldus dat kennelijk aanwijzingen voor verkeerd gebruik van het formatiebudgetsysteem moesten bestaan.
Zie de aanvulling bewijsmiddelen bij het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden d.d. 20 juni 2017, p. 49-55.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.5.3.
Beroepschrift 14‑03‑2019
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR, houdende vier middelen van cassatie in de zaak van: [verzoeker], verzoeker van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden van 20 juni 2017, waarbij verzoeker tot straf is veroordeeld.
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm. In het bijzonder is de naleving verzuimd van de artikelen 348, 349, 358 lid 3 en 359 lid 2 jo 415 Sv omdat het Hof heeft verzuimd een met redenen omklede beslissing te geven op het verweer waarbij een beroep werd gedaan op de nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde.
Toelichting:
1.1.
Uit de ter 's Hofs terechtzitting van 23 mei 2017 overgelegde pleitnota volgt dat door de raadslieden het volgende verweer is gevoerd:
‘Feit 1
De verdediging voert opnieuw aan dat de tenlastelegging op dit onderdeel onvoldoende concreet is en derhalve nietigheid het gevolgd dient te zijn. Inmiddels is evident —zo concludeert immers ook het gerechtshof in het civiele hoger beroep— dat er door betrokkenen wel werkzaamheden zijn verricht. Werkzaamheden die wel onder een dienstverband zijn te scharen. Kort en goed: niet alle dienstverbanden van betrokkenen staan of kunnen ter discussie staan. Door het OM is onvoldoende concreet gemaakt welke dienstverbanden precies worden bedoeld door geen onderscheid te maken per persoon in de dienstverbanden die zijn aangegaan.’
1.2.
Dit verweer kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een verweer waarbij een beroep wordt gedaan op nietigheid van de tenlastelegging omdat deze onvoldoende feitelijk is omschreven. Hoewel hiertoe —op straffe van nietigheid— gehouden op basis van de in het middel genoemde wetsartikelen heeft het Hof op dit verweer in het geheel niet gerespondeerd. Hierdoor lijdt het arrest aan nietigheid.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm. In het bijzonder is de naleving verzuimd van de artikelen 350 en 359 jo 415 Sv omdat de bewezenverklaring van feit 1 voor zover inhoudende dat het ministerie van OCW is ‘bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen’ door (kort gezegd) valse mededelingen, niet uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en omdat die bewezenverklaring niet voldoende met redenen is omkleed, met name in het licht van het gevoerde verweer, strekkende tot vrijspraak.
Toelichting:
1.1.
De bewezenverklaring van feit 1 houdt in dat:
‘Stichting [A] in de periode van 1 januari 2001 tot en met 1 augustus 2006
te Arnhem en/of Klazienaveen en/of Beesd en/of Bladel en/of Doornenburg,
telkens met het oogmerk om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen,
hebbende de Stichting [A] toen en daar telkens listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voorgehouden dat
- a.
[betrokkene 4] en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] werkzaamheden in het kader van een dienstverband hebben verricht,
waardoor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,
tot vorenstaande feiten verdachte, opdracht heeft gegeven en/of feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);’
1.2.
Blijkens de pagina's 6 t/m 8 van de pleitnota die deel uitmaakt van het proces-verbaal van de zitting van het Hof van 23 mei 2017 is door de verdediging een uitleg gegeven van (onder andere) het begrip formatierekeneenheden en de bekostigingssystematiek in het onderwijs ten tijde van het ten laste gelegde, alsmede van CASO, de salarisadministratie. Blijkens pagina 15 en 16 van de pleitnota is door de verdediging in verband hiermee het volgende naar voren gebracht:
‘Meer interessant is of er een verboden gedraging is en die aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Het antwoord is Neen. Er is namelijk geen sprake geweest van een verboden gedraging. Het ministerie is namelijk niet bij herhaling voorgehouden dat er sprake zou zijn van niet-bestaande dienstverbanden, noch is bet ministerie bewogen tot afgifte van enig goed. Sterker nog: aan het ministerie is niet eerder een document, althans de documenten die in de tenlastelegging ter sprake staan, voorgehouden.
Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor ten aanzien van de begripsaanduiding van formatierekeneenheden en het CASO-systeem is aangehaald. De formatierekeneenheden worden niet bepaald aan de hand van (voorgehouden) dienstverbanden of beloningsgrondslagen en worden daarop ook niet uitgekeerd. Sterker nog: de betaling door het ministerie van onderwijs van gelden staat volledig los van enige personele documentatie/administratie. Het aantal leerlingen op het telmoment (1 oktober) voorafgaand aan het schooljaar bepaalt de maandelijkse uitkering van gelden door het ministerie in dat nieuwe schooljaar. Die uitkering vindt ‘blind’ plaats. Eerst achteraf kan, met de nadruk op kan, controle plaatshebben. Daarvoor moeten dan aanwijzingen zijn. De accountant zag geen aanleiding voor die aanwijzingen.
Door de rechtbank is in eerste aanleg dit systeem volledig miskent. Volstrekt in strijd met de waarheid is door de rechtbank overwogen dat door De stichting ([A]) de berekende salarissen van personen, via het computersysteem (CASO) zijn gedeclareerd bij het ministerie van onderwijs en het ministerie van onderwijs daarop (onderstreping CJ) de gedeclareerde bedragen heeft verstrekt.
Niets is minder waar. De verdediging begrijpt niet op welke wijze de rechtbank tot deze conclusie heeft kunnen komen. De feiten zijn immers volstrekt anders. Evident is dat de rechtbank geen acht heeft geslagen op de bekostigingssystematiek. Niet in theoretische, noch in praktische zin. Daarmee is uitgegaan van een verkeerd feitencomplex, zijn ten onrechte aannames gedaan en heeft de rechtbank naar het oordeel van de verdediging een juridische misslag begaan bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden’.
1.3.
De bewezenverklaring als onder 1.1. geciteerd steunt op de bewijsmiddelen 1 t/m 96 zoals vermeld op de pagina's 1 t/m 40 in de aanvulling op het arrest. Voor dit middel van belang zijn (o.a.) de volgende bewijsmiddelen:
- a.
Bewijsmiddel 67, de verklaring van [getuige 1], [functie] bij de inspectie van het onderwijs:
‘Eigenlijk is het CASO de salarisadministratie, de feitelijke salarisbetalingen. Aan het begin van het schooljaar kreeg je het aantal fre's toegekend die maandelijks als voorschot werden uitbetaald. De school kreeg het geld overgemaakt die vervolgens zelf verantwoordelijk was voor de doorbetaling aan het personeel, belasting, pensioen etc.’1.
- b.
Bewijsmiddel 17, de verklaring van [betrokkene 5]:
‘(…) We hadden fre's over en wij hebben [betrokkene 4] en [betrokkene 1] benoemd om te voorkomen dat de overblijvende fre's terug moesten naar het ministerie.’
Hieruit volgt, zoals door de verdediging aangevoerd, dat de uitbetaling van gelden als voorschot gebeurde op basis van het aantal fre's en dus niet dat het ministerie van OCW is bewogen tot afgifte van geldbedragen door in strijd met de waarheid voor te houden dat [betrokkene 4], [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] werkzaamheden in het kader van een dienstverband hebben verricht. De geldbedragen werden (op basis van de toekenning van fre's die los stond van enig dienstverband) hoe dan ook als voorschot afgegeven. Dat zij in voorkomende gevallen terugbetaald zouden moeten worden maakt dat niet anders.
Middel III:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm. In het bijzonder is de naleving verzuimd van de artikelen 350 en 359 jo 415 Sv omdat de bewezenverklaring van feit 4 voor zover inhoudende dat benoemingsbrieven (valselijk) zijn opgemaakt niet uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
Toelichting:
1.1.
De bewezenverklaring van feit 4 houdt in dat:
- ‘4.
hij te Arnhem en/of Klazienaveen en/of Beesd, in of omstreeks de periode van 1 juni 2002 tot en met 5 september 2002,
tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, valselijk heeft opgemaakt bescheiden, te weten drie, benoemingsbrieven afkomstig van Stichting [A], te weten:
- a.
een benoemingsbrief d.d. 25 juni 2002 gericht aan [betrokkene 4] (D-095), en
- b.
een benoemingsbrief d.d. 5 september 2002 gericht aan [betrokkene 2](D-033), en
- c.
een benoemingsbrief d.d. 5 september 2002 gericht aan [betrokkene 3] (D-091), zijnde telkens enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, bestaande de valsheid hierin dat voornoemde personen nimmer een dienstbetrekking met Stichting [A] zijn aangegaan.’
1.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen 113 t/m 136 zoals vermeld op de pagina's 49 t/m 54 in de aanvulling op het arrest. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat brieven zijn opgemaakt met als tekst (voor zover hier van belang):
‘Hierbij bevestigen wij u, dat u een betrekking als (…) is aangeboden…’
Uit het voorgaande volgt dat het gaat om brieven die enkel een aanbod verwoorden voor een betrekking op de school. Niet meer en niet minder. Daarmee wordt geen dienstbetrekking in het leven geroepen, noch het bestaan daarvan bewezen. Gelet daarop en op het feit dat ook overigens niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat benoemingsbrieven zijn opgemaakt, is de bewezenverklaring op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
Middel IV:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de met in acht genomen vorm. In het bijzonder is niet voldaan aan een berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM.
Toelichting
Op 26 juni 2017 is namens verzoeker het beroep in cassatie ingesteld. Het dossier is bij de Hoge Raad op 14 november 2018 ingekomen. Er is dus sprake van een inzendingsduur van meer dan acht maanden. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) moet worden geoordeeld dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM.
Slotsom:
Om de redenen, in het voorgaande vervat, kan het bestreden arrest niet in stand blijven; dat arrest behoort dus te worden vernietigd. Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. C.H.W. Janssen advocaat te Arnhem, die bij deze verklaart tot die indiening en ondertekening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Arnhem, 14 maart 2019
mr. C.H.W. Janssen
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑03‑2019
Met een blik over de papieren muur is te lezen dat zij in haar verklaring ook bevestigt dat aan de hand van het aantal en gewicht van de leerlingen per 1 oktober een aantal fre's werd toegekend. Die fre's werden per schooljaar toegekend. (dossiernummer 45439, codenr G07-01 pag. 6/7)