Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.1
2.1 Inleiding
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS389441:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 2 juli 1928 tot wijziging en aanvulling van de bepalingen omtrent de naamloze vennootschap en regeling van de aansprakelijkheid voor het prospectus, Stb 1928, 216. Bij Koninklijk Besluit van 8 september 1928, Stb 1928, 364, is de inwerkingtredingsdatum van deze wet bepaald op 1 april 1929.
Wet van 29 juni 1929 houdende een Novelle bij de wet van 2 juli 1928 tot wijziging en aanvulling van de bepalingen omtrent de naamloze vennootschap en regeling van de aansprakelijkheid voor het prospectus, Stb 1929, 363. De novelle is op 21 juli 1929 in werking getreden.
De totstandkoming van de V.O.C. wordt in de handboeken algemeen aangemerkt als het moment waarop voor het eerst gestalte werd gegeven aan de rechtsfiguur die later als N.V. zou worden benoemd. Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 1 en P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 16e druk, bewerkt door J.W. Winter & J.B. Wezeman, Deventer: Kluwer 2013, nr. 6. Dit standpunt is terug te voeren op de dissertatie van E.J.J. van der Heijden, De ontwikkeling van de Naamlooze Vennootschap in Nederland vóór de Codificatie (Utrecht 1908). Zie voor een verkorte weergave E.J.J. van der Heijden, Handboek voor de Naamlooze Vennootschap naar Nederlandsch recht, 2e druk, Zwolle: Tjeenk Willink 1931, nrs. 1-2. Zie voorts M.J.G.C. Raaijmakers, Rechtspersonen tussen contract en instituut, oratie Tilburg 1987, Deventer: Kluwer 1987, p. 1.
Zie voor een korte aanzet M.J.G.C. Raaijmakers, Ondernemingsrecht, Pitlo-serie deel 2, Deventer: Kluwer 2006, p. 70-71. Helemaal boeiend wordt het wanneer men hierbij ook de ontwikkeling van geld en daarmee van ondernemingsfinanciering en het bankwezen zou betrekken. Zie voor een toegankelijke verhandeling N.C.D. Ferguson, The Ascent of Money: A Financial History of the World, London: Allen Lane 2008.
Een dergelijk diepgaand onderzoek naar de ontwikkelingen in de periode voor 1929 is gedaan door De Jongh in het kader van zijn dissertatie. Zie De Jongh 2014, p. 3-294.
Handboek Van der Heijden 1931. De eerste druk van het handboek verscheen direct na inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke regeling in 1929. Voor deze beschouwing is gekozen voor het hanteren van de tweede druk uit 1931, aangezien in deze druk enige ervaringen met de nieuwe wettelijke regels waren opgenomen.
Volledige oorspronkelijke titel: De Naamlooze Vennootschap: Maandblad voor de Ondernemingsvorm en het Bedrijfswezen in Nederland en Nederlandsch-Indië. Over de keuze voor deze naam schreven Van der Heijden en Volmer in het eerste nummer van De NV het volgende: “Er is in het bijzonder behoefte aan een tijdschrift, waarin de speciale belangen van de vennootschap besproken worden. Het behoeft geen betoog, dat daarbij in het bijzonder de aandacht wordt getrokken door dien vennootschapsvorm, waarbij de splitsing van de ondernemingsfunctie tusschen hen, die het bedrijfsrisico dragen en hen, die de productiemiddelen organisch samenvoegen, het meest duidelijk is verwezenlijkt: de naamlooze vennootschap.” Zie E.J.J. van der Heijden & J.G.C. Volmer, ‘Ter Inleiding’, De NV I (1922/23), p. 2, opgenomen in C.J.H. Jansen & G. van Solinge, Verspreide geschriften van E.J.J. van der Heijden, Van der Heijden-reeks nr. 67, Deventer: Kluwer 2001, p. 44.
Hiermee doel ik met name op de invoering van de structuurregeling bij wet van 6 mei 1971, Stb 1971, 289, en de herziening van het enquêterecht bij wet van 10 september 1970, Stb 1970, 414. Ook is relevant is de wettelijke regeling van de jaarrekening bij wet van 28 januari 1971, Stb 1971, 54, die tevens de instelling van de Ondernemingskamer bij het Gerechtshof Amsterdam met zich meebracht. Voor een overzicht van deze wetgevingsoperatie, zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 6.
Wet van 8 april 1976, Stb 1976, 228-229.
Wet van 12 mei 1960, Stb 1960, 205. Zie Raaijmakers Th. 1987, p. 6-8 over de hoofdlijnen van de regeling van de N.V. in het ONBW van Meijers uit 1954.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 7. Iets anders is de relatie van de N.V. met andere ondernemingsvormen: hierin bracht de invoering van Boek 2 BW wel ingrijpende wijzigingen met zich mee. Zie Raaijmakers Th. 1987 en in de reprise Raaijmakers Th. 2012.
Zie hierover het themanummer van TVVS uit 1983 (aflevering 6), in het bijzonder de artikelen van L. Timmerman, ‘De Tweede Golf: inleidende opmerkingen’, TVVS 1983, p. 134-142, M.J.G.C. Raaijmakers, ‘Nederlandse wetgeving inzake concernverhoudingen’,TVVS 1983, p. 152-165 en C.W.A. Timmermans, ‘De Tweede Golf: de Europese onderstroom’, TVVS 1983, p. 165-173.
In dit hoofdstuk zal een schets op hoofdlijnen worden gegeven van de belangrijkste ontwikkelingen in het klassieke ondernemingsrecht voor de rechtsvorm van de N.V.. Als vertrekpunt voor deze beschrijving is gekozen voor 1929: het jaar van de inwerkingtreding van de ‘nieuwe’ regeling voor naamloze vennootschappen in het Wetboek van Koophandel (WvK) zoals gewijzigd bij wet van 2 juli 19281 en bij novelle van 25 juni 1929.2 Met deze wetgevingsoperatie is de uitgebreide wettelijke regeling voor de N.V. tot stand gebracht die thans nog de basis vormt voor de afdeling over de N.V. in Boek 2 BW. Uiteraard gaat de geschiedenis van het verschijnsel van de naamloze vennootschap veel verder terug, in ieder geval tot de tijd van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (opgericht bij octrooi van 20 maart 1602) en diens voorcompagnieën.3 Wanneer men ook nog de opkomst van de rechtsfiguur van de naamloze vennootschap in de bredere context van de ontwikkeling van ondernemingen en ondernemingsvormen zou willen analyseren, zou men nog veel verder terug in de tijd moeten gaan.4 Een dergelijke omvangrijke beschrijving gaat het bestek van het dit onderzoek te buiten.5
De keuze voor 1929 als startpunt is vooral ingegeven door pragmatische overwegingen, te weten de beschikbaarheid van een uitgebreide wettelijke regeling betreffende de N.V. (122 artikelen in het WvK), een contemporain integraal commentaar op deze regeling in de vorm van het handboek van Van der Heijden6 en een centraal podium voor wetenschappelijke gedachtewisseling en signaleringen uit de actualiteit in de vorm van het in 1922 opgerichte tijdschrift De Naamlooze Vennootschap.7 Het is dus niet vanwege intellectuele luiheid, maar vanwege de noodzaak tot een efficiënte afbakening dat dit onderzoek deze basis tot uitgangspunt neemt. Ook het eindpunt van de beschouwingen in dit hoofdstuk, te weten de herziening van het ondernemingsrecht die uitmondde in de ‘eerste golf’ aan wetswijzigingen die in 1971 in werking traden,8 is in zekere zin een arbitraire keuze. Naar mijn mening was het bouwwerk van het klassieke ondernemingsrecht voor beursvennootschappen in de door mij bedoelde zin naar de toenmalige stand van wetgeving en rechtspraak op dat moment ‘af’, althans voor zover het de verhouding tussen vennootschap en aandeelhouders betrof. Uiteraard vond de overheveling van de regeling voor de N.V. in Boek 2 BW pas in 1976 plaats,9 maar de tekst van de wettelijke bepalingen van Boek 2 BW was reeds in 1960 vastgesteld10 en de overheveling van de wettelijke bepalingen betreffende de N.V. van het WvK naar Boek 2 BW bracht voor de regeling van de N.V. als zodanig geen ingrijpende wijzigingen met zich mee.11 Ook de ‘tweede golf’ aan wetsvoorstellen op het gebied van het ondernemingsrecht die eind jaren ’70 en begin jaren ’80 werden ingediend12 behelsde geen wezenlijke veranderingen in de positie van aandeelhouders in naamloze vennootschappen. Al met al is het jaar 1971 dus niet alleen een praktisch werkbare, maar ook een wetenschappelijk verantwoorde afbakening voor een beschrijving van het klassieke ondernemingsrecht voor beurs-N.V.’s.
Dit hoofdstuk beoogt geen uitputtende beschrijving te geven van de rechtsontwikkeling voor wat betreft de N.V. tussen 1929 en 1971, maar focust eerder op een aantal thema’s die in deze periode steeds terugkomen. Een eerste terugkerend thema is het vraagstuk naar het wezen en de inhoud van het ‘belang van de vennootschap’, ofwel het ‘vennootschappelijk belang’. Dit leerstuk neemt thans nog een belangrijke plaats in het ondernemingsrecht in. De wetenschappelijke gedachtenvorming en discussies over dit onderwerp in de jaren ’50 en ’60 zijn hierop van grote invloed geweest. Met de ontwikkeling van het concept vennootschappelijk belang hangt ook de verandering in opvattingen over de aard van de N.V. (contract dan wel instituut) nauw samen. Ook dit thema loopt als een rode draad door dit hoofdstuk. In het verlengde van deze twee thema’s ligt tot slot het derde thema: de verhouding tussen de vennootschap en haar aandeelhouders, het eigenlijke onderwerp van dit onderzoek. Deze drie thema’s zijn vervlochten in een min of meer chronologische beschrijving, die hieronder in verschillende paragrafen verder is uitgewerkt.